| |
| |
| |
Five is a crowd
Voor Oom Toon B.
De kamer waarin de twee vrouwen werden binnengelaten was groot, zelfs groter dan ze van het van buiten al groot schijnend huis hadden verwacht. Het slanke, achttien-of negentienjarige meisje in sarong maakte een sierlijk uitnodigend gebaar naar de lage stoelen.
‘Ik zal meneer Frederiks zeggen dat U hier bent’, zei ze. Ze liep het lange vertrek in naar achteren, waar voor de openslaande deuren lange, witte, gazen gordijnen hingen die het zonlicht temperden en ritselden als papier. Toen ze de kamer uit was zei Annemarie:
‘Ze lijkt op een wajangpop, Til.’
‘Het is een Javaanse’, antwoordde de ander.
Ze keken de kamer rond. Overal was het Indië. Krissen, schilden, poppen, batikdoeken, beeldjes, bogen, en zeker vijf of zes opgezette dieren: apen, een kleine krokodil, en een gluiperig beest dat ook Til niet kende, hoewel ze acht jaar daar was geweest, en nog maar een maand in Holland terug. De meubels waren allemaal van blank hout, maar ondanks dat en het gezeefde zonlicht was er iets sombers in het vertrek, een sfeer die misschien van de roerloze, neerslachtige dieren kwam of van de museum-achtige wapens. In de verste hoek stond een meterhoog godenbeeld, hout, dat waarschijnlijk glazen ogen had: het vonkte soms in de donkere kassen. Over de hier
| |
| |
en daar gescheurde tors gleden schaduwen als de wind de dunne gordijnen bewoog.
‘Wat een naar idee, dat die arme Rie dit misschien wel allemaal heeft aangeraakt’, zei Annemarie Duyvis met een rilling. ‘Die poppen.’
De ander haalde de schouders op. Ze liet zich in de lage, oker-kleurige fauteuil achterover zakken, pakte een sigaret uit haar tas en begon nerveus te roken. Na 'n paar trekken schoof ze haar sigaretten en aansteker over het gladde tafelblad naar haar vriendin toe, die nee schudde.
In kamers boven hun hoofd was ineens gestommel, dat hen met de schrik voor het onverwachte omhoog en daarna elkaar aan deed kijken. Ze realiseerden zich, hoe stil het was geweest in het huis, en hoe stil het nu weer was.
‘Ik wou dat hij nu maar kwam.’
‘Ik ben benieuwd of hij überhaupt komt.’
‘Waarom niet? Hij is thuis, zei dat dienstmeisje.’
‘Dienstmeisje?’
‘Dat meisje van daarnet toch?’ vroeg Annemarie. Maar haar vriendin gaf geen antwoord, en begon opnieuw om zich heen te kijken. In het voorgedeelte van de kamer, waar zij zaten, was het schemerig, omdat de ramen aan de straatkant waren afgedekt met zware witte gordijnen. Voorbij de openslaande achterdeuren was een tuin te zien, door de tule wazig als een landschap op kerstkaarten.
De deur waardoor ze waren binnengelaten ging open en het tengere meisje kwam geruisloos binnen. Ze glimlachte weer.
‘Meneer Frederiks komt zo dadelijk. Mag ik U al iets verfrissends aanbieden?’
Haar Nederlands was onberispelijk, al hoorde je in
| |
| |
sommige klemtonen haar herkomst. Ze keek de twee nederlandse vrouwen afwachtend aan.
‘Een kopje thee? Of limonade, of tonic?’ vroeg ze.
‘Een kopje thee’, zei Annemarie Duyvis vriendelijk. Haar vriendin zweeg nog even, en zei toen op een toon die je tegen onbeschofte kellners gebruikt: ‘Een gintonic. En een sterke.’
Het meisje maakte een knix, draaide zich om en liep zoals de eerste keer de kamer helemaal naar achteren door, waar ze door dezelfde deur verdween. Haar half ontblote, lichtbruine rug was smal en mooi, haar armen bewogen verend en heel langzaam.
‘Wat vroeg je dat raar?’
‘Ik wou weten hoe ze reageren zou.’
‘Ze reageerde helemaal niet.’
‘Dat is toch ook interessant?’ zei Til. Ze maakte haar sigaret uit en nam een nieuwe. Nog voor ze die aangestoken had kwam door de dichtbije deur het meisje weer binnen met een blad. Ze zette een potje thee en een klein, dun porceleinen kopje op de tafel bij Annemarie, en ernaast een hoog glas tonic. Ze keek beiden aan, keurend, schattend, en verwijderde zich zonder iets gezegd te hebben.
‘Ik wou dat Tom Frederiks nu maar kwam’, zei Annemarie.
‘Nu zei ze toch maar niets.’
‘Ja, dat was wel wat gek.’
Ze zwegen. Annemarie voelde zich onbehaaglijk en bedacht, dat ze veel liever Tils aandrang om de man van hun gestorven vriendin te gaan bezoeken had weerstaan. Er was iets beklemmends aan dit huis, aan dat meisje, en zelfs aan Til zelf. Waarom had ze niet willen zeggen, waaròm ze Tom Frederiks had willen zien? Ze besloot,
| |
| |
dat ze het liefste weg zou willen.
Terwijl ze haar thee dronk - Til had haar gin-tonic al op, als de doorgewinterde drinkende weduwe van een in Indië gestorven geoloog - ging de deur opnieuw open. Ze bekeek de kleine man die, licht zwaaiend met zijn bovenlichaam in de deuropening stond een seconde, voor ze zich realiseerde dat dit Tom Frederiks moest zijn. Hij was bijna onherkenbaar veranderd.
‘Mejuffrouw Duyvis?’ zei hij met een onzekere glimlach, en keek van de een naar de ander, als om te kiezen, te raden naar de vriendin van zijn dode vrouw, die hij vroeger in Holland moest hebben ontmoet.
Ze stond op en stak haar hand uit, die hij naderkomend heel kort schudde.
‘Dag’, zei ze, niet wetend hoe ze hem aanspreken zou. ‘En dit is mevrouw de weduwe Mak-de Bruin’, voegde ze er aan toe. Mevrouw de weduwe klinkt idioot, dacht ze. Ze zag hoe hij Tils hand schudde. De deur achter hem werd van buiten af dicht getrokken. Hij ging zitten en ze rook een sterke geur van alcohol. Indische gewoonte, dacht ze vergoelijkend, en vroeg zich af wat ze vergoelijken wilde, of wie, en waarom.
‘Ik - wij kwamen je onze deelneming betuigen met Rie’, zei ze, nu definitief besloten tot tutoyeren. ‘Het moet gruwelijk voor je zijn.’
‘Ja, dank je’, zei de man. Hij zat achteruit in zijn stoel, en zei verder niets. Annemarie herkende hem nu toch beter: het kleine muizengezicht van vroeger was nog wel intact, maar het leek te horen bij een man van vijftig of zestig, terwijl hij even in de dertig moest zijn zoals zijzelf.
‘Het is alweer meer dan 'n jaar geleden, hè?’ zei ze.
‘Ja’, zei hij. Hij keek haar even aan, en wendde toen de blik naar de deur die even gekraakt had. Het meisje
| |
| |
kwam binnen met een serveerwagentje, waarop flessen stonden, reed het naast zijn stoel en verdween weer.
‘Iets drinken?’ vroeg hij zacht.
‘Mij nog een gin-tonic, alsjeblieft’, hoorde ze Til zeggen.
‘Mij ook’, zei ze meteen, en hij begon flessen te verschuiven, te ontkurken en glazen neer te zetten. Blokjes ijs maakten een tinkelend geluid tegen de glasranden. Toen hij de long-drinks klaar had - hijzelf nam iets puur, wat kon ze niet zien zonder overdreven opzij te buigen - proostte hij onmiddellijk door het glas zwijgend op te heffen, en dronk. Daarna bleef het stil. Hij was weer achteruit gaan zitten in zijn stoel en keek naar de grond.
‘Ben je daarom teruggekomen?’ vroeg ze na een tijdje. Het zou natuurlijk beter zijn als Til het gesprek overnam. Het was haar idee, en vooral als Frederiks zo stil en eenzaam bleef...
‘Daarom? Waarom?’
‘Om Rie?’
‘Ja’, zei hij aarzelend.
Wat overdone, dacht ze. Alsof hij op het toneel een kapotte echtgenoot moet spelen, die in Indië aan de drank is geraakt. Ze bekeek hem terwijl hij, nu weer voorovergebogen, naar de fles greep en zijn glas opnieuw vulde. Hij wierp een snelle blik langs hun glazen, dronk en keek haar nu voor het eerst recht en lang aan.
‘Waarom kom je ineens? Je was toch haar beste vriendin? Ik ben al zeven maanden terug...’ - ze besefte met een schok dat zijn gezicht onaangenaam stond, op het woedende af. De stem van Til trok zijn blik van haar af. Ze voelde zich stroef en onzeker.
‘Ik wilde graag komen. Ik heb haar overgehaald’, zei Til.
| |
| |
‘Zo’, zei hij.
‘Als je vindt dat we niet welkom zijn -’
‘Ach verdomme’, zei hij, en liet zich tegen de rugleuning van zijn stoel vallen. ‘Neem me niet kwalijk. Ik denk dat ik me als een schoft gedraag. Ik ben nog niet helemaal - helemaal happy.’
Het klonk zo hulpbehoevend en oprecht ook wel, dat het ijs ineens gebroken was. Annemarie mompelde iets en keek hem aan. Hij zat in zijn stoel als een klein buideldier, het kopje in de schouders, de knieën opgetrokken. Hij keek even rond, met een gegeneerde glimlach.
‘Zullen we anders later nog eens aankomen? Als je...’
‘Nee’, zei hij. ‘Ik ben in orde. Bezwaar als ik nog een glas...?’
Hij schonk zich opnieuw in, hield de fles uitnodigend voor Til die ja knikte. Hij zette een open flesje tonic naast haar en begon met kleine slokken snel achter elkaar het glas te ledigen. Overdone, dacht Annemarie, ondanks de sympathie die ze voor hem begon te voelen.
‘Ik ben ook nog niet zo lang geleden terug’, zei Til.
Hij keek naar haar zonder iets te zeggen; alsof hij op zijn hoede is, dacht Annemarie. Zijn blik vloog dikwijls van haar gezicht weg, naar achter, waar de wapens hingen, waar de dieren stonden, maar was ook telkens weer even, enkele seconden, terug in haar ogen.
‘Hebt U Rie ook gekend?’ vroeg hij eindelijk.
‘Niet in Indië. Vroeger, toen we jong waren.’
‘Bent U Til met de vissen?’
Het kwam zo onvoorbereid dat Til haar gezicht niet in bedwang had. Annemarie zag de zenuwtrek om haar mond en de opkomende rode kleur.
‘Heeft ze dat verteld?’
Het was een plagerij uit de studententijd geweest, nadat
| |
| |
Til maandenlang van vissen gedroomd had, en de hele jaarclub psychologie was gaan lezen. Annemarie wist, dat het een beschamende herinnering voor Til was, al zag ze nauwelijks in waarom.
‘Ze noemde zich later wel: Rie met de vissen.’
Annemarie zag, dat Til hem met grote ogen aankeek. Het was natuurlijk nogal vreemd om dat te zeggen van je vrouw die dood was, en voor Til moest het allemaal dubbel pijnlijk zijn.
‘This is kind of starting hostilities?’ vroeg Til. Annemarie zag dat het glazen oog van de god was uitgedoofd. De zon scheen onder een verkeerde hoek in de achterkamer. Ze keek naar de kleine krokodil, die als boomschors op de kast lag. Haar handen waren klam en nat.
‘Just stating facts’, zei Frederiks met een slappe glimlach. Hij leek niet ver van dronkenschap af te zijn: hij bewoog zonderling in zijn stoel, alsof zijn evenwicht moeilijkheden gaf, en zijn gezicht wisselde zonder duidelijke aanleiding van nijd naar hondse vriendelijkheid, zorgelijk nadenken, uitdaging en weer nijd. Hij boog zich naar de fles en bedacht zich.
‘Rie is aan de vissen doodgegaan, is het niet, Frederiks?’ hoorde ze Til zeggen op een eigenaardig tergende toon.
‘Aan malaria’, zei Annemarie meteen. Frederiks keek haar aan, en daarna leek het of hij zich op Til concentreerde, als een verspringer op de springplank.
‘Malaria’, zei hij.
‘Nee’, zei Til.
Hij bleef haar aankijken, zwijgend. Ze nam haar glas, dronk het leeg en hield het hem voor. Hij pakte de fles en schonk slordig in. Druppels bleven op het tafelblad liggen en vingen licht. Terwijl ze tonic toevoegde vulde hij zijn eigen tumbler en nam een slok.
| |
| |
‘Wat is de bedoeling?’ vroeg hij daarna.
‘Just this. Toen mijn man gestorven was - aan malaria, tussen haken - heb ik 'n tijd bij kennissen in Soerabaja gezeten. Dat was kort na de dood van Rie.’
‘Ja’, zei Frederiks.
‘Er gingen...’ en er was weer 'n verandering in de toon van Tils stem. Ze sprak luchtig ineens, badinerend, en Annemarie zou opluchting gevoeld hebben als ze Tils ogen niet had gezien, die afwerend stonden en strak. ‘Er gingen nogal rare geruchten. Je weet hoe dat is in zo'n kleine gemeenschap waar iedereen iedereen kent...’
‘Ik kende U niet...’
‘Nee. U was al weg uit Indië. Nogal overhaast.’
‘Ik heb een jaar in Calcutta gezeten voor ik terugkwam.’
‘Was alles veilig?’
‘En wat insinueert U?’ vroeg Frederiks, klaarblijkelijk zonder veel onrust. Hij zat nu voorovergebogen, waakzaam maar niet bang, en keek zo intens naar de vrouw die met haar glas speelde dat het leek of hij Annemarie's aanwezigheid ontkende of niet kende.
‘Ik?’ zei Til. ‘Nu, de vrienden in Soerabaja waren niet zo zeker van de malaria, bijvoorbeeld. Er gingen nogal - hoe gaat dat in zo'n kletszooi - de societeit, de vrouwen... ik weet zeker dat je nergens zoveel roddel kon horen als bij al die nette ezelinnen in Soerabaja.’
‘Zoals?’
‘Dat jij Rie vermoord zou hebben, bijvoorbeeld.’
Het was zo absurd, dat Annemarie bijna instemde met de schaterlach van Tom Frederiks. Maar een seconde later realiseerde ze zich hoe onjuist zijn lachen was - verontwaardiging, hooghartigheid, alles kon, maar...
‘Het is dus zo’, hoorde ze Til zeggen, en ze zag haar
| |
| |
vriendin terugzinken in de stoel met iets van uiterste vermoeidheid, die maar nauwelijks plaats liet voor de triomfantelijke gevoelens die er toch ook waren, in de toon van de woorden alleen al.
Annemarie betrapte zich op een snel grijpgebaar naar haar nog halfvolle glas. In haar hoofd draaiden zoveel en tegenstrijdige gedachten rond, dat ze zich voelde als met koorts: gedachten die als microben onder een microscoop wegsprongen en dooreenschoten, ineens kolossaal groot werden, - haar tanden sloegen tegen de glasrand toen ze al drinkend van Til naar Tom Frederiks keek. Hij lachte niet meer, maar keek Til aan, met een soort nijdige spot in zijn ogen. Ze keek terug, strak, verdrietig, moedeloos. Maar pas door de woorden die hij na de beschuldiging zei begon Annemarie te vermoeden dat het misschien niet absurd was geweest.
‘Rie met de vissen... Rie met de vissen...’ zei hij, en toen boog hij zich voorover tot zijn hoofd op zijn knieën lag en ze hoorden hem zacht hikkend lachen.
‘Ga mee’, zei Til. Annemarie stond direct op uit haar stoel, en deed twee passen achter haar vriendin aan naar de deur. De stem van Frederiks hield beiden staande, huiverend, en onwillekeurig grepen hun handen elkaar vast uit saamhorigheid, om bescherming en veiligheid.
‘Blijf hier. Ik zal het jullie vertellen...’
‘Wat heb je ons te vertellen? Vertel het de politie’, zei Til, en Annemarie wist hoe onzeker ze zich voelen moest dat ze dit zei.
Frederiks keek haar hoofdschuddend aan. Er was een uitdrukking in zijn gezicht die ze moeilijk kon definiëren. Ze keek Til aan, die doodstil bij de deur was blijven staan, en vond opnieuw het idee dat Frederiks Rie - dat Rie niet aan malaria zou zijn doodgegaan hopeloos be- | |
| |
lachelijk.
‘Frederiks’, zei ze, ‘Rie heeft malaria gehad, is het niet?’
‘Ja zeker’, zei hij.
Til nam opnieuw de leiding. Ze gaf Annemarie een kleine duw, en stapte resoluut terug naar haar stoel.
‘Maar dan ook alles’, zei ze.
Frederiks leunde met een zucht achterover. Hij is opgelucht, dacht Annemarie terwijl ze ging zitten. Ze bekeek hem zorgvuldig, zoals hij in de stoel lag, na de lange zucht ineens vrij snel ademend, waarbij zijn kleine handen op de smetteloze, krakende stof van zijn overhemd heen en weer gingen alsof hij zich masseerde, lekker kneep, wreef, schurkte. Ze keek Til aan, die een grimas probeerde te trekken, maar haar gezicht vertrok zich zoals bij net niet huilen.
Frederiks kwam overeind, maakte een soort redenaarsgebaar (stilte manend, applaus onderdrukkend) met zijn beide handen. Hij keek weg, ergens in de andere kamer. Toen hij sprak was zijn stem bedachtzaam, zoekend alsof hij een verre sfeer probeerde terug te vinden, op te roepen in woorden en intonaties.
‘Rie en ik waren heel gelukkig’, zei hij.
Waren? Omdat zij dood is? dacht Annemarie. Of omdat zij het eerst waren en later niet meer?
‘We waren 'n maand in Batavia. Dat waren onze wittebroodsweken. Toen moest ik het binnenland weer in. Ik vond alles net zoals ik het 'n half jaar terug had achtergelaten. Bons - dat was mijn assistent die al mijn taken naast de zijne had waargenomen, en pas over twee jaar aan vacantie toe was - had een waar feestmaal laten aanrichten. Hij had varkens en kippen gekocht en het schijnt dat de bedienden hun halve familie er bij hadden gehaald
| |
| |
om te koken zoals ze nog nooit hadden gedaan. Harinxma en Filbry, die 'n kilometer of twaalf verderop zaten, waren er ook, en Rie viel geweldig in de smaak. We vraten als varkens. We dronken te veel, en toen Rie en ik naar bed gingen besefte ik voor het eerst - omdat Filbry en Bons allebei 'n kampongmeisje bij zich hielden - dat het 'n voorrecht was, met 'n blanke te slapen.’
Til snoof. Annemarie bewoog in haar stoel. Frederiks zat doodstil, nog altijd naar 'n punt in de achterkamer starend. Zijn handen op z'n knieën waren zoals je zuid-zuid-west zegt wit-wit-geel.
‘Een voorrecht is verkeerd uitgedrukt. Het is anders - misschien niet eens beter, lekkerder - lekkerder zeker niet - maar domweg anders.’
Hij keek hen om beurten aan, toen hij ‘lekkerder’ had gezegd. Uitdagend, de toon van mannen onderling aanslaand tegen vrouwen, meisjes, als een exhibitionist. Maar zijn gedachten zwierven rond om het houten huis, de veranda, de nachtgeluiden van vogels en hagedissen, apen, en het gezucht van Filbry en Bons dat door de dunne houten wanden kwam. Rie was niet gechoqueerd geweest.
‘En Harinxma?’ had ze zelfs gevraagd, toen ze dof en loom en uitgeput naast elkaar lagen, en het aan mannen-geluid stil was geworden in het huis.
Hij had de schouders opgehaald. ‘Drinkt door. Of is naar 'n hutje toe, ergens. Hij schaamt zich voor je, denk ik.’
‘Hoe is het met Indische vrouwen, Tom?’
‘Anders’, had hij gezegd.
Hij keek de twee vriendinnen aan, en voelde zich mild, vergevingsgezind, een beetje verliefd haast, 'n beetje opgewonden - als ze de rest van zijn verhaal goed opnamen
| |
| |
kon er misschien - nee. Dat was afgedaan. Het was beter zoals het was.
‘Pas toen Haringxma en Filbry, na 'n dag of zes, naar hun post teruggingen begonnen Bons en ik vaag te werken. We hadden een kolossale week gehad. Overdag toertjes en dutten. 's Avonds geweldig eten en drinken en kaarten en praten. Ze waren alle drie totaal weg van Rie. Dat was logisch, als je die Hollandse trienen kende die de jenever verstopten en opspeelden en de mevrouw uithingen. Rie dronk als de beste en deed alles mee en zoende de kerels alsof ze doorlopend op een studentenfuif was. Ik voelde me bijna schuldig dat ik alleen met haar naar bed ging.’
Annemarie hoorde dat Til zachtjes snikte. Maar het is niet de ruwe taal, dacht ze. Ze had Til zelf in de korte tijd dat ze uit Indië terug was op uitdrukkingen betrapt die bijzonder vrij en cru klonken. Ze had lust naar haar toe te gaan om haar te troosten, het kleine, rose gezicht tegen haar borsten te drukken en heen en weer deinen en sussende woordjes zeggen. Maar het kon niet, terwijl Frederiks...
‘Rie was fantastisch. Bons en ik waren het grootste deel van de dag bezig met dingen doen en regelen, maar ze dacht er niet aan zich te vervelen. 's Avonds - al deden we het wel wat rustiger aan - dronken we ons meestal heel langzaam een stuk in de kraag. Dan verdween Bons met een of ander dessah-kind, dat er soms al in de loop van de avond bij was komen zitten. Overdag praatten hij en ik er over. Hij zei volkomen open dat hij gek was van Rie, en dat beviel me best. Ik wist dat ie - dat ie niet te ver zou gaan, al was dat het juist waardoor ik me soms wel rot voelde. Weet je, als we jenever hadden deelden we dat ook. We lazen eikaars kranten, - we waren al die
| |
| |
tijd samen Holland geweest, begrijp je. Nu was er iets van mij waar hij afblijven moest.’
Terwijl Annemarie naar Til keek, die niet meer huilde maar met grote ogen naar het tapijt op de grond keek, was ze zich ervan bewust dat ze de problematiek niet eens volgde. Hoe iemand zich zorgen kon maken dat hij zijn vrouw niet aan een vriend kon gunnen ontging haar; trouwen was trouwen. Je dacht dan waarschijnlijk niet meer aan het delen met derden. Misschien had ik moeten trouwen om het te snappen, dacht ze met een lichte onrust.
‘Nog iets drinken?’
Ze knikte gretig. Til schudde weigerend het hoofd. Frederiks vulde haar glas en knipoogde haar even toe, maar ze beantwoordde dat natuurlijk met een blank gezicht, hoewel ze toegaf dat hij een bijzondere aantrekkingskracht had. Ze dronk en leunde achteruit in haar stoel om de vage scheuten in haar rug niet meer te voelen.
‘Na 'n maand kwamen Haringxma en Filbry weer bij ons. Het was toen net het natte seizoen.’
Hij zat ineengedoken en voelde zich door het vertellen terug in het bos, tussen de constante regen die je gek maakte, of niet gek maar totaal lusteloos, landerig, om van tijd tot tijd dingen in elkaar te trappen. Het bos geurde, sterker dan ooit, de natte bladeren maakten zuchtende geluiden en de regen stroomde onafgebroken. Haringxma en Filbry hadden het niet meer gehouden, en hij begreep vooral Filbry die eerlijk had gezegd: ‘We wilden Rie zien’, en ze hadden elkaar grinnekend 'n hand gegeven. Alleen het schuldgevoel over zijn alleenrecht was sterker geworden.
‘Ze bleven maar 'n paar dagen. Helemaal opgefrist door ons - door Rie - gingen ze terug. En ik ging mee. Ik had
| |
| |
van de chef doorgekregen dat er iets mis was in een paar dorpen verderop. Haringxma bleef op hun post, en Filbry en ik trokken door met 'n stuk of tien inlandse soldaten. Zo moest het wel beginnen, natuurlijk. Ik was eigenlijk wel opgelucht.’
Annemarie dronk en klemde het glas zo vast dat ze meteen bang was, het stuk te zullen knijpen. Ze begreep de implicatie van zijn verhaal maar weigerde het eenvoudig aan te nemen. Hij bedoelt het niet, dacht ze koortsachtig. Ik versmeer de boel. Ik kan geen verhaal meer horen zonder er smerigheid achter te zoeken.
Nu hij zweeg viel haar opnieuw de diepe stilte in het huis op. Zonder dat ze zich blijkbaar had bewogen zat Til nog in de zelfde houding in haar stoel. Frederiks rookte en nam de sigaret niet uit zijn mond.
‘Verder toch?’ zei Til op een kinderlijk, angstig vraag-toontje. Hij kwam met een ruk overeind op de voorrand van zijn zitting.
‘Toen we na 'n dag of twaalf terug kwamen bij Filbry's post was Haringxma er niet. We gingen als hazen verder, naar ons. Daar lagen hij en Bons op ons terras, en Rie was bezig cocktails te maken. Uit hun gezichten wist ik het meteen. Ik had het trouwens op reis geweten, voor die tijd, wie weet hier in Nederland al toen we nog niet eens getrouwd waren. Enfin, dat was het dan.’
Het was weer stil. Annemarie zette haar glas neer, zo zacht ze kon. Ze keek naar de krokodil in de achterkamer. In de tuin, achter de tulen gordijnen, zag ze 'n zwerm muggen dansen. Ze geloofde hem. Ze wist dat ze hem geloven moest. Rie... was het de hitte geweest, de regen? Het geluid in dat bos? Ze keek naar Til die nog strak naar de grond tuurde. Wat deed Indië met meisjes? Met vrouwen?
| |
| |
‘Toen heb je Rie vermoord’, zei ze zachtjes. Het was natuurlijk afschuwelijk, maar ze dacht dat ze het begrijpen kon. Je deed dat als man, bij je vrouw, die...
‘Toen?’ zei Frederiks, en ze hoorde iets van verbazing in zijn stem. ‘Nee, dat was later. Veel later.’
Annemarie voelde een bijna niet te beheersen drang om te schreeuwen. Het huis, de dieren die haar niet aankeken en toch schijnbaar onafgebroken de dode kraalogen op haar hielden gericht beklemden haar om te stikken. Ze zag hoe Til zich begon te bewegen als na narcose. Haar gezicht was hard en onder de ogen waren in de huidkleurige poeder sporen van huilen.
‘Hoe kon je?’ Ze moest zich bedwingen om hem niet te slaan. ‘Haar beloeren als een prooi? Als je het meteen had gedaan - ik had het... maar dit...’
Hij begon weer te spreken, nadat hij enige malen zijn mond open had gedaan en weer dicht. ‘Jullie begrijpen het niet’, zei hij. ‘Ik was er blij om. Het was goed zo. Het hoorde zo. Tussen ons vieren.’
Haar afschuw keerde terug, met golven als naderend braken. Ze keek hem aan, zonder iets te kunnen zeggen. Ook Til was roerloos en zonder woorden, merkte ze uit een ooghoek die brandde van de tranen die klaar lagen, en binnenkort als regen... regen...
‘Het moest. Het was niet eerlijk geweest. Rie legde het natuurlijk ook niet uit. Ze vloog om m'n hals toen we aankwamen - want ze hield van me. Natuurlijk! Later zei ze alleen: ik blijf ook met de anderen. Ik zoende haar als een gek, zo dankbaar was ik. Ze was van mij maar ze was ook van de anderen, van Haringxma, Filbry, Bons... Dat hoorde zo en dat had ik geweten en gehoopt.’
‘Monster’, zei Til.
Frederiks schudde met zijn hoofd heen en weer. ‘Jullie
| |
| |
zien het anders dan wij’, zei hij.
‘Maar heb je haar vermoord?’ Annemarie vroeg het als buiten zichzelf om, impulsief. Als dat nu niet waar was, dan werd de rest misschien dragelijk, een wreed, ridicuul sprookje wat wel te vergeten viel. Dan was hij misschien van Rie gescheiden, en leefde ze nog in Indië, gelukkig met Filbry of Bons of - toen ze ‘alledrie’ dacht voelde ze een rilling door haar lichaam, en uit het glas scheef in haar hand viel een scheut gin-tonic op haar jurk.
‘Vermoord -’ zei Frederiks, aarzelend, alsof hij het niet het goede woord vond; hij keek naar zijn nagels. ‘Ja en nee. Ja en nee.’
‘Alles’, zei Til. Annemarie weerstond de neiging naar haar te kijken; ze dorst de aanblik van dat behuilde gezicht niet aan, nu het kort tevoren nog zo fel en vreesloos was geweest.
‘Alles’, herhaalde Frederiks. Hij aarzelde, zocht een begin, en Til zei, niet eens meer tegen hem, voor zich uit, als een te vaak herhaalde les, een axioma: ‘Het klopt niet. Het klopt psychologisch niet. Je geeft een vrouw van wie je houdt niet weg en je hebt niet van haar gehouden. Of je bent een sadist. Of...’
‘Je hoeft het niet te geloven’, zei hij bedaard. Het gebeurde alleen zo. Ik weet niets van psychologie, en in Indië kwam je er niet ver mee, trouwens... Ik hield natuurlijk wèl van Rie.’
‘Niet. Niet.’ Til stampte met haar vuisten op de knieën, boog haar bovenlichaam er overheen, snoof. Indië, dacht Annemarie. Ze had er heen moeten gaan. Wat deed het met vrouwen? Weer voelde ze het verlangen, Til vast te houden, dicht tegen zich aan, zwijgend, roerloos, onherroepelijk.
‘In het begin hadden we allemaal de zenuwen. Als er
| |
| |
een bij haar was zaten wij drieën elkaar te beloeren als katten. Als ik bij haar was voelde ik de drang van de anderen: kom terug... kom terug... Rie deed het fantastisch. Als we alle vijf op het terras zaten, op de galerij - voor dat we haar gehad hadden, of als het al gebeurd was...’ Hij hield op, deed zijn ogen dicht. Natuurlijk huilde hij bijna. Hij knarste zijn tanden en verwenste zichzelf. Huilen als een zatladder, een lul...
‘Rie was voor allemaal gelijk. Ze haalde niemand aan, als we er alle vijf waren. Ze was de meest volmaakte kameraad die je je voor kon stellen, een vriend zoals die niet bestaan kan, onpartijdig, loyaal...’ de woorden dekken het niet dacht hij. Hij zag alles, maar kon het niet overbrengen: de olielamp op een ijzeren tafeltje, de rieten stoelen, de tafel met glazen en flessen die licht weerkaatsten en Rie, achteroverliggend, of rondlopend, glazen aanreikend, sigaretten aanstekend, bereikbaar, beschikbaar, mime spelend tegen apen die er niet waren, muggen, dames van de societeit, chefs in de petroleum, hagedissen die er niet waren - en zij ook achteroverliggend, vol rust naar haar kijkend, tevreden, stil, verzadigd...
‘Tot de jalouzie’, zei hij ineens. Hij keek weer naar de twee vrouwen. Til keek naar de grond, Annemarie keek hem aan maar wendde meteen haar blik weg, niet gelovend, gekwetst. Psychologie, dacht hij. Laat ze barsten. Wijven. Het is gebeurd, dus kon het gebeuren. We wisten het toch? Alle vier wisten we het toch? ‘Dat was na een paar maanden. Weet ik hoe het kwam? We waren vrienden, maar het ging niet. Iedereen verloor haar aan de ander, iedereen dacht dat... misschien wàs het niet zo. Het lag niet aan haar, heb ik later gedacht - of toch? Ze was niet meer van vier. Soms een hele dag van Filbry.
| |
| |
Van Filbry het vaakst, en van mij... dat ze de anderen minder bekeek, onverschilliger was... Rie met de vissen - Rie met de vis.. niemand verdroeg het. Of bedachten we alles? We zopen - die afgewezen waren zopen zich rot. Een keer probeerde Haringxma een Indische. Het was weerzinwekkend. Misschien zou het later - maar met Rie, tijdens Rie... Het is anders. Een Indische is anders...’
‘Niet lekkerder misschien’, herhaalde Til werktuigelijk, met een cynisme dat haar dadelijk deed denken aan vroeger, de wijven, de vette wijven van de societeit, de ambtenaren, de geologen, de zakenpoenen....
‘Anders’, zei Frederiks opnieuw. ‘Het kon niet. We zouden elkaar kapot geslagen hebben, met messen, of geschoten - het was toch Rie's schuld. Ze hield het niet. Ze was niet - onpartijdig...’ hij fluisterde het nu.
‘We waren natuurlijk gek. Dat weet ik nu pas. De laatste tijd. Maar we waren ook gek geworden als het door was gegaan. We hebben een keer met z'n drieën Bons op z'n donder geslagen. We konden Rie toch niet slaan? Jezus...’
‘Bons op zijn donder geslagen’, zei hij nog eens. ‘Drie dagen daarna hebben we alle vier vergif in haar gin gedaan. Afgewogen op een apothekersweegschaal. Alle vier evenveel. Iedereen had het gedaan. Niemand had het gedaan. We waren totaal gek.’
Een zware bons tegen de deur brak de stilte zo plotseling dat Annemarie hikte van schrik. Ze keek met grote angstogen naar de deur maar er kwam niets. Alleen waren er nu voetstappen op de gang. Ook Frederiks was opgeschrikt. Hij keek als wakker uit een droom, opende zijn lippen, sloot ze weer.
‘Donder mijn huis uit’, zei hij.
| |
| |
Annemarie stond op met trillende benen. Til zat nog, star, bevroren.
‘Donder op’, zei Frederiks.
Annemarie trok haar vriendin uit de stoel. Hand in hand liepen ze naar de deur. Ze trok hem open. Met Frederiks vlak achter Til trok ze haar de gang op, waar het koel was, en naar iets als wierook geurde.
Tegen de tegenoverliggende muur leunde het indische meisje tegen een lange, rosharige man. Twee anderen, die aan weerszijden naast haar stonden - in witte smoking-jasjes als ook Frederiks - hield ze elk bij een hand vast. Til wankelde, Annemarie hield haar vast met gesloten ogen. Toch had ze nog gezien hoe Tom Frederiks zich bij de anderen voegde, alsof ze op een groepsfoto moesten. Hij legde zijn hand op de schouder van het meisje. Met z'n vijven keken ze toe, hoe de twee vrouwen de deur openden, en hoe het zonlicht op de tegelvloer een felle driehoek tekende, die kleiner werd naarmate de deur zich verder sloot.
|
|