schoot; koetsier, rijdt naar een vlietend water. - Toen zij er aan gekomen waren, steeg Fiks-en-Vaardig zelf uit de koets, en zette den visch in den vloed, zoodat hij van vreugde, met den staart sloeg. Dan sprak Fiks-en-Vaardig: - Laat nu de paerden snel loopen, opdat wij van avond nog aan de bestemde plaats komen.
In de koninglijke hoofdstad aangekomen zijnde, reed hij regelregt naar het voornaamste hotel. De waerd en al zijne lieden kwamen aan de deur geloopen, ontvingen hem op het beste en dachten, dat een vreemde koning aangekomen was. Maar Fiks-en-Vaardig liet zich dadelijk naar het koninglijke hof voeren, en hield om de prinses aan.
- Mijn zoon, - zegde de koning, - dergelijke vrijers zijn er al veel van de hand gewezen, omdat er niet een kon uitvoeren wat ik had opgelegd, om mijne dochter te winnen. - Welnu, - sprak Fiks-en-Vaardig, - leg mij maar iets moeilijks op. -
De koning zei: - Ik heb eene maat raapzaad laten zaaijen; kunt gij het mij weder aanschaffen, zonder dat er een korreltje aan ontbreekt, zoo zult gij de prinses voor uwen heer verkrijgen. - Ho ho! - dacht Fiks-en-Vaardig, - dit is gemakkelijk voor mij. - Daarop nam hij eene maat, eenen zak en sneeuwwitte doeken, ging naar buiten en spreidde de doeken nevens het bezaaide veld uit.
Het duurde niet lang of de vogels, die in het woud niet waren gestoord geworden, kwamen aangevlogen, verzamelden het zaad, korreltje voor korreltje, en droegen het op de witte doeken. Wanneer zij alles verzameld hadden, schudde het Fiks-en-Vaardig in