| |
| |
| |
Het alphabet
Ik ben aangekomen. Het laatste uur in de bus, toen het landschap almaar bekender werd, heb ik me wel wat moeten bedwingen om geen melancholie te tonen, zodat ik me als een idioot gedroeg. Want deze streek heb ik met A. gezien, en het greep me wel even aan. Maar verder ben ik zonder mankeren aangekomen, en het dorp heeft me verwelkomd.
Madema was er. Hij schudde mijn hand en samen keken we de bus na. We namen mijn koffers en hij leidde me naar mijn huis. Hier zal je pas kunnen werken, zegt hij. Hij wijst op de bergen alsof hij ze ter mijner beschikking stelt, met een rossig luchtje erboven, of schilder je liever dreigende wolkpartijen? Dat komt ook, als je maar tijd van leven hebt. Laten we een glas wijn drinken.
Hij heeft de fles gelukkig bij zich. Straks moet hij me wijzen waar alles te koop is. In mijn vorig dorp, waar ik driemaal ben geweest, weet ik alles, maar ze krijgen me er natuurlijk met geen stokslagen meer naar toe. Ah! Et votre petite femme? Eh, nous nous sommes divorcés, è, è. Dat zou niet te dragen zijn. Hier kent niemand me. Madema heeft de fles bij zich en drinkend inspecteren we mijn huis. Het heeft vier kamers, en een zolder. Een atelier, zegt hij. Door ieder raam zijn de bergen te zien. En vanuit de voordeur kijk je op de kroeg, die Martini
| |
| |
afficheert en een water dat psssscht doet.
Straks gaan we naar zijn huis, zegt Madema. Hij lijkt wel een geschikte vent, al praat hij misschien wat veel. Of wil hij me op m'n gemak stellen? Mijn begrijpende kennis, die voor dit adres gezorgd heeft van uit Utrecht, zal stellig aan Madema gemeld hebben, dat ik een beetje in de war ben geweest. Ha, ha, laat ons bidden. Het leven is mooi en goed, tamelijk mooi en goed tenminste.
Heb je je schilderspullen bij je, of komt dat met de post? Ik heb ze bij me. Moet ik straks een tubetje rood van je lenen. Je hebt toch cadmiums? Ja, ik heb verdomme cadmiums. Die zijn licht-echt, weet je. We drinken nog maar eens, en gaan voor het bovenste raam van mijn huis zitten. Dit is mijn huis, voor zoveel maanden als ik blijven wil, wegblijven uit Holland bedoel ik daarmee. Ik kijk naar de bergen en zie er geen kleur in. Dat is niet best, lijkt me. Je wijn koop je daar, zegt Madema. Hij wijst op een klein boerderijtje dat tegen de berg ligt, achter een mooi bruisend stroompje dat wel La Marre zal heten. Pittoresk, hè, zegt hij. Voor niet-schilders, zeg ik. Maar Madema zegt dat hij er een fijn abstractje van heeft gemaakt.
Dan gaan we het dorp zien. Het ziet er precies uit zoals mijn vorige, zoals alle dorpen kortom langs de Marre; ik word voorgesteld aan verschillende dorpsgenoten, en al gauw zakken we met een man of zes af naar het café. De patron geeft een rondje van welkom, waarschijnlijk omdat hij mijn hand heeft mogen drukken, en Madema blijkt een geweldig getapte kerel. We praten over Holland, al heeft hij daar waarschijnlijk alles al over verteld. Il fait froid, là-bas? Oui, il fait froid. Il y gêle? Oui, il y neige, il y gêle. Madema knikt alsof hij het altijd wel gezegd heeft als ik vertel hoe het sneeuwde toen ik wegging.
| |
| |
Woon ik in dezelfde stad als Madema? Non, ik woon in Utrecht. Utrècque, zeggen mijn vrienden. Ik laat eens een rondje doorkomen. Ook door het caféraam zijn de bergen alomtegenwoordig.
Oui, oui, les hollandais. Van Gogh. Eh, à votre santé. A la vôtre. Maar ik wil geen gauloise, en Madema verrast me met een caballero. Hij is een uitstekende vriend, en ik dank in stilte mijn opgewekte kennis in Utrecht. Na een uurtje denk ik helemaal niet meer aan A. en dan is het jammer als de mannen weer wat gaan werken, maar we zien elkaar vanavond terug, dat schijnt vanzelf te spreken. Nu zal Madema me zijn huis tonen. Op weg lopen we even langs het boerderijtje, en schaffen ons ieder een fles rode aan. Vijf-en-vijftig francs. Toen, met A., was het 35, maar het is alweer twee jaar geleden. Of drie? Madema drinkt uit de fles, en smakelijk lachend gaan we naar zijn huis. Het heeft drie kamers en een zolder, een atelier.
's Avonds wachten we de bakker af die met een bestelwagentje langskomt. We eten een baguette, en Madema stelt voor, nog even een cognacje te drinken, om het af te leren, daarna zullen we wat praten in zijn huis, het mijne is nog niet goed ingericht. Daar moet je morgen direct mee beginnen, zegt hij, het inrichten, je eigen stempel er op drukken, anders voel je je absoluut displaced, displacé, hoe zeg je dat in het frans, hoe zeg je dat trouwens in het hollands? Er is nog eens een prijsvraag over geweest, maar dat is niets geworden. Verplaatst, uit elkaar geplaatst, dat dank je de koekoek, dat vind ik in mijn woordenboek. Displaced. Je eigen dingen aan de muur, die stoel hier, die stoel daar, enfin, dat je je eigen huis inricht. Hier zul je weer werken. Je hebt een beetje gelord, hè? Dat schreef van Flijpestein al. Ja, man, vrouwen.
| |
| |
We zullen dus even een cognacje drinken. Thuis staan nog vier flessen wijn, en Madema weet niet dat er nog een fles jenever in mijn koffer zit, dat is een verrassing. In het café zijn de zes van vanmiddag bevoorrecht, omdat ze me al kennen. Madema voert me langs de rest, en ik zie de burgemeester tevreden glimlachen als Madema hem als burgemeester aankondigt. Boire un coup? Is Holland nu werkelijk zo'n land als monsieur Mademà vertelt? Oui, il y neige, il y gêle. Eh! Il fait tellement froid? Oui, il fait froid. Utrècque, zegt de burgemeester; dat heeft hij dus al van de anderen gehoord.
In de nacht zijn de bergen nog net te zien, een hoge, gebochelde horizon tegen de zwarte hemel. Madema en ik houden elkaar vast, naar huis toe. Kom, zeg ik. Je bent nog niet op orde, zingt hij, we gaan dus nog een klein glaasje wijn drinken bij mij. Kom, zeg ik. Mijn huis. Ik ontsluit de deur bijna devoot. En in mijn koffer zit de fles jenever. Madema jubelt.
Vanmorgen is hij nurks, en verdwijnt mopperend naar zijn eigen ruimte. Ik kijk om me heen, en denk er over weer te gaan slapen. Maar kijk, zo moet ik hier niet ook beginnen. Ik kom om te werken en zo, te vergeten en zo, te werken ook wel. Ik zal mijn stempel maar op het huis gaan drukken.
Ik verplaats wat stoelen, en weet best dat het hier heel goed uit te houden zal zijn. De pest is, zeg ik tegen mezelf, dat ze het domweg gewonnen heeft. Dat is toch niet te verdragen, dat hoeft toch ook niet verdragen te worden? Ik kijk om me heen, ga naar de zolder en pak mijn schilderkist uit. Ik moet eens wat gaan maken om de jezussen aan de muur te vervangen door contemporaine kunst. Voor het grootste raam schuif ik een tafel, dat is mijn tekentafel.
| |
| |
Ik bekijk de bergen met een kennersoog, beslis dat ik het anders doen zal dan Cézanne, en dan klimt de kudde schapen langs een pad van gruis omhoog. De morgen is voorbij, er komen mannen uit de kroeg, en de zon schijnt in mijn ogen. Verdomme, wat heb ik een belachelijk medelijden met mezelf. Ik moet eens kijken, hoe Madema het maakt.
Madema maakt het niet goed. Hij zit op zijn zolder tussen een grote rommel. Papieren, stukken brood, as, appels, klokhuizen van appels, en hij kijkt afwachtend naar een schilderij dat op de ezel staat. Heb jij hier een ezel? Ja, zegt hij ook nog. Hij wijst naar zijn hoofd waar hij pijn heeft. We hebben aardig wat gehad, verdedig ik dan, en hij vrolijkt wat op. We zullen eens een klein glaasje rosé gaan nemen, zegt hij, en we slenteren tevreden naar ons café. Deux rosés, roept Madema, en hij steekt twee vingers omhoog. Zo gaat het goed. De dochter van het café loopt langs de marmeren tafeltjes en grinnekt, en ze lijkt allerminst op A. Ik lach me rot, ik lach me helemaal rot. We klinken een beetje.
Hoe is de omgeving hier? vraag ik. Madema zegt dat er een machtig dorpje is, tien kilometer verderop, waar ze dansavonden hebben en een bioscoop driemaal per week. Films, man. Je zult zien hoe je over drie weken naar een film snakt. Die bergen, allemaal lief en aardig, maar je wilt ook wel eens leven als een gewoon mens, een filmpje zien, een beetje winkelstraten lopen, enfin. Utrecht is ook niets, hè? Vind je het er fijn? Ja, nu niet, dat begrijp ik, nee, vind je het fijn, in Utrecht, normaal, als die vrouw er niet rondliep? Ça alors. Ze heeft een ander, hè, schreef van Flijpestein. Allemaal rubbish, jongen, zal ik jou eens wat vertellen?
We nemen nog een glaasje wijn. Weet je, zeg ik veront- | |
| |
schuldigend, zij zelf kan me niet schelen, het is hoogstens onwennig en zo, ik ben blij dat ik van d'r af ben. Maar dat ze meteen een andere vent neemt, dat steekt me, dat is niet zo'n leuke gedachte. Madema zegt dat we nog eens een kleine consumptie zullen gebruiken. De dochter brengt de fles, die hij dan niet eens meer teruggeeft. Hij kust haar onderarm, de patron is toch naar achteren. Ik kus niets.
Wijven, zegt hij. Hij vraagt iets wat ik niet versta, en even later brengt het meisje een dambord. We dammen twee potjes die hij wint. We gaan een wandeling door het dorp maken. We zullen eens wat gaan schilderen, beslist hij. Zonder twijfel moet hij me reclasseren op last van van Flijpestein. We pakken onze spullen en lopen de berg in. Het ruikt naar lavendel. Moet je eens zien, hoe lekker dat dorpje hier ligt, zegt hij, en duwt me op een rotsblok. Verweg tinkelt de kudde tegen de hellingen. Hier zie je, hoe het cubisme ontstaan is, zegt Madema, hoewel ik er geen vriend van ben, het is een overwonnen standpunt. Maar honderd jaar geleden was het natuurlijk een vondst. Zie je, nou begrijp je hoe Cézanne er toe gekomen is, die geometrische hopsaheisasa. Zie je?
We schilderen een tijdje, maar mijn ding lukt niet erg. 's Avonds gaat Madema alleen naar het stadje, want ik heb nog geen zin naar een film te snakken.
Ja, het bevalt heel goed. Madema's uitgaansavondje heeft me veel geleerd, want ik heb een barre aanval van melancholie moeten doorstaan zonder dat ik wijn in huis had. Vanaf een uur of negen was A. geen ogenblikje uit mijn gedachten, ik beeldde me nu heus in dat ik spoorslags naar Utrecht terug zou reizen, ofwel dat zij me achterna gekomen was en op mijn huisje klopte. Later
| |
| |
op de avond zag ik haar alles wat ik me van onze hartstocht herinnerde met haar nieuwe vriend doen, en ik bedacht honende scènes waarin ik haar dat verontwaardigd verweet. Ik kon onmogelijk in slaap komen.
Natuurlijk moet er gedronken worden. Geloof mij nou, zegt Madema goeiïg, over twee maanden ben je alles kwijt. Hij vertelt dat het stadje gisteravond een japanse film opleverde, waarin kerels elkaar afslachtten en opvraten terwijl dat wijf waar het om ging (hij verwart zich in een brede voorgeschiedenis) op een tokkelinstrument zat te hannesen, zo koud als ijs. Ik ga Madema nu maar van fantasie verdenken, wat niet wegneemt dat het geschikt van hem is. Hij zegt iets over de psychologie van de man, toont aan dat ik nooit van A. gehouden heb en dat m'n bezitsinstinct me parten speelt. We zullen een kopje koffie met een cognacje gaan gebruiken.
In het café is de burgemeester gewikkeld in een luid gesprek met een gendarme uit een dichtbij dorp, die mijn papieren komt controleren. Vous connaissez Ie pays? Hij kijkt begerig naar de stempels die al in mijn pas staan. Un peu, oui, zeg ik. Eh! Ces sales boches, besluit hij redeloos, en accepteert een glaasje wijn. Madema bestelt het dambord en laat mij winnen.
De eerste jezus is vervangen door een gelig berglandschapje, wat evenmin mooi is. Madema prijst het bijzonder, hoewel het zijn stijl niet is, en zal mij eens wat oud werk laten zien. Hoe lang zit hij hier al? Dat loopt alweer tegen de vier maanden. Kom. Op zijn zolder is al het vuil weggebezemd, want hij beweert niet te kunnen werken in zo'n stal. Hij richt nu tegen de muren en op de grond een complete expositie van abstractjes in en houdt een korte vernissage. Dames en heren, het is mij een voldoening namens de stichting Nederlands kunstbezit in het buiten- | |
| |
land bij u in te leiden het werk van de jeugdige Dirk Gijs Madema, die via impressionisme, pointillisme en rabarber rabarber, wat een pest, hè, openingen van tentoonstellingen. Kijk, dat was het begin, daar zie je nog gewoon het naakte landschap, dat is herkenbaar. Dit is beter, natuurlijk, maar dat oker bevalt me niet, die studieverf verslaat als de bliksem. Heb je aan dat tubetje rood gedacht? Nou? Wat vind je ervan?
Ik weet nauwkeurig wat ik vind, maar daar is Madema te aardig voor. Ik zeg dus, dat ik er sterk aan moet wennen, mooi van kleur, zeg ik. ‘Mooi van kleur’ is goed, onverbeterlijk goed. Madema schenkt mistroostig twee glazen wijn in.
's Middags heb ik de rots van het gekke schaap ontdekt. Er is een klein plateautje in de berg waar het pad met een boog naar toe loopt, er is een groot glad steenblok om op te zitten. Boven mijn hoofd in een verbrokkelde rots met de gele lijnen van steenlaag er door heen is een schapekop die de blik heeft van een debiele jongen. Ik tracht Madema van mijn ontdekking te vertellen, maar hij vervalt in een bedrukte verdediging van het non-figuratieve. Ik negeer mijn verlangen naar Holland.
En ik vertel hem dat ik in Mont Angèle ben geweest - een van de onbewoonde dorpen waarover men in Utrecht melancholisch praat. In zo'n leeg dorp te wonen, 's morgens slap van het opstaan, ongewassen, onontbeten langs de huizen lopen waarvan de deuren scheefhangen en de ramen gebroken zijn. En alphabetisch namen roepen die niemand horen mag: Ed, Gert, Hans, Joris, Rolf, en opnieuw, en opnieuw. Madema zegt dat die dorpen rubbish zijn, waar moet je het water halen? Hij drinkt als een tempelier, zegt hij met trots. We drinken trouwens regelmatig samen, als twee gezworen tempelieren.
| |
| |
En ook de mannen die wij in het café ontmoeten drinken als gezworen tempelieren, en dat wij zo compleet geaccepteerd zijn is wel vooral op percentuele gronden. De pastiche is hier zeventig, en meer dan een derde water is niet echt de goede toon. Utrècque, zeggen mijn vrienden van tijd tot tijd dromerig. Ik schets soms mooie dronken gezelschappen, maar het is nooit zo aardig als Adriaan Brouwer het schilderde, die dan ook een groot man was. Een tekening, waarop we allemaal een goedgelukte uitdrukking van dolle verzadiging hebben is door de burgemeester aangekocht en zal in het gemeentehuis worden opgehangen. Zo breidt mijn faam zich uit: werk in de gemeentelijke collecties van Utrecht en Ste enzovoorts sur la Marre.
Het samen schilderen is wel fijn, en er ontstaan tenminste ook geen meesterwerken door. A is Appel, de god van de schilders, zegt Madema als we in de berg zitten, B dat Ben Jij, die dat ook wel wilde, C is Corneille, god de zoon van de schilders, D is Dirk Madema die dat ook wel wilde, F is noem eens een schilder met een F? of iets anders, wat doet dat er nu toe? We maken het alfabet af, en ik breng in gedachten persoonlijke varianten aan die hij niet vatten zou: L is de liefde die wreed werd ontkend, maar Madema is al bij de R die hij versiert met Rosé die de buiken goeddoet; en nog voor we iets op oed-oet kunnen rijmen slenteren we al gezellig naar het café. We zijn tenslotte consumenten, zegt hij definitief.
En als ik dan opnieuw dronken raak ga ik de berg weer in, sta onder de rots van het gekke schaap en kijk naar het dorp dat ver beneden ligt en naar de wolken en in de verte en weer naar het dorp en ik denk Ed, Gert, Hans, Joris, Rolf, A. En ik denk Ed, Gert, etcetera.
|
|