Het oogenblik
(1935)–Marianne Philips–
[pagina 1]
| |
[pagina 3]
| |
Hij veegt. Hij veegt een straat. Veeg na veeg. Zijn rechterhand klemt den bezemstok en stuwt den zwaai voorwaarts. Zijn linkerhand richtden bezem slag. Dat is de zwaai naar rechts. Dan grijpt de linkerhand vaster en stuwt den zwaai voorwaarts. De rechterhand ontspant en gaat richting geven. Dat is de zwaai naar links. Hij veegt. Over het zandgrijs plaveisel, dat droog is. Altijd. Langs naden en rails. Naar den vuilhoop, die grooter wordt en mul. Altijd. Zijn lichaam is aan den veegzwaai weggegeven. Hij is de straatveger, daarom draagt hij het modderkleurig pak, daarom draagt hij het koperen nommer, daarom behoort hij bij den bezem, die den warrelenden stofhoop vooruit wentelt. Hij veegt. Altijd. Zijn bezem vindt de weggewaaide snippers en werpt ze licht in de bocht van den volgenden zwaai. En vangt ze weer op als ze uitdwarrelen over het stofdroog straatvlak. Hij veegt de stoffige straat. Hij veegt. Ook de vochtige straat. Altijd. Over glimmend modderbruin asfalt schuift hij de slappe papieren, de vermoesde oranje schillen, de klompen paardenvuil. De stugge bezem duwt alles ineen tot een brij, die hij drijft door de goot, langs den stoeprand. Modderbellen blazen omhoog, klevende strepen blijven | |
[pagina 4]
| |
achter, verder wrikt hij de massa naar den hoop, die breeder wordt en taai. Hij veegt. Achter hem is de leegte. Er mag achter hem niets blijven, geen snipper, geen schil, anders is het werk niet gedaan. Ligt er misschien toch iets? - Neen, hij heeft geveegd, het werk is gedaan - hij weet alleen leegte achter zich. Zoo gaat hij. Achter zich de leegte, - voor zich het werk: het vuil, dat er altijd ligt. Hij veegt. Veeg na veeg. De stroom van het verkeer perst aan hem voorbij. - Voeten! alleen maar voeten! Hij veegt ze weg. Achter hem is het leeg, laten daar de voeten gaan, achter zijn werk om. Maar de voeten haasten. Ze worden gedreven. Ze kunnen niet stilstaan, geen moment. Ze storten vooruit. Van den stoeprand, waarlangs de bezem strijkt. Over den bezem, voor den bezem. Over en om den samenballenden vuilhoop. En hij veegt, hij moet blijven vegen. Maar de voeten moeten zich reppen naar een dwingend doel, dat trekt met weerhaken. Ze kunnen niet den omweg maken achter den man om, achter den voortschuivenden bezem om, - dat kost één stap tijd. Dus veegt hij om de voeten, achter, voor, naast de reppende, kletterende, jachtende voeten. - Als hij menschen zag boven de voeten, zou hij niet de dwarrelende stof kunnen omhoog jagen. Dan zou hij weten wat zijn bezem doet. Waarom moet hij dit, nu, - denken? Waarom moet hij denken? | |
[pagina 5]
| |
Twee voeten staan stil voor den stoeprand, daar waar de volgende bezemveeg al geveegd klaarligt. Ze staan stil en wachten. - Waarop wacht daar iets? - De daad trekt weg uit zijn greep, zijn vingers ontspannen. De daad trekt zich terug in zijn oogen, die gaan zien. Ze zien dat er gewacht wordt op hem. Niet op den bezem. Er wordt gewacht op den man die veegt. Daar staat iemand die kan wachten. Hij naderde en vond iets in zijn weg. Hij heeft geen haast, want er is geen haast. Hij wacht. Hij ziet den straatveger, vegend met zwaaiende, hoekende armen. Hij ziet een taak die zichzelf uitvoert. Maar hij is een mensch en herkent alleen menschen. Nu wacht hij tot de taak zich wegbergt in den mensch, hij wacht tot verschijnt wat hem kan herkennen, wat zich opendoet voor hem en zijn wensch. Hij weet wel niet, dat hij daarop wacht. Hij staat maar met twee stille voeten voor een stoeprand, waarlangs een bezem langzamer strijkt. Dan ligt de bezem stil. De vuilhoop wasemt en warrelt niet langer. Een oude en een jonge man zien elkaar aan. De straatveger is jong. Hij is een straatveger, want hij draagt een nommer op een uniformpet. Maar hij weet opeens, dat zijn rug recht is en zijn oogen helder staan in een gaaf gelaat. Hij weet dat, omdat hij zich ziet door den ander. De man die wacht, is alleen een mensch. Misschien is hij wel oud en ook waardig. Maar zeker is hij rustig en in zichzelf gedragen. Hij weet dat altijd, maar nu helderder, omdat hij zich verschijnt uit den ander. | |
[pagina 6]
| |
Zoo staan zij een tijdloos oogenblik. Als hun oog zich verliest in het oog van den ander, valt een waardeloosheid weg en een aandacht verwijdt zich. De jonge man treedt achterwaarts. Hij ziet het effen wachten van een mensch die glimlacht. En zijn hand vindt het hoofsch en wijd gebaar van wie een doorgang vrij geeft.
Dan grijpen twee handen opnieuw om den bezem, die een vuilhoop voortwentelt en achter zich leegte laat. En twee stilgaande voeten volgen den weg, die open ligt. |
|