35
Van waarschijnlijk een liter jenever was de Vorst Suikerbuik dronken. Wij hebben dat later gedacht van alles wat wij zagen. De Vorst was in het café geweest en had gedronken, - matig als de drijver jaagt bij de drijfjacht en de knecht is van de gulzige jager. Minstens één keer per week was er een kaartavond, men kon er glazen asbakken en bosjes paling winnen. De Vorst gaat hier nooit heen. Die avond was hij de - altijd noodlottige, vragende - vriend tegen gekomen. Het café was vol rook en rumoer en er was geen muziek. Alleen een bruine lambrizering met een brede rand voor de glaasjes en houten tafels waaraan, waarachter de rechters, de priesters, hele oude mannen zaten, die kwijlden, wachtten, met kleine slokjes dronken. De Vorst moet verblind zijn geweest, - zonder ogen, handen, voelorganen. Eerst matig, later gulzig, dierlijk gedronken: zonder de glazen te tellen, zonder te lopen vooral. Natuurlijk heeft hij op een moment moeten wateren en is opgestaan. Op de grond lag een rode kokosloper. De afdruk stond snachts nog in zijn gezicht: het oppervlak van een oude steen. Eenmaal weer rechtop hebben de mannen in hun oude handjes geklapt, gezamenlijk gezongen, uit hun oude mondjes heeft traag speeksel gedropen, - ‘het hondemondje aan de benen van de oude in-