5
Troepel liep in het huis. Hij hoorde van buiten muziekgeschetter en geroep van mensen. De vader was op reis, weg, naar een andere stad, een ander land, dood. Esopae sliep. Toen ging Troepel de straat op, tussen de mensen, zonder de Vorst, zonder Esopae. Troepel had geld, altijd geld, gekregen of weggenomen van het gladde, geblokte tafelzeil en hij ging naar het café waar hij een keer eerder was geweest met de Vorst en met mij, waar de naam bekend van is en overbodig. Voor de deur, waarover men planken had getimmerd om de kleine raampjes te beschermen, wachtte al een groep (lichamen, feestvierders, kerkgangers). De deur bleef gesloten en Troepel voelde de warmte van de lijven en uit de monden, die open zijn en huiverig en hevig. Wanneer de deur opengaat, slaat de golf eerst terug, maar dan heftiger (meer armen, meer buiken) naar binnen zodat de portier doet alsof alles hopeloos wordt; de handen in de lucht. Troepel dronk vlug en veel uit allerlei glazen. Dan wordt de herinnering kleiner: er waren mensen in een ruimte. De ruimte was heet en hitsig. Er was muziek - , en dan sneller (als gedachten zonder hand) stond Troepel dicht achter een gordijn en werd op zijn mond gekust (- onwetend, maar open als scherpe handen in zijn wangen steken en schui-