Het oogenblik
(1935)–Marianne Philips–
[pagina 7]
| |
[pagina 9]
| |
Het is lente. Het raam kon opgeschoven worden. Zij zit voor het raam en wacht. Vandaag is het raam opgeschoven omdat de dag warm is. Toen alle dagen koud waren, bleef het glasvenster voor de kamer, toen moest ze de gordijnen wijd wegschuiven, dat de mannen konden kijken tot op het bed met de breede sprei. Maar nu staat het bed open aan de wasemende gracht. Tusschen het bed en de gracht zit ze op den stoel voor het open raam. Ze moet daar blijven zitten, dan kunnen de mannen die voorbijgaan, aan haar zien, dat iets verwacht wordt. Ze wacht en nooit is er het laatste einde van het wachten, want na den man die heengaat, zal de man volgen die komt. Het durende wachten is het werk van haar dagen. Niet de telkens herhaalde bewilliging wanneer de heete, haastige mannenhanden haar grijpen. Dat is niet het werk. Het werk is het wachten. Vandaag wacht ze aan een open raam omdat het lente is. Aan den overkant wachten de huizen van het grachtje. Het zijn doode huizen, ze zullen afgebroken worden, daarom hebben ze geen gordijnen meer die iets verhullen, niets is meer verborgen, men kan zien hoe vuil de behangselflarden neerhangen. De huizen brokkelen weg, ze zijn melaatsch gestorven, nu spoelt het troebele grachtwater om hun rotte plekken. Het gracht- | |
[pagina 10]
| |
water likt aan hun kelders en het likt ook aan dezen walkant waar zij zit aan haar raam en waar de huizen nog leven. Die levende huizen zullen ook sterven, ze zijn al besmet, uit den wal kruipt de besmetting omhoog langs hun muren, die zullen ook wegrotten, maar later. Nu hebben de menschen aan dezen walkant de besmetting nog niet gezien, men ziet niet zelf het huis waarin men woont. Ze werpen nog luchtig hun vuilnis bij het wasemend water, ze werpen het buiten hun grens. Ze kijken hoe de stronken en schillen afdrijven naar het bleeke vlies in den dooden hoek van het grachtje, nu zijn ze den afval kwijt. Ze zien niet, dat de doode hoek afsterft van hun levende zijde. Zij zit in de doode grachtlucht, die hangt voor het open raam. En wacht. Ze wacht. Tegenover haar oogen ontbinden de huizen en vallen in zwarte venstergaten uiteen. Maar haar oogen zien niets veranderen, omdat alles altijd verandert. Ze wacht. Het lijdzame wachten is het werk van haar dagen, dat zich werkt door haar heen op den tragen gang van haar bloed. Maar ze kent ook het handelend wachten. Als de stappen van een man gaan slaan op de grachtkeien, richt het wachten zich in haar op. Het drinkt bekend geluid uit iederen kei, uit iedere holte van het plaveisel. Het zwelt op den maatval van den stap. Het duwt haar borsten omhoog onder de dunne bloes en om haar lippen spant het den glimlach, dien ze zich leerde lachen van een sigarettenplaatje. Als de schaduw van den man glijdt om den raampost, staat het wachten klaar in haar oogen. Het staat zoo | |
[pagina 11]
| |
twee tellen, waarin de man stapt voorbij den eenen raampost en wegschimt langs den anderen. Ze kent volkomen den klank van den laatsten stap, die den man weer wegdraagt, haar raam voorbij, ze kent dien als het tikken van haar klok. Honderden malen op eenen dag hoort ze dien laatsten stap op dien eenen lossen kei. Het is de stap, die haar mond en haar borsten loslaat, dat ze weer terugzakken, en die haar oogen leeg maakt. Want het is de stap, die zich niet terug zal wenden. Honderden malen op eenen dag is dit de teleurstelling, die chronisch is geworden. Want het is de stap van den levenden, werkenden, schrijdenden man, die haar deur voorbijschrijdt. De stap waarop de rechte, gezonde man gaat naar zijn werk of zijn huis. Als deze stap eenmaal zou omkeeren op den lossen kei en binnentreden, zou er een laatste einde zijn aan het wachten. Dan zou ze weer een klein meisje worden. Maar deze stap kan zich niet omwenden. Dus valt ze terug en blijft drijven op het lijdzame wachten. Tot de man komt, die binnen wil en dien ze lijden moet. Dat is de stap, die zich terugwendt. Soms wordt het lichaam van een man gebracht op weifelende voetstappen, die langzamer gaan tot haar raam en kantelen op het wankele gootdeksel. Dan verwacht zij den vorm van den man, die traag zal schuiven van den eenen raampost tot den anderen. En ze heft haar blooten arm met den wenkenden wijsvinger. Maar haar mond lacht niet. Want deze man zal binnenkomen, ook als ze niet lacht. | |
[pagina 12]
| |
Dus staat ze op en sluit het gordijn. En wacht lijdzaam wat de man wil. Het is niet erg. Ze hoeft niet zelf te willen. Er is een ander die wil, ze hoeft alleen maar af te wachten. Dat is haar werk. Maar soms wil de man niets, omdat hij alleen maar wilde neervallen, ergens. Dat is het vreeselijke. Het eenig vreeselijke. Want dan houdt het wachten op, dan is er noodzaak. Dan moet ze handelen, zelf handelen. Het eenig vreeselijke is, om in het gezicht van den man te zien. Want alle mannen, die binnenkomen, hebben hun eigen gezicht verloren, ze dragen het vleesch van hun lichaam als een masker om hun oogen. Daarom doet zij haar oogen dicht. Maar als de man niets wil, moet ze haar oogen openmaken en hem aanzien, omdat ze haar werk moet doen. En dan kan ze het lieve gezicht niet meer zien. Want is er een ander gezicht, ze draagt het bij zich achter haar oogleden. Het is het gezicht van den man, dien ze zou willen zien stilstaan aan haar raam. Als ze wel eens een keer woorden denkt en een naam geeft, noemt ze dit: het lieve gezicht. Altijd is het een levend gezicht, dat voorbijging. Een gezicht, dat scherp keek als ze wenkte, maar zacht werd en nadenkend, en dan voorbijging. Zoo is het lieve gezicht. Het blijft staan achter haar oogleden. Het vergaat niet en ontbindt niet, het leeft en staat wekenlang met stillen blik binnen haar oogen, als zij die sluiten moet om het werk. Dit is haar geheim. Haar eenig geheim, want haar | |
[pagina 13]
| |
gordijnen zijn wijd weggeschoven, iedereen kan binnenkijken en binnenkomen, iedereen en de dokter en de politie weten alles van haar lichaam en haar leven. Maar het lieve gezicht is van haar alleen, niemand anders kan het zien zooals zij het zag, het is een eigendom en het verheugt altijd omdat het geheim is en mooi, mooier dan iets dat men met de handen kan vasthouden. Het is een eigendom, maar dat stilaan weer wordt teruggenomen. In den beginne verschijnt het levend achter haar gesloten oogleden, omdat ze het noodig heeft, omdat het leven anders te moeilijk is. Maar dan, langzaam, wordt het herinnering en eindelijk een plaatje, dat gaat verkleuren. En soms raakt het verloren terwijl het nog leeft, opeens in een schrik. Als er noodzaak is, als ze moet zien naar haar werk, als ze den man die naast haar neervalt, moet maken tot een man, die weer iets wil. Want dan treedt de donkere angst van een ander menschengezicht voor haar open oogen en haar heimelijk eigendom blijkt schaduw en schijn. Vandaag, voor het raam dat is opgeschoven, wacht ze, als elken dag, omdat dit de plaats is waar zij wacht in de wereld. Langs het venstergat hangen de geruchten van het grachtje. Ze blijven hangen omdat het lente is, dan trillen geluiden langer na. Er sjilpen wat musschen en een waterrat klokt uit het riool in het vlakke water. Ook is er een stem, die gelaten vent achter de voddenkar. En een kat die krolsch kermt, omdat de lente pijnlijk is aan dit grachtje. Zij zit daar. Haar kin rust op haar handpalmen, die ze | |
[pagina 14]
| |
sluit tegeneen, haar ellebogen steunen zwaar tegen de vensterbank. De wereld is zwaar en moeilijk en toch leeg. Alles wat ooit gebeurde, is lang geleden, ook de laatste levende blik die haar aanzag, is een uitgebluschte herinnering. Daar gonst een groengouden vlieg langs het venster, gonst en schittert en laat zich luchtig neer langs haar hand. Ze ziet op omdat ze schrikt. Er is iets binnengegleden in de ledige wereld. Wat is dat? Licht. Zon op trillende vleugeltjes. Een libel, die hoog hangt en dan wegschiet. Zon op dennetoppen uit een trillende lucht. Zon op het witte wegje, dat zich stijgend slingert om een schooltasch. Zon op een paar blonde vlechtjes, die levenslang bestaan, omdat ze altijd hangen op een borstje, waarin zij zelf ademt onder een wit boezelaartje. Zon op een rooden bal, die springt en valt en danst in de kleine handjes waarmee zij zelf grijpt naar alles wat om haar is en waarin alles warm wordt en bekend. Ze heft haar kin uit de hand, waarin ze nog leeft, maar die naar niets meer grijpt. De vlieg flitst weg naar zijn vuilhoop. Een stapt nadert, de zon dooft. De stap schuift verder en trapt de zon uit. De donkere stap wankelt en weifelt, zoo zal de stap blijven weifelen tot aan haar stoep. Dus wacht ze en luistert naar den zwaren, pijnlijken stap, die naderkomt tot haar deur. Ja. Zoo komt langs het grachtje de lente die geleden moet worden. Maar dan, boven den schurenden tred, die sleept langs iederen kei, fluit langs het hooge brugje een jongen den hellen tonenval van het voorjaar. Het twinkelend liedje | |
[pagina 15]
| |
nadert op vlugge knapenschreden en valt binnen door het open raam, het is vlakbij, als de zang van den leeuwerik boven de heide, die nooit ver is, die altijd scherp en dadelijk trilt aan het oor. En de jongen is daar, bij het liedje, zijn haar is blond in de zon en zijn schouders wenden in de maat van het levende liedje, rood spitsen zijn lippen het deuntje de lucht in. Hij gaat langs het water, dat de tonen weerkaatsen in zonnevonken, hij gaat langs de huizen en drijft zijn helle vreugde door de muren heen, een vrouw steekt haar hoofd naar buiten en ziet voor het eerst, dat de lentelucht licht is. Tot hij komt langs haar raam. En haar ziet. En uit groote, grijze jongensoogen naar binnen ziet in het donker van de kamer, tot op het breede bed, dat wacht. En naar binnen ziet in haar oogen, waar doode verwachtingen drijven. Uit een vage, schuwe verwondering duikt de helle fluittoon omlaag in zijn keel, wendt zich en buigt om naar een rimpelend wiegewijsje, dat zachtjes deint, omdat het niet wakker mag maken wat al te ruste is gegaan. En het wiegelend wijsje verwijdert zich, het wordt weggedragen, verder weg van haar raam, hij neemt het mee langs de gracht op zijn lichte jongensvoeten, die nu langzamer gaan tot aan de straat waar menschen loopen. Zij blijft bij het open raam, waar haar plaats is. Als de zware, moeilijke stap, dien ze vergeten was, knarst op de eerste trede van het hardsteenen stoepje, sluit ze de gordijnen en wacht verder. Want alles is bekend. Maar als ze haar oogen moet sluiten om den man, | |
[pagina 16]
| |
zooals altijd, opent zich in het duister de blik van den knaap, die zich verwonderde toen hij haar wachtende vond onder de voorjaarszon. Dan schrikt ze, door haar hart gaat de schok die kermen doet, ze schudt het wachten af en ziet met wijde oogen lang en strak in het gulzige vleeschmasker van den man. Tot de jongensoogen niet langer kijken en uitgewischt worden, voorgoed.
Want het zou onmenschlijk zijn een kleinen fluitenden schooljongen vast te houden aan deze gracht, in dit bed, in deze omhelzing. |
|