44
Het is onvermijdelijk, liefste, maar in mijn rechterhand heb ik je lichaam en in mijn linkerhand houd ik de zon (die lacht als op een foto) boven water, daaronder de verschrikkelijke mensen: naakt en geweldig. Zingend in groepen of wandelend. Liggend. Zij hebben muziek uit kleine radio's. Kinderen stuiven rond, elkaar bekogelend met natte zandballen. Er worden sinaasappelen en pinda's afgepeld, - men loopt en men zit. De insekten bijten niemand, in dit afschuwelijke land waaraan ik ben gebonden. Of de maan: met sterren en verdampende straatlantaarns. De weg gaat hier bijna steil omlaag, we gooiden de lamp in de bocht regelmatig stuk: licht op een onheilspellende plaats; en beneden, even naar rechts staan de mannen van de nacht: daarheen gaan wij ‘samen’ nooit. Recht vooruit is het water, daarover begint in feite de donkerte, ach, werkelijke, heldere donkerte. Je voeten hebben een verwachte kracht, ergens heen, je huid heeft de oneindige kleuren van je lichaam, je gezicht. Of ik houd in mijn linkerhand mijn lichaam dat ik, horizontaal - vertikaal, met je meebeweeg. Het gras is hoog en de geur van de komende, ruisende avond zouden we zelfs midden in de stad herkennen. We rijden op een ijzeren merrie, ploegmaaimachien, vliegtuigwrak en niemand