| |
| |
| |
Eene soiree bij M. Luybrechts.
Eerste tooneel.
In den winkel.
Ja maar, Luybrechts, wij kunnen er immers niet buiten? Me zijn wijliê immers van den grooten sjik in de wereld, en als wij geen soirée gaven, dan zouden wij ook niet meer verzocht worden. En dan, wij moeten onzen Amédée, die nu terug is uit het pensionnaat, onder de menschen brengen, en laten zien wat voor eene nette catie hij gekregen heeft.
Educatie, moet ge zeggen, Fientjen lief. Wat de soirée betreft, poesken, ge weet wel, dat zoo een ding veel geld kost? Laat ons liever wachten, tot aanstaanden winter; dan zijn er kiezingen, en ge kunt nooit weten, wat effekt eene invitatie op sommige kiezers kan doen.
Och! Luybrechts, daar moet gij niet ongerust om zijn. Ge staat zoo pal als eene rots, want zonder u kunnen ze niet uit de voeten. Madam Van Mostaerd zeî het mij gisteren nog: - M. Luybrechts, zeî ze, dat is een van onze beste mannen, zeî ze, van ons verstandigste bollen, zeî ze. - Zoo dat is een
| |
| |
woord, he, Luybrechts? Binnen tien dagen zal er gedanst worden..... maar met den piano alleen.
Ja, en in het klein zaaltjen.
Och! laat ons de groote zaal ook maar open doen. Er is bijkans niemand, die ze gezien heeft, en ik stel mijne schoone schilderijen en mijne schoone kandelabers zoo geerne ten toon aan die nijdigaards.
En uw schoon portret ook, he Fientje, met uw korte mouwkens?
En het uwe, he, met dat rood streepken, dat ge aan uw knopsgat hebt laten schilderen? Enfing, da's een woord, binnen tien dagen. Van avond stellen wij den lijst der invitaties op.
| |
Tweede tooneel.
Eene kamer.
Mijnheer en madam Luybrechts en de jonge heer Amédée zitten aan eene tafel.
(leest.) M. Vander Knie en zijne vrouw.
Schrabt die maar uit, ze bezien mij altijd met scheel oogen, als ze mij tegen komen.
Uitgeschrabt! Hij heeft te veel verloren in de fondsen.
(leest.) M. en M me Hairklievers.
Uit! Ze hebben hun proces verloren.
| |
| |
(leest.) M. en M me Hoogmoed.
Een schreef daardoor! Ze hebben gezegd, dat ik er niet comme il faut uitzie.
Keelgat, Doorjagers, Drinkenbroers.
Uit, al gauw! Dat zijn slokkers. Ze zouden 'nen mensch arm eten en drinken.
Mama, laat ons ook M. Beentjens uit doen, die heeft op mijnen teen getrapt op het bal van den gouverneur. En uffra Tandvleesch lacht mij altijd uit. Maar, zeg eens, mama, zult ge tante Jo en nicht Marie niet vragen?
Zijde gek? Die menschen op ons bal! Als wij eens onder ons zijn, ja; maar onder al dot groot volk, dat er zal zijn! Ik geloof dat gij er meê lacht! (Tot haren man.) Luybrechts, ik heb den baron en de baronnes van Muyzevreugd ook gevraagd. Da 's 'nen nieuwbakken nobele, die ons misschien onder de noblesse kan pousseren. Me zijn wij immers zoo goed als Lepoivre, Schipmans, Neles en zooveel anderen, die bij ridder Turelure gaan?
Het kan mij niet schillen, poesken, als u dit plezier doet. (De invitaties worden toegevouwen en verzonden.)
| |
Derde tooneel.
De groote zaal. - Vijf dagen later.
Mama, daar houdt een voituur met twee poerden stil voor de deur. Da 's zeker een visiet.
| |
| |
Dat zullen van onze geïnviteerden zijn?
(binnen komende.) Madam, mevrouw en freule Van Pimpernel vragen of er geen belet is.
Freule, wat wil dat zeggen, Amédée?
Ik geloof dat het eene ongetrouwde mevrouw is.
Ha! Wel, Mie, doet al gauw 'nen witten voorschoot aan, en laat die dames boven komen.
(Mevrouw en freule Pimpernel komen binnen.)
Madame, nous avons reçu votre aimable invitation, que nous acceptons avec grand plaisir, et je viens avee ma fille...
C'est bon, c'est bon! Vous avez beaucoup de bonté. Et ça va bien avec votre mari? Allo, asseyez-vous, s'il vous plaît. Ça est mon fils que je vous présente; son nom est Amédée. Il a reçu un bon nettecachon, savez-vous, dans un grand penchonnat, savez-vous, qui coûte très-cher.
Madame, je vous en fais mon compliment. Monsieur votre fils vous ressemble. Il a tout-à-fait bon air.
N'est-ce pas, madam? Il a eu le premier prix de santé dans son penchonnat, et le maître m'a dit comme ça, qu'il était très-content avec lui.
Je veux le croire, madame. Vous avez ici un superbe salon. Il est fort spacieux.
Oui, madam: aussi il a coûté beaucoup d'argent à Luybrechts. Ces meubles, c'est très-beau, savez-vous. Et ces chaises avec ces cheveux roux...
Avec ces cheveux roux, madame? Je ne vois pas...
| |
| |
Och! oui. En flamand nous appelons ça stoelen met ros hair; je ne sais pas pourquoi.
Is dat niet eender? Sentez un peu, madam, comme ça vous fait sauter. (Ze doet de veeren op en neer springen.) Ça c'est plaisant!
(stoot haar tegen den arm en wispert.) Och! mama!
C'est bon! c'est bon! Avez-vous déjà vu mes tableaux, mesdames? Et nos portraits! Ils sont magnifiques! Voyez une fois, madame et mademoiselle, comme c'est beau ça! Ils ont eoûté beaucoup d'argent à Luybrechts, savez-vous. Voyez aussi une fois nos beaux candelabres d'argent. C'est ça qui est une fois beau, he? Et cette petite chosken en marbre! Luybrechts l'a achetée en Italie.
Ah! monsieur est allé en Italie?
Oui, madame, il est allé tout partout; même à Venise. Il dit comme ça que Venise ça est une fois beau. A propos, savez-vous, on dit que les bals de la cour à Bruxelles ça a été très-beau cet hiver. Etes-vous été lá, madame?
Nous n'avons pas l'honneur d'être invitées aux bals de la cour.
Luybrechts bien, C'est très-amusant, savez-vous. Et puis le souper, le champagne, les truffes, les glaces, c'est comme un paradis.
Vous y allez quelquefois, madame?
Madam
(gepikeerd.) Au paradis? Qu'est-ce que vous pense donc? Non, mademoiselle, toujours aux premières loges.
Ma fille veut dire aux bals de la cour.
| |
| |
Och! oui, avec Luvbrechts. Avant d'aller, j avais appris à faire la grande révérence, et quand je suis passée devant le roi, je l'ai fait.
Oui, tout le monde dit ça. Je vas une fois vous montrer. (Ze gaat in het midden der zaal staan, en neigt op zijn hoofsch.)
Ah! madame, c'est charmant! Veuillez la faire encore une fois, ie vous en supplie.
Madame, vous vous en acquittez si bien, que vous avez dû produire un immense effet à la cour.
Je crois ça aussi. Tout le monde riait.
(staan op om te vertrekken.)
(terwijl zij naar de deur gaan, beziet zij ze, en zegt in haar eigen.) Een, twee, drij, vier, vijf, zes volants in haar kleed! (Tot Amédée.) Amedée, zes volants!
| |
Vierde tooneel.
In een achterkamerken.
(met 'nen grooten keukenvoorschoot aan, is bezig met het zilverwerk te poetsen.) Hoe zwart dit zilveren mandeken geworden is! Ik krijg het van mijn leven niet wit. (Hij poetst.) Wat zouden mijne geïnviteerden zeggen, als zij mij hier zoo zagen kuisschen, en vegen, en vrijven? Voor 'nen serieuzen mensch gelijk ik, is dit een aardig krawijken!
(binnen komende.) Zeg eens, Luybrechts, deze speelkaarten zijn immers nog goed? Ze hebben nog maar drij keeren gediend. Ik zal ze
| |
| |
wat in den kelder leggen, dan zullen zij er van avond versch uitzien.
Goed, poesken. Hebben zij het kelderken wijn gebrast, dat ik besteld had?
Ja; drij flesschen champagne, tegen fr. 4 1/2 voor de kaartspeelders; zes flesschen dito, tegen anderhalven franc, contrefaçon, voor de dansers. Die mannen hebben het toch zoo warm, dat ze niet proeven of de wijn goed of slecht is. Dan hebben wij nog van dien slechten Bordeaux, eenige flesschen van dien ouden oeil de perdrix....
Foei! zoudt gij dien nog durven geven? Wat duurt hij toch lang, he?
Ja, 't is heel profijtelijken drank; niemand wil er van drinken; en nogtans doet hij een goed effekt. op het kabaret. 'T is spijt, dat hij al zoo ver loopt.
(een werkman, die in de groote gelegenheden de tafel dient, koetsier speelt, en mijnheer helpt kleeden, komt binnen met 'nen ouden hoed van mijnheer, die hem veel te groot is en tot over de oogen valt.) Madam, zoude de goedheid willen hebben, my uwe orders te geven, tegen dezen avond?
Ja, Jan. Na den middag, zulde de koeken gereed maken; maar met zoo weinig boter als ge maar kunt. Als het gerookt vleesch, de gerookte tong en de galantine komen, dan moete daar ook niet te royaal meê zijn. Daar zullen omtrent 80 à 90 persoonen komen. Hier is een ganzelever pastei; ziet dat ge, op het brood, er maar de breedte van 'nen kleinen vinger van strijkt, en dat er nog de helft van overblijft. Luybrechts dejeuneert zoo geerne met den
| |
| |
overschot. Hij kan er acht dagen plezier van hebben, he, Luybrechts?
Ja, poesken; maar ge moet toch niet...
Tut tut! En, Jan, ge zult een beetje water in den bordeaux gieten, en, als ge schenkt, doet dan de glazen niet meer dan half vol, hoorde 't? Ziet, hier is oeil de perdrix; daar schenkte maar omtrent 'nen vingerhoed van in, en als gij hem dient, roept dan heel luid: oeil de perdrix!
Begrepen, madam. (Hij wil gaan.)
Wacht nog eens. Ge moet goed opletten, wie er zoo al het meeste eet en drinkt. Die verzoeken wij niet meer.
Goed, madam. (Hij vertrekt.)
| |
Vyfde tooneel.
Tien ure 's avonds. Het volk is vergaderd in de twee zalen. Er wordt in het klein zaaltjen gespeeld, en in de groote zaal op het muziek van den piano gedanst. Jan gaat over en weêr met zyn kabaret. Eene groep dames en heeren staan te praten.
Brrrr! Ik bibber van de kou.
(spottend.) Het zijn ook zulke slechte tijden, en de kolen zijn zoo duur!
Ik was kurieus om ze van dicht en bij te zien.
(komt met zijn kabaret voorhij.)
(snelt tot hem en fezelt in zijn oor.) Jan, uw glazen zijn nog te vol. (Zij nadert de groep.)
| |
| |
(tot madam Luybrechts.) Madame, votre fête est charmante; les danses sont très-animées.
Owie, owie, ça va-t-assez. Die jonkheid, dat amuseert zijn eigen altijd, gelijk wijliê in onzen jongen tijd, he, madam Pepermans? (Ze geeft madam Pepermans 'nen douw in haar zijde.) Wilde niet een glaaske lommenade? Of bordeaux? Hij is zoo goed! Op den soupé krijgde van mijnen oeil de perdrix. Da 's eerst lekker! 'T is als of er een engeltje over uw tong...
(weigerende.) Dank u, madam.
(tot mevrouw van Pimpernel.) Allo! mavrouw, een glaasken; da's beter als seef, zulle.
(steekt zijn glaasken in zijn oog, en beziet madam Luybrechts van onder tot boven, ledereen glimlacht.)
Ze is heel aardig, die madam Luybrechts!
(Het soireeken gaat voort.)
| |
Zesde tooneel.
Als het volk vertrokken is.
Jan, is er nog oeil de perdrix over?
Ja, madam, al de glazen zijn vol blijven staan.
Giet hem dan terug in de flesschen: hij zal dienen voor het naaste feestje.
|
|