7
Doordat ik daar zat, liefste, met mijn voeten op het bed en mijn blote rug tegen de verwarming, zag ik je niet, - kon ik je zeker niet aanraken. Ik had geprobeerd te lezen, maar iedereen weet dat zoiets in deze omstandigheden (deze raakbare omstandigheden, die fel zijn en heet en door de samenloop waarvan) natuurlijk niet gaat: dat ik jouw gezicht tussen de regels zou zien schemeren. Ik zag je zoals ik die grote foto heb: opgericht, kijkend als een vlinder en zo wazig als onze nachten, - die inderdaad alleen van jou waren, omdat jij ze onomkoopbaar hield - , en zo hoogmoedig, - omdat ik van je hou - , als een gelukkige god. Ik zag je lopen, voelde je naderen: je warme lijf, je mond - , hoorde je praten: over eindeloze families waar ik niet bij betrokken was - , hield je vast: je warme lijf, je mond - , je kuste me, streelde me, beet me en we hielden zoveel van elkaar dat we daar, op dat bed, samen sliepen.