| |
| |
| |
Zitting der wereldberoemde rederykkamer den Gulden Ajuin
te Cladbeeck.
De zitting begint om zes ure 's avonds. Zijn aanwezig: de heeren Olibrius, voorzitter, De Niezer ondervoorzitter, Van der Duiten schatbewaarder, Claddemans geheimschrijver; en voorders: de heeren Byters, Spinagie, Piet Krawye en meer andere leden. De openbare magt wordt vertegenwoordigd door den garde-champetter.
M. Olibrius. Ik verklaar de zitting open. M. de sekretaris zal het proces-verbaal der vorige zitting voorlezen.
M. Claddemans (leest.) Zitting van 1 october, om 6 ure 's avonds. Aanwezig: M. Claddemans, die in de afwezigheid der heeren voor- en ondervoorzitters, de vergadering presideert. Hij geeft lezing van het verslag der vorige zitting, waaraan hij, met eenparigheid van zijne eigen stem, zijne goedkeuring verleent. Daar er niets aan het dagorde is, en hij aan zijn eigen het woord niet vraagt, wordt de zitting geheven om 10 minuten 12 1/2 seconden na
| |
| |
6 ure. Geteekend: Claddemans voorzitter, en Claddemans geheimschrijver.
M. Olibrius. Vraagt er iemand het woord, over het opstellen van het proces verbaal?
M. Byters. Mij dunkt dat M. Claddemans niet te gelijk voorzitter, geheimschrijver en vergadering kan zijn. De goedkeuring, die hij als vergadering heeft gegeven, aan hetgene hij in hoedanigheid van sekretaris heeft gedaan, is nul en van geender waarde. Het verslag van 1 october moet uitgeschrabd worden. Dit is mijn gedacht.
Verscheiden stemmen. Ja, ja! Neen, neen!
M. Spinagie (door zijnen neus sprekende.) Ik vraag het woord.
M. Olibrius. M. Spinagie heeft het woord.
M. Spinagie (met gemaakte gematigdheid.) Ik vind dat M. Byters een zeer vies man is. Hij maakt altijd observaties. Als M. Claddemans alleen was in de vorige zitting, dit was immers zijne schuld niet? Waarom waren de andere leden niet gekomen? Wat de goedkeuring betreft, die hij zijn eigen heeft gegeven, daarin had hij volkomen gelijk. Iedereen heeft het regt, zijn eigen goed te keuren. Ik keur ik mijn eigen ook goed, als er niemand is, die het voor mij doet. In plaats van M. Claddemans te beknibbelen, zouden wij hem moeten bedanken, omdat hij zooveel beter heeft opgepast dan wij. Maar M. Byters zet overal zijne tanden in. Het proces-verbaal moet blijven gelijk het is.
Stemmen. Ja, ja! Neen, neen!
M. Claddemans. Mijnheeren, ik moet u doen opmerken, dat het reglement mij het regt geeft
| |
| |
u allemaal in de boet te slaan; maar dit heb ik niet willen doen. Nogtans, als gij het proces-verbaal afkeurt, dan.....
Al de leden. Neen, neen! Bravo! Vivat Claddemans!
M. Spinagie (vrijft triomferend in zijne handen.)
M. Byters (bijt op zijne tippen en mompelt in zijn eigen:) Wacht maar een beetje, ik zal u wel krijgen.
M. Olibrius. Aan het dagorde staat de leesbeurt van M. Spinagie. M. Spinagie heeft het woord.
M. Spinagie (trekt eenen rol papier uit zijnen binnenzak.) Mijnheeren, het dichtje, (het is een dichtje, Mijnheeren,) dat ik u ga voorlezen, is in den eenvoudigen trant.
M. Byters (tot zijn buurman.) Den onnoozelen trant, wil hij zeker zeggen.
M. Spinagie. Het zijn geene hoogdravende verzen...
M. Byters. Ik geloof dat zij in 't geheel niet zullen draven.
M. Spinagie (tot Byters.) Ah ca! gaat ge zwijgen? (Tot de vergadering.) Het is, als ik het zeggen mag, de natuur op het feit betrapt; het is de onbewimpelde stem des herten; het is eene schets der vrouwelijke driften, wanneer zij van de regten weg afloopen; het is....
M. Byters. Ge zoudt gauwer gedaan hebben, met het gedicht te lezen, dan ons te zeggen wat er in staat.
M. Spinagie (snut zijnen neus, hetgene hem niet belet er door te spreken.) Ik smeek u, Mijnheeren, mijn werk niet te streng te beoordeelen; want, al is het een meesterstuk, ik heb het nogtans zoo maar
| |
| |
voor de vuist gemaakt, en had den tijd niet, het te overzien.
M. Byters (stil.) Hij heeft ongelukkig den tijd wel om er over te zagen.
M. Spinagie. Nogtans, Mijnheeren, zegt er vrank en vrij uw gedacht over, zonder mij te sparen. Wij zijn hier bijeen om elkander te verlichten, en het zal mij aangenaam zijn....
M. Byters. Hoe lang gaat dit nog duren?
M. Spinagie. Ik begin, Mijnheeren. (Hy leest met eene kwijnende stem, die zonderbaar door zijnen gevel klinkt). ‘Mijne twee matanten, een treurzang.’ Ik heb het een treurzang geheeten, Mijnheeren, alhoewel er eigenlijk niets treurigs in voorvalt. Het treurige zit alleen in de gevoelens, gelijk gij zult gaan hooren. Nogtans, als gij zoudt denken, iets op den tijtel te moeten afwijzen, het zal mij aangenaam zijn....
M. Olibrius. Als M. Spinagie de goedheid wilde hebben, eerst zijn meesterstuk voor te lezen, dan zou de vergadering er deste gemakelijker kunnen over oordeelen.
M. Spinagie (buigt en leest.) Hm! hm! Myne twee matanten, een treurzang.
Men roept mij toe aan alle kanten:
Och! och! begint eens, lieve vriend,
Bij 't drinken van een lekker pint,
't Vertelsel van uw twee matanten.
Hoe vindt gij dit? Ik begin maar stillekens aan. Ge zoudt zeggen: het is niet met alle; maar ge zult gaan hooren. (M. Byters bijt op zijne lippen.) Ge moet daarom niet lachen, M. Byters. (Hij leest:)
| |
| |
Nu luistert dan, gij jong en oud,
Die hier te zamen zijt gezeten:
Mijn twee matanten, moet gij weten,
Die waren geen van beî getrouwd.
Wordt gij gewaar, Mijnheeren, hoe kunstig en klaar de toestand is daargesteld?
M. Piet Krawye. Als ik het goed bevat, dan zijn uwe matanten twee oude jonge dochters?
M. Spinagie. Ge zijt er, M. Krawye. Vindt ge niet, dat dit nog al geestig is?
M. Krawye (geeuwende.) Zeer geestig, zeer geestig.
M. Spinagie (leest:)
Zij hadden elk voor haar genoegen,
Een katje de een, rap en gezond,
De tweede, die had eenen hond,
Voor wie zij beide vriendschap droegen.
M. Byters. Die arme kat!
M. Spinagie. Waarom zegt gij: die arme kat?
M. Byters. Omdat uwe matanten al hare genegenheid aan den hond verleenden, en er dus niets voor de kat overbleef.
M. Spinagie. Neen wel. Mijne eene matant zag hare kat gaerne, en mijne andere matant haren hond.
M. Byters. Ha zoo!
M. Spinagie (leest:)
Als de eene nu wat eten had,
Dan was het altijd voor haar hondje;
Maar de ander hield het voor het mondje
M. Piet Krawye (eene traan afwischende.) Verduiveld! dit pakt mij.
| |
| |
M. Spinagie (tot M. Byters.) Ziet ge nu wel, dat ze alle beî niet verzot zijn op het hondje?
M. Byters. Gaat maar voort als 't u belieft.
M. Spinagie (leest:)
Maar de eene kon de kat niet lijden,
En de ander kon den hond niet zien,
Zij liepen wel een stap of tien,
Om deze beestjens te vermijden!
M. Byters. Om ze alle beî te vermijden?
M. Spinagie. Ge zijt een dwerzerik! Neen, elke matant vermeed het beestje van hare zuster.
M. Byters. Ha! Maar waarom liepen ze een stap of tien? Waarom geenen stap of negen, of eenen stap of elf?
M. Spinagie. Laat mij gerust! (Hij leest:)
Ondanks het eeuwig tegenkanten,
Bij de eene bleef de hond geschat,
En de ander hield het met de kat:
Zoo ging het bij mijn twee matanten.
M. Byters. Ge blijft altijd hetzelfde zeggen.
M. Spinagie. Gij hebt groot abuis. Ik geef de noodige toetsen aan de karakters; ik schilder elk voorwerp naauwkeurig af; mijne verzen zijn gelijk eene schilderij van Metzu; daar is geen haar in verwaarloosd.
M. Olibrius. M. Spinagie, als gij uw geheel vers in eens wildet lezen, en als M. Byters de goedheid had zijne opmerkingen le sparen tot na de lezing, ik vermeen dat dit regelmatiger zou zijn.
M. Byters. Zeer goed, M. de voorzitter.
M. Spinagie (leest:)
| |
| |
Op eenen keer, kwam er een neef
De beide zusterkens bezoeken:
Zij snelden spoedig uit de hoeken,
Waar de eene tegen de ander keef.
M. Byters. Oeff!
M. Spinagie. Wat belieft u?
M. Byters. Ik zeg: oeff!
M. Spinagie. Dit hoor ik wel; maar waarom zegt gij oeff? Dit moet eene reden hebben.
M. Byters. Het is omdat ik het zeer lief vind, dat uwe twee matanten in een boêl hoeken gaan staan om te kijven.
M. Spinagie. (schokschoudert en gaat voort met te lezen.)
Wel, riep hij, wat zijn dit voor grappen?
En gaf den hond en ook de kat
Een fellen schop onder hun been,
Zoo dat ze vlogen van de trappen.
M. Byters. Ah mij! Kat en been, dit zijn prachtige rijmen.
M. Spinagie. Kat en been rijmen niet, dat weet ik; maar het been is toch niet ver van den rijm op kat. (Hij leest:)
Als hond en kat nu was van kant,
Toen was de ruzie ook ten einde;
Want de een matant nadatum memde
't Niet slecht met de andere matant.
(M. Spinagie zwijgt. Hij rolt zijn papier langzaam op, en kijkt rond, om te zien wat voor eene werking zijn dicht op de vergadering gemaakt heeft. Maar ze zien er allen ongevoelig uit. M. Byters alleen glimlacht.)
| |
| |
M. Olibrius. Welnu, M. Byters, nu kunt gij, als het u aanstaat, uw gedacht zeggen over het meesterstuk van M. Spinagie.
M. Byters. Oh! Ik heb niets meer te zeggen. De kat is zeer belangwekkend. Als M. Spinagie goed zijn best doet, dan zal hij misschien, op den duur, wel iels kunnen voor den dag brengen, dat niet onverdragelijk is.
M. Spinagie. Is mijn gedicht dan niet goed?
M. Byters. In tegendeel; het is uitmuntend..... om verkens karbonaden in te braden.
M. Spinagie. Dit zegt gij, omdat ge mij benijdt. Verleden jaar vondt gij mijne verzen wel goed.
M. Byters. Dit bewijst niet, dat ge veel hebt bij geleerd.
M. Spinagie. Het kan mij weinig schillen, wat gij over mijne verzen denkt. Degenen, die er iets van kennen, weten ze te waarderen.
M. Byters. Ja, als ge gelooft wat zij u wijs maken.
M. Spinagie. Weet ge wat ge zijt?
M. Byters. Watte?
M. Spinagie. Eene venijnige spinnekob, dat zijt ge.
M. Byters. Als ik uwe verzen goed vond, dan zoudt ge mij eenen anderen naam geven.
M. Spinagie. Ge zijt een serpent.
M. Byters. Dit zijt gij zeker gewaar geworden, als ge mij uwe verzen hebt hooren fluiten?
M. Spinagie. Ge zijt een lasteraar; want gij hebt gezegd, dat een van onze beste dichters naar China ging, en dit heeft hem zooveel verdriet gedaan, dat hij geschreid heeft, gelijk een kind.
M. Byters. Dit was zeer kinderachtig van hem.
| |
| |
M. Spinagie. Toen gij dit zeget, hadt gij bij hem gedineerd, en als ge bij iemand dineert, dan moogt gij nooit zeggen, dat hij naar China gaat, al ging hij er naar toe.
M. Byters. Ge zijt een vervalscher, dit heb ik niet gezegd.
M. Spinagie. Gij hebt het wel gezegd.
M. Byters. Ge liegt.
M. Spinagie. Ge liegt zelf.
M. Byters. Zwijgt; want ik heb u in huizen ingevoerd, waar gij zonder mij nooit zoudt ontvangen zijn.
M. Spinagie. En ik heb u te huis op half gersten getrakteerd. Nu, omdat ik u niet meer verzoek, vreekt gij u, met te zeggen dat mijne matanten niet deugen.
M. Byters. Getrakteerd? Verzoek mij nog eens, en ge zult zien wat voor eene afleiding gij zuit krijgen.
M. Spinagie. Ge zijt een Judas!
M. Byters. En gij, ge zijt....
M. Olibrius. Toe, Mijnheeren, als ik u mag verzoeken, maakt geene ruzie. Wat geeft het, of ge malkaar uitscheldt, voor spinnekobben, serpenten, judassen, vervalschers en al die soort van schoone dingen? Dit zal de verzen niet verbeteren of niet veranderen. Als ze goed zijn, dan blijven ze goed, al had M. Byters tien keeren bij iemand gedineerd; en zijn ze slecht, dan worden ze niet beter, al had de dichter M. Byters met een geheele ton gersten bier getrakteerd.
Eenige stemmen. Vivat Spinagie!
Andere stemmen. Vivat Byters!
(Er ontstaat eene schrikkelijke harrewarrerij. M. By-
| |
| |
ters en M. Spinagie staan met hunne vuisten gereed, om malkaar een blauw oog te slaan. De andere leden doen hun best om ze tegen te houden. De champetter poogt de rust te herstellen. Een treffend tafereel!)
M. Olibrius. Mijnheeren, houdt u in Gods name koes! De vlaamsche beweging is veel te onstuimig. Wat zullen er de franskiljons van zeggen? De eenigste hoop, die ons nog over blijft, is dat zij er niets van zullen weten. Onthoudt, Mijnheeren, de veelbeduidende zinspreuk van den Gulden Ajuin: 'T is niet elke wind, die den molen doet draaien.
De vergadering (klapt in de handen en roept:) Vivat de voorzitter! Vivat de Gulden Ajuin! Vivant alle winden!
M. Olibrius. Ik verklaar de zitting geheven.
|
|