De bende van de stronk
(1965)–Paul van Ostaijen–
[pagina 133]
| |
[pagina 134]
| |
Teirlinck heeft gelijk. Alhoewel het in 't algemeen niet vleiend is gelijk te hebben. Indien ik zeg: Teirlinck heeft gelijk, dan wil dit echter hier helemaal geen blaam betekenen. God beware. Ik hou veel van deze hier en daar fletse Cervantes. Ik zeg ‘Teirlinck heeft gelijk’, omdat het mijn verhaal inleidt. Ik heb de heer Josef la Tour goed gekend. Na het 15de glas Pilsner verklaarde hij gewoonlijk, dat hij een Epicurist was. Wat hij toelichtte: een goed glas bier, soms een borrel brandewijn, 's morgens een porto, een frisse vrouw in het bed, ziedaar mijn filosofie van de levensvreugde. Mij hield hij voor een decadent. Het was intellectualisme waar ik beweerde dat Epicurus zo simplistisch niet was. Vrienden zijn wij nooit geweest. Daarvoor dronk ik naar de mening van Josef la Tour te veel koffie en thee. Hij argumenteerde meer dan eens: ‘Koffie heb ik zoveel ik wil, thuis bij mijn vrouw. In een café ga ik enkel met het inzicht de beste buitenlandse bieren te proeven. Een café is mij niets zonder Pilsner of Christmas. Misschien houdt gij dit alles voor burgerlijk. Zo ontwikkeld veronderstel ik u echter, dat gij de burger niet a-priori verwerpt. Ik zeg, de burger heeft veel goede eigenschappen. Ik zou u kunnen bewijzen dat, wanneer kunst nog bestaat, dit de burgers te danken is. De burger verwerpt alle kunst. In zover is dit echter een grote verdienste, dat zij terzelfder tijd alle dilettanten de nek breekt. Verworpen kan ten laatste slechts worden wat verwerpelijk is. Ik hou de burger voor een soort veiligheidspolitie van de kunst. Zijn werk is slechts | |
[pagina 135]
| |
negatief. Zonder dat negatieve komen wij niet verder.’ Ik heb hem nooit kunnen overtuigen dat bier mij slechts soms een genot was. Hij was voortdurend bevreesd dat ik bier uit principiële estheterij afkeurde. En eens recht sceptisch was hij bij mijn verklaring dat ik koffie een aangename drank achtte. Deze mening moest ik uit Edgar Allan Poe, Charles Baudelaire of De Lautréamont hebben. Josef la Tour sprak immer over ‘Edgar Allan Poe’. Ik herinner mij niet ooit Poe uit zijn mond gehoord te hebben. Indien ik mij echter hieromtrent vergis dan kan er slechts sprake zijn van een uitzonderingsgeval, dat de regel bevestigt. Als Josef over literatuur sprak had hij een beetje van een wandelend manuel de litérature à l'usage enz. Hij had zeker klassieke allures; een beetje prototype van de klassieke burger onzer eeuw. Ik noemde hem schertsend ‘de klassieke bourgeois’. Hij zelf schertste dikwijls: ‘Wat ik positief ben weet ik niet. Doch een misgeboorte ben ik zeker. Ik hou het midden tussen een object van Molière en een slachtoffer van zwarte magie’. Zoiets zegde hij gewoonlijk na zijn 20ste glas Münchener als de melancholie hem begon te overmannen. In hem was vaak bitterheid over mijn gedrag. Ik had goed te zeggen dat koffie op mijn gestel positief hetzelfde effect maakte als bier op het zijne, 't deed niets. Ik zei: ‘Ik ben zo dronken als gij, ik kan met dezelfde vaardigheid van de gulste blijheid in melancholie vervallen en omgekeerd.’ Eens heb ik zelfs gezegd: ‘Koffie | |
[pagina 136]
| |
maakt mij primitief en brengt mij daarheen mijn onderbewust leven te leven; bier maakt u eenvoudig woest-blij of woest-melancholisch.’ Ik had gelijk. Het baat niets gelijk te hebben. Nauwelijks had ik dit gezegd of Josef la Tour brak in tranen uit. Ik hoorde de kelner mompelen: ‘Begrijpelijk is het dat een dronkeman weent’, en dit door een volksaforisme bevestigen. Ik zelf was verplicht Josef te overtuigen dat ik 't zo niet gemeend had. ‘Allez, Jef, allemaal filosofie van de zot zijn zuster. Als we eens naar de Salvatorkeller gingen?’ Jef's ogen. Hij lachte, zo'n goed jonk. ‘Ja’, zei hij, ‘maar een glas bier met mij mee drinken.’ Ik beloofde het. Ik zag hoe Josef er onder leed bij de gedachte dat ik oneerlijk tegenover hem was. Ik liet mij nooit gaan. Zelfs als ik stomdronken was niet. En een estheet bleef ik altijd. Vol literatuur. Alsof ik het menen kon dat koffie mij ook smaakte, in een ander geval dan het ontbijt. Aan een vijf uur thee had Josef 't land. ‘Ik vind vijf uur veel te vroeg om een hoer te zoeken.’ Dat was het lot van Josef. Zoals dit antwoord was hij gans. Hij zag in alles actie. Dat men zich passief gedragen kon, viel buiten zijn gedachtenloop. Overal zag hij de verplichting te moeten ingrijpen. Daarom was het thema van incubaat en succubaat hem lief. ‘Er is een duivel die mij vervolgt en elke vrouw is deze duivel. Hij laat mij niet los. Ik word immer naar de roes gedrongen.’ Hij zegde ook: ‘Roes is voor mij eenheid. | |
[pagina 137]
| |
De enige mogelijkheid uit het gesuf te komen. Ik neem de succube aan. Ik worstel niet meer. Ik ben belachelijk als ik worstel.’ Ik heb hem een paar maal mijn mening gezegd. ‘Dat ge zo van bier houden kunt, Josef, dat is mij vrij onduidelijk.’ ‘Uw succube is geïntellectualiseerd’, zegde hij. ‘Het is een cognac-en-koffie-hoer. Mijn succube is er een uit de oude tijd. Zij heeft Breugelse allures. Maar mijn bier-zuipen is toch oneindig groot. Dat kunt gij niet verstaan.’ Er was vaak stilte tussen ons. En dan dronk Josef. ‘Mijn leven is gedetermineerd door de sterkere wil van een gemeen duivelsjonk.’
Josef was getrouwd. Zijn vrouw was een goeie sukkel. Zij was tevreden als hij slechts normaal bedronken thuis kwam. Maar zij hield veel van Josef. Zij klaagde bitter: ‘Als Josef niet zo dronk, dan zou 't zo slecht niet zijn.’ Zij reageerde niet sterk. Zij had zichzelf gesust met de atavistische fabel: Josef had een droge lever zoals zijn vader. Er was meer. Diep-eerlijk was zij met Josef tevreden. Zij was jaloers. Zij dacht: het is beter dat hij drinkt dan met de hoeren te lopen. En zij was overtuigd dat Josef dat niet deed. Hij dronk enkel bier. Hij ging uit om verzet te hebben. Iets slechts was niet daarbij. Iedereen heeft gebreken. Zij was tevreden dat Josefs gebrek niet een tekort aan liefde voor haar was. Zo was haar gekijf slechts flauw, want zij vreesde dat Josef de pint liet staan om naar de vrouw te lopen. En de vrouw dat was zij niet. Josefs leven was wel eenvoudig, doch niet | |
[pagina 138]
| |
zoals zijn vrouw het voorstelde. Hij dronk bier om naar de straatmeiden te lopen en kwam hij van de straatmeiden, bier om de straatmeiden te vergeten. Niets is zo vol verzoeking als de gemeenheid, meende Josef. Maar hij had een heilige schrik voor zijn vrouw wat dit betreft. Praktisch en theoretisch. Praktisch: zijn vrouw was in haar niet weten een goei sloor, in het kinderlijk vertrouwen in het alleen-bezit van Josef. Dit verwoesten werd een onmeetbare domheid. Theoretisch: wist zijn vrouw van zijn overspel, dan was het geen overspel meer. Zijn overspel was slechts te denken in het genot van een mateloze lafheid: die goei sloor die ingeslapen was in het geloof aan Josefs getrouwheid, moedwillig, in het slappe gevoel van het wrak-zijn en in angst voor de toekomst te bedriegen. Dat had hij nodig. Hoe gemener de straatmeid des te beter. Zo wat mystiek: des te sterker het offer van het goede aan het boze. Het leven van Josef la Tour was dus niet zo eenvoudig als men het zich zou kunnen denken, na uitlatingen als: ‘een goed glas bier en een frisse vrouw’. Josef zag veel te klaar om het cocasse van dit bourgeois-mystiek huwelijk in hem niet te zien. Hij overdreef dan zijn bourgeoisie, dan zijn mystiek. Maar aan de filosofie van het bier hield hij in beide gevallen vast. Tot deze belachelijke geschiedenis er een einde aan maakte. Zo was het feitelijk ook niet. Anatomisten kunnen bewijzen dat Josef la Tour totaal doorzopen was. Het einde was nakend. Nu blijft echter de vraag: was hij nu doorzopen omdat het einde nu komen moest - of was | |
[pagina 139]
| |
het einde er doordat hij doorzopen was. Uit dit dilemma helpt geen onderzoeking van Josefs bedorven lever. Zeker is het, Josef was ten einde. Zo ten einde dat hij zonder bluts of barst moest ineen storten. Hij begon van langs om meer te suffen. Ik moet bekennen dat ik zijn gezelschap vermeed. Zijn gesuf werd onverdragelijk en onsamenhangend. Hij tierde tegen de bourgeois, zijn wijf enz. die meenden dat hij dronk omdat hij een droge lever had. De oorzaken lagen veel verder. Hij wees naar de oude krantenvrouw en zegde: ‘Daar is de duivelshoer. Om harentwille zuip ik. Zij zweept mij gemeen te zijn. Haar genoegen en haar satanische opdracht is het mij onkuis te maken op het toneel der wereld. Om haar te behagen ben ik de triviaalste ploert.’ Dan weer tierde hij tegen de estheten die overal erotiek zagen, de idioten. Hij zoop om te zuipen en daarmee uit. Bier en nog bier dat was het enige wat hij zocht. Zo ver ging het dat hij deze dualiteit niet meer te ontwarren vermocht. Hij vergiste zich weldra meer dan eens in zijn plaidoyer. Zodat een rede die tegen de bourgeois begonnen was eindigde met zijn standpunt tegen de estheten. Hij zegde natuurlijk nooit dat hij de middenweg koos. Hij meende het tegen een van beiden. Maar verwarde. Als hij dat in een ogenblik van luciditeit bemerkte, werd hij woedend en vernietigde wat hem onder de hand viel. De dochter van de baas uit het ‘Heilig Huisken’ die met de cliënten om te gaan wist - beweerde tenminste de baas - had hij afgeranseld. Zij had Mijnheer La Tour voortdurend gelijk | |
[pagina 140]
| |
gegeven, tot hij zelf plots zijn illogisch dronkenmansgezwets constateerde en haar gevraagd had waarom zij immer toestemde, waar hij in twee opeenvolgende meningen directe tegenstrijdigheden verdedigd had. De dochter had er mee gelachen en Josef bovendien nog gevleid. ‘Ja, ziet ge Mr. Latour, zo goed als gij ken ik al die dingen niet.’ Dat was Josef te sterk geweest. Hij debiteerde het incoherentste dronkenmansgezwets en deze verloren hoer, een uur te lang uit het water, kwam hem, na hem uitgezopen te hebben, verklaren dat hij een slimmerik was. Hij stond langzaam op. Wantrouwig en stil. Dan greep hij bliksemsnel zijn stoel en sloeg daarmee op het hoofd van de meid. Hij smakte ze op de bank, plofte haar zijn volle vuist op de neus. Het bloed gutste hobbelig in onregelmatige tussenpozen. Heel kort was dat geweest. Hij wies plechtig zijn handen zuiver aan haar smalle, zeer witte pantalon en ging. Hij gaf de vader geld, opdat hij de zaak zo zou laten. Het regende. Josef kwam thuis, zijn vrouw was lang te bed. Zij opende haar ogen en lachte slaapdronken goedig. ‘Marianne, ik heb u zo lief. Och Marianne, dat weet ge niet. Maar ik kan niets; ik ben een hond en een vod.’ ‘Kom gauw in 't bed, man.’ Marianne straalde. ‘Waarom drinkt ge toch zo veel, het is zo ongezond.’ Hij hoestte. Hij keek in zijn zakdoek. Hij wist niet of dat bloed uit het heilig huisken was of een bloedfluim van hem. | |
[pagina 141]
| |
Hij reisde naar Brussel. Een verkwikkend gevoel van misdaad beplakte hem, wanneer hij zich een arme harlekijn meeslepen liet door de dikke kringmars langs de Nieuwstraat en Anspachlaan. Soms had hij deze stad lief. Liefde die groeide uit de diepte van de andere pool. In het oog van God die geen onkuisheid kent, is deze stad een drijvend wrak van zonde. Het was Josef een welbehagen te voelen hoe hij bij elke stap God met de voeten trad. Met dezelfde voeten die hij van God gekregen had. Zo gebruikte hij het godsgeschenk. Hij dacht: ‘Twintig jaar heb ik God gediend in een kluis temidden van de bergen. En nu verniel ik het ganse werk. De machtige Christus die voor mijn kluis stond heb ik neergehakt en nu volg ik de zonde.’ Hij was in de bars. Hij permitteerde zich de luxe van een whiskyroes. De vrouwen wipten voorbij om de schoonheid van hun benen te tonen. Zij zongen de liedjes mee of neurieden. Hun leven lag een erotische bal. Elke man monsterden zij naar erotische maatstaf. Elke man was voor ze de mogelijkheid van een miché of van een mec. Zij zogen de miché's uit en lieten zich uitzuigen door de mecs. ‘Geen béguine meer’, dachten zij. Een mec danste; zij was gevangen tot hij ze zou wegwerpen een uitgeperste citroen. De wereld draait om het geslacht. Dat was de eenvoudige formuul van hun concentratie. De dag werd verdeeld naar de erotische mogelijkheden die hij bood. Josef zat een verwonderd kind voor een speeldoos. Hij had er zijn vreugde in de contrasten te verscherpen. ‘Hier weet men te leven. Ik zelf ben | |
[pagina 142]
| |
doorzopen. Mijn mystiek heeft geen verdere oorzaak. Deze mensen kunnen leven en ik kan niet. Ik kan nooit met mijn twee voeten dáar staan. Ene voet staat in Jeruzalem en de andere in Babel. Nog veel dommer: Jeruzalem en Babel is de idiootste sublimering van mijn angst en mijn begeerte. Ik kan nooit eenvoudig begeren. Ik sublimeer de eenvoudigste begeerte van deze mensen. Al mijn mystiek gesuf, laat ik het mezelf nu eens duidelijk zeggen, is slechts olie op het vuur werpen. Deze mensen zijn mij te sterk. Zij kunnen leven zonder schaduw in de begeerte van het slechts eenmaal-zijnde leven’. Bij de dans lagen de vrouwen speelgoed in de armen van de mecs. De mec drukte op een knop, dat was die beweging. Zij wensten niets meer te zijn. Speelgoed te zijn in de handen van de mec, zo was elke begeerte bevredigd. Zo dansten zij. Zij dansten volledig erotisch bevredigd. Zij keken schuchter naar de mec of hij ook niets meer wenste. Hij lachte Toreador. Drukte hij op een knop, dan verliet zij hem. Zij zocht de miché. Zij kwam naar Josef. Een plezier werd het niet. Maar zij moest nu eenmaal ook werken. Zij slenterde voorbij zijn tafel. Zij lachte onnozel. Als die vent nu zei: hier is honderd frank. Dat was het toch feitelijk. 't Was beroerd die ganse comedie vooraf. Nu moest ze weer een sigaret vragen. En zeggen: ‘Eh bien, si seul ce soir?’ 't Was een vervloekte merde. Jefs gelaat ontspande zich in een sappige gulzigheid. Zij sloeg het ene been over het andere, zodat de vorm rijp en zacht lag. Dit been speelde als een slinger. Hoe moest | |
[pagina 143]
| |
zij met hem omgaan. Er zijn er die willen slaan; anderen geslagen worden. Jef wachtte. De roes als een miché behandeld te worden. Tenslotte zou zij hem zijn laatste duit stelen en naar haar mec vluchten. Zij moest hem alles nemen; zijn gouden trouwring ook. Als zij alles had mocht zij geen seconde langer bij hem blijven. Dan moest zij zeggen: ‘Je vais aller trouver mon gosse.’ Zo dacht Josef in zijn omgekeerde gulzigheid. Zij werd bang. Josef legde zijn uurwerk op de tafel en zegde: ‘Dat is voor je maquereau.’ Zij lachte giechelend, maar dom. Zij zegde: ‘Ik heb geen maquereau. Ik zal het aan mijn vader geven.’ ‘Is je vader dan een maquereau?’ greep Josef naar de nieuwe mogelijkheid die hij wenste. De hoer verzette zich. Haar vader mocht niet weten hoe. Josef drong immer naar zijn flagellatie die niet kwam. ‘Hoe heet je maquereau, zeg.’ Zij ontvluchtte het antwoord. Misschien was het iemand van de politie. Die doen zo idioot. En dan laten ze hun kaart zien, als ze alles weten, de verrekkelingen. Het gesprek werd stompzinnig. De hoer dorst niet vluchten. De dans draaide monotoon. Jef kneep de ogen dicht. Toen hij ze weer opende, lachte hij over zijn domheid. Deze hoer was het meest burgerlijke theekransje. In gemoedelijke conventie speelden hoeren, maquereaux en cliënten met elkaar. De baas maakte het actief van deze conventie. De mensen begrepen elkaar hier roerend. De vrouwen stonken naar burgerlijkheid. Hij zelf toverde zich de allerdomste illusies | |
[pagina 144]
| |
voor. Dat deze vrouwen een idee van het demonische zouden hebben. Hij kroop voor een vrouw en zij werd bang van zijn kruipen. Het toppunt van haar demonie was zich in 't bed te leggen en 100 fr. op te strijken. De vrouw schrikte toen zij hem zo rustig zag. Zij legde het uurwerk terug op tafel. Dat had Josef zeker om te schertsen gezegd. Josef nam het terug. Natuurlijk had hij 't zo gemeend. Om de avond te vullen. Als zij niet wou slaan, zou zij geslagen worden. Toen zag de hoer Josef de snullige burger. Doch in haar waan keerde zij haar domheid om. ‘Wat is hij dom’ bromde zij toen ze wegging. ‘Je houdt van mij, je houdt van mij, dat is 't.’ Josef realiseerde de demonie die hij bij anderen tevergeefs zocht. ‘Idioot’. De hoer zocht wrevelig naar een andere cliënt.
Hij werd niet begrepen. Hij legde zich op de grond, gaf een hoer een zweep in de hand en smeekte. Zij sloeg niet. Liet de zweep vallen. Hielp hem opstaan. Hij nam een vrouw en smeekte: bedrieg mij. Zij legde haar Madonnahoofd in zijn schoot. Zo was zijn ganse leven. Hij was 't beu. Vroeger had de rue St. Laurent hem tevreden gesteld. In het brutale geëxploiteerd worden had hij toen een eenvoudig genot gevonden. Hij had zijn portefeuille op de nachttafel gelegd. Zulk gemakkelijk fetischisme hielp nu niet meer. Hij bleef staan. Boven hem twee boog- | |
[pagina 145]
| |
lampen. Naast hem lachte een neger in 't rood. Hu Madrid. On s'amuse, on danse, on est gai. Hij ging. Het was een feest daarbinnen. Meisjes van veertien tot twintig, gigolo's tot vijf en twintig. Dreef walm van goedkope parfum. Als er een tango was, waren de meisjes meer dan naakt en hun benen stonden steeds gereed rond de slankheid van de enkels te breken. Baren zwalpten tussen puberteit en verlangen. De meisjes hingen de mooiheid van geknakte bloemen in de armen van de God-gigolo. Hun armen over de rug van de man hingen licht en drukkend in de ruimte, zo koel en belofte. Er was een streven naar volledig gebroken zijn. Men vergat dat het lokaal stonk naar goedkope likeuren, patchouli en vrouwen. Josef zonk op een bank, gelukkig. Hier was 't einddoel. Hij zat naast een gigolo en zijn meid. Zeventien en vijftien. Hij betaalde champagne. De gigolo verwijderde zich om de dingen niet te storen. Er gebeurde niets. ‘Het is een dommerik’ zegde de meid. De gigolo had slechts een hoog misprijzen voor haar. Zij was veel te jong, een domme gans. Maar Josef zei: ‘Mijnheer, ik wil uw vrouw afkopen voor deze nacht. Wat kost dat. Bemint gij elkaar.’ Toen moesten zij elkaar omhelzen. Zij lag een klein warm beest en naakt in de armen van de mec. Hij kuste ze op de lippen. Zij zegde: ‘Wij gaan naar huis, kom. Ik wil vandaag bij u blijven.’ Zij dansten. Toen zij gans bedwelmd was, wierp de mec ze in de armen van Josef. ‘Merci, merci’, prevelde Josef dankbaar. | |
[pagina 146]
| |
![]() | |
[pagina 147]
| |
Hij verwijderde zich met de kleine Angèle, nogmaals zijn dank stotterend om het mooie St.-Niklaasgeschenk. Hij duwde Angèle in een rijtuig. ‘Nu heb ik u, nu.’ Hij sprak moeilijk. De haat was zo zwaar in hem dat hij moeilijk los kwam. Hij wou veel in eens zeggen. Hij had ze nu. Hij had ze betaald. Hij had zijn uurwerk zelfs aan de mec gegeven. ‘Angèle, Angèle.’ Hij wist niet wat. Dan sloeg hij haar zijn twee vuisten in het gezicht. Zij bloedde. Hij zegde: ‘Heb ik dat gedaan, mijn lieveke’ en brak in tranen los. ‘Arm kindje.’ Hij kuste haar bloed weg.
Maar in het hotel was hij weer de eerste en vloekte om zijn sentimentaliteit. ‘De hoeren hebben hier Van Eycksmoelen.’ De kleine meid vond de weg. Zij lachte. ‘Tu m'enmerdes. J'aime mon petit homme. Tu chraches bien, toi.’ ‘Zeg dat nog eens’, smeekte Josef. Hij legde zich te slapen in het andere bed. ‘Ik zal u niet aanraken, mijn kleine heilige hoer.’ Hij sliep niet. Zij sliep rustig. Dat ergerde hem. Flauw daglicht viel reeds in de kamer. Hij stond op. Hij was een idioot, hij had ze betaald en hij liet ze. In haar gebroken slaap weerstond zij hem. Het was hem zo alsof hij een jonge meid verkrachtte. En daarbij de zekerheid van zijn overwinning, die hij gekocht had. De tuimelende morgen had een hooireuk. De kamer was éen stuk van een gebroken mens.
Om twaalf schommelde Josef over de Brouckèreplaats. Op de eerste verdieping | |
[pagina 148]
| |
van de Hulstkamp vond hij een goede plaats. Hij dronk koffie en een borrel brandewijn. Het leven was honds miserabel; Josef kon geen bier meer zien. De beweging in de stad was tam. De trams klingelden voortdurend, dat was alles. Toen hij weer op de straat stond, voelde Josef iets in zijn zak. Het was de sleutel van het hotel. Merkwaardig. Als hij voorbij het hotel kwam, zou hij even binnenlopen. Maar Josef dacht tegelijkertijd: ‘Als ik nu niet ga, dan ga ik in 't geheel niet.’ Dat was hem duidelijk. Dat was de kleine domme daad. Hij behield de sleutel bij zich. Later ging hij zelfs voorbij het hotel, gaf de sleutel niet af. Hij troostte zich: hij zou hem per post terugsturen. Hij wist dat hij de sleutel behouden zou. Men kan deze domme daad niet verklaren. Het was een begin, het was een einde; het was het begin van het einde. Het was iets met weinig belang dat plots enorm werd. Het was voortdurend de negatie van zichzelf. Het werd grotesk met een traan en het had tevens een belachelijke tragiek. Hij haatte Brussel. Hij was Brussel zat. Patchoulistad. De vorige nacht had hij zijn erotiek overwonnen en zichzelf gebroken. Hij gaf niets meer om de tegenstelling van Madonna's en hoeren. Hoeren lachten goedig gelijk Madonna's en dezen beantwoordden volledig aan de bekende stalgaande vermaledijding. Al deze tegenstellingen: de inhoud van zijn erotiek, waren eenvoudig gelogen. Het leven was de gemeenste banaliteit. Maar een bliksem flitste een nieuw contrast waar hij de ganse leegte weer vergaarde, het begin van het | |
[pagina 149]
| |
einde: dat hij de liefde van zijn vrouw onwaardig was. Het had alles zo goed kunnen zijn. Nu niet meer. Het was te laat. Zijn vrouw haatte hij ook. Die vervolgde hem met haar tederheid. Hij zou nog eens zelfmoord plegen om de vervolging van die suikerstem kwijt te zijn. In de trein voelde hij een voorwerp tussen hem en de bank: 't was de sleutel. Hij dacht: ‘Ik loop naar de post zodra aangekomen’, wat hij niet deed. Zijn vrouw bemerkte het verdwenen-zijn van zijn uurwerk. Josef wou antwoorden: ‘Mijn uurwerk is verdwenen, maar ik heb de sleutel van mijn overspel in de plaats.’ Het uurwerk was een geschenk van Marianne.
Marianne was vol liefde en toewijding. Of hij goed geslapen had en niet te veel gedronken. En of hij nu grote honger had. Hij zag er zo vermoeid uit. Jef sprak: ‘Marianne, ik heb u bedrogen en hoe. Met de vulgairste kleine hoer van de Noordlaan. En plezant, plezant...’ Marianne lachte bedeesd. Jef lachte bang en zei: ‘Och kom Marianne, dat is toch alles zwans.’ ‘Gij zot.’ Marianne straalde. Zij bediende hem en of hij wel genoeg had. Als zij de sleutel moest vinden zou alles uitkomen. Hij zou niet kunnen liegen. Daarenboven zou hij zich weer laten verleiden haar de platte waarheid te zeggen. Dat zag hij klaar. Hij zou haar stil gedoezel verwoesten. Morgen moest hij zich van de sleutel ontdoen. Zijn vrouw moest hij ten minste haar gemoedsrust laten. | |
[pagina 150]
| |
Hij geraakte de sleutel niet kwijt. Ik raadde hem aan de sleutel eenvoudig weg te werpen. Ik wist wel dat hij het niet doen zou. Ik ontving een briefje. Josef schreef mij: ‘Gij raadt mij aan de sleutel weg te werpen. Ik dacht u niet zo dwaas. Immers het is toch zonneklaar dat ik zoiets niet kan. Niet kan, verstaat gij. Gister nochtans probeerde ik dit. Ik zeg u: het was alsof een vreemde hand de mijne tegen hield. Een half uur later wierp ik de sleutel weg. Ik ben teruggegaan om hem te zoeken. Heb hem goddank gevonden. Ik mag alles doen thans. Wanneer ik echter deze sleutel wegwerp, dan werp ik mijn wroeging niet weg, wel haal ik mij een nieuwe wroeging op de hals. Dat ik de goddelijke krachten negeerde en de christelijke dualiteit van ziel en lichaam. Wel kan ik het lichaam van de wroeging wegwerpen, doch van de ziel (de platonische idee van de wroeging als ge wilt) kan ik niet losgeraken. Werp ik de sleutel weg dan blijft mijn primitieve wroeging, daarbij komt een tweede, deze, het object van mijn wroeging, de herinnering aan mijn schuld weggeworpen te hebben. Wanneer men gezondigd heeft, is het niet genoeg te zeggen: ik heb niet gezondigd. Het wegwerpen van mijn sleutel is geen oplossing. Ik moet de moed hebben dit overspelige lichaam verder in mijn echtelijk leven mede te dragen. Maar ook dit is geen loutering. Loutering geschiedt enkel door het moedwillig zoeken van het leed. Ik verberg de sleutel voor mijn vrouw. Ben enkel bang: zij vindt hem. Boete is nu de laatste levensillusie, die van Marianne, breken. Dat durf ik niet. Dat is mijn | |
[pagina 151]
| |
levenslot. Ik hang mij best op. 't Beste, uw Josef.’ Ik ontving vele briefjes. Schrijven is voor mij een kalmerend middel, zegde Josef. Hij schreef mij ook: ‘Het enige wat ik thans nog in het leven te doen heb, is het levensgeluk van mijn vrouw te verwoesten. Iedereen weet dat ik een schurk ben. Enkel Marianne weet het niet. Dit moet ik haar eindelijk klaar maken. Mijn leven heeft geen zin meer op de wereld. Enkel voor Marianne wel. Omdat zij in een hypostasering van me leeft. Ik moet zeggen: “Marianne, ik ben geen goed echtgenoot. Ik heb met hoeren geslapen en ik lei uw portret in het overspelbed. Het kerkboek van uw beminde moeder heb ik aan een Vestingstraat-hoer gegeven”. Marianne zal mij niet haten. Maar ik zal haar onverschillig worden. Zij zal het leven kleurloos zien en de dagen nemen als een kleine last die God haar gaf en die men tot het einde dragen moet. Ik wil het leven verlaten. Doch dit kan ik niet, zolang nog iemand van mij houdt. Niet omdat ik waarde aan die liefde hecht. Enkel besef ik dat ik deze nieuwe bedriegerij niet op mijn geweten mag laden. Ik moet onbemerkt verdwijnen. Mijn dood moet alle mensen volledig indifferent zijn. Zolang iemand van me houdt, kan ik het leven niet verlaten. Zij zou droef zijn om mijn sterven. Dit zou dus de laatste bedriegerij van mij zijn. Dat wil ik niet. Iedereen moet weten dat met mij iets volledig nutteloos verdwijnt. Ik wil verdwijnen. Zo spoedig mogelijk. Daarom moet ik Marianne zo spoedig | |
[pagina 152]
| |
mogelijk breken. En daartoe heb ik weer de moed niet. Drinken is niets meer. Ik geraak niet meer bedronken. De wroeging is immer daar: de wroeging om wat voorbij is. Joseph, qu'es-tu devenu. En dan immer dit gevoel: maak er nu een einde aan. En toch maak ik er geen einde aan. Nog heb ik compassie met Marianne. En zoveel gevoelens die ik niet beschrijven kan. Ik heb angst dat Marianne de hotelsleutel vindt. Ik verberg het. 's Nachts sta ik op. Ik wil zien of Marianne hem toch niet ontdekt heeft. Ik snel door de kamers. Marianne vraagt mij wat er dan weer gaande is. Ik wil haar slaan en doe het niet. Ik vind, alle steden zijn verschrikkelijk lelijk. Ik ben naar buiten geweest. Bomen zijn verschrikkelijk domme dingen. Enkel zijn ze nuttig omdat ik me eventueel aan zulk ding kan ophangen. Ik word krankzinnig bepaald. Stel u voor ik was bij de arts. Dit jongmens beweerde dat ik leverziek was. Dat is niet uitgesloten. Doch het heeft geen belang. Ik weet wat ik heb. Dat hoef ik hem niet te zeggen. Ik heb: een zeer grote wroeging om mijn onverschillig leven en een zeer grote onverschilligheid om mijn wroeging. Ik weet werkelijk niet waarom ik wroeging heb. Toch wil ik er een einde aan maken. En wel zo: definitief. Als ik wou: ik heb geen wroeging meer, dan zou ik er geen meer hebben. Maar waarom zoiets dwaas willen. Ik zeg: Ik wil het leven van Marianne nog verwoesten alvorens de grote reis te ondernemen. Omdat ik niet wil dat iemand | |
[pagina 153]
| |
in ontferming aan mij denkt. Het is mij alles volledig egaal, behalve dit: dat ik niet wil geliefd zijn. Deze triestige komedie moet een einde hebben. Waarom houdt Marianne van mij. Deze feminiene idiotie. Jef'.
Wat later trof ik Marianne. Zij zag er erg ziekelijk uit. Zij zegde mij: Jef was zo zonderling geworden in de laatste tijd. 's Nachts stond hij op. Of hij slaapwandelaar was. En uitgaan deed hij ook niet meer. Wat dat alles betekende. Jef was zeker ziek. Eens had hij haar gedwongen champagne te drinken, want hij had een groot geheim te vertellen. Toen zegde hij dat hij 't niet vertellen zou, 't liefst mee in zijn graf nam. En dat zij, Marianne, 't met zichzelf uitmaken moest indien zij met vertedering aan hem bleef denken. ‘Hij riep voortdurend: Hoerenbok. Hij vroeg of ik de horens zag. Eens heeft hij me vastgenomen. Hij schreeuwde: “Gij weet waar de sleutel is.” Hij is erg ziek, mijnheer. Ge moest hem eens bezoeken.’ Op een zondagmiddag had Marianne het graf van haar kindje bezocht. Het was, 2 jaar oud, gestorven. Zij kwam thuis: een stille lach van tevredenheid dat zij bloemen geplant had op het graf. Josef was nors. Hij zegde: ‘Zet u, Marianne.’ Dan sprak hij: ‘Ik weet dat gij de sleutel gevonden hebt. Ik had hem in de matras verborgen. Dat is gelijk. Deze sleutel heb ik van Brussel. Ik heb daar met een kleine hoer geslapen en heb haar mijn uurwerk geschonken. Och, Marianne, ik heb u zo dikwijls bedrogen. | |
[pagina 154]
| |
Een groot register is niet genoeg om het te bewaren. Ik heb met uw nichtje geslapen, dat veertienjarig ding, Marianne. Er is geen hoer op de Keyserlei of ik heb er mee geslapen. Ik heb niet het minste spijt dat ik dat gedaan heb. Maar ik heb wroeging. Waarom weet ik niet. Ik kan het niet lijden dat gij zo vol ontferming zijt. Het gebedenboek van uw moeder heb ik een straathoer verschonken. Haar maquereau heeft het verkocht.’ Marianne zag stom. ‘Kom, Marianne, laat ons vanavond nog eens champagne drinken. Morgen schiet ik mij omver. Ik ben niet ik. Onzuivere duivels spelen om mijn lijf.’ ‘Man, manlief, gij zijt ziek, gij zijt ziek.’
De deur viel achter Josef dicht. Hij hoorde Marianne roepen: ‘Josef, blijf toch hier.’ Maar hij liep snel weg, want hij wist dat ze achterna kwam. De docks waren zeer stil. Hier en daar speelde uit een matrozenslop een elektrisch muziekinstrument. De sleutel van het hotel gaf Josef aan een trimmer. ‘Dat is een talisman.’ Hij zag hoe het water rond de bootjes speelde. Een geheim en tevreden geklots. Een tevredenheid vol donkerte. In een slop van de Rouaanse kaai goot hij er zich nog enkele door de keel. ‘Dat geeft moed’. De meid vroeg of hij een kwade slag wou slaan en als 't lukte mocht hij voor haar wat ondergoed kopen. De stormwind sloeg rond de gaslantaarns het licht op en neer. Het duurde lang alvorens hij gevonden had wat hij zocht. Er | |
[pagina 155]
| |
is feitelijk niet zoveel plaats aan de docks. Zelfs daar niet. 's Anderdaags pikten schippers aan boord van de ‘Vier Heemskinderen’ het lijk van de genaamde La Tour, Josef-Jan, op. |
|