De bende van de stronk
(1965)–Paul van Ostaijen–
[pagina 5]
| |
[pagina 7]
| |
Zoals men zich tijdens een rustige zondagswandeling ergeren kan over de kinderen, die nu eens te hard en dan weer te langzaam lopen, zo neemt men het, uit naam van de letterkundige zondagsrust, Paul van Ostaijen hardnekkig kwalijk, dat zijn gedichten te weinig en zijn proza te veel inhoud bezitten. Over het te weinig aan inhoud in de gedichten van Van Ostaijen wil ik kort zijn, aangezien u zich zojuist niet voor niets - nou ja, bijna voor niets, maar toch - een prozabundel heeft aangeschaft. Men mist in de latere gedichten van Van Ostaijen inderdaad het verhaal, de bekentenis, doordat de dichter meende dat de ontwikkeling van zijn vers, het opwekken van het volgende woord door het voorafgaande, het volgende beeld door het vorige, een veel rijkere inhoud opleverde dan het spannendste verhaal, de diepzinnigste filosofie ooit konden doen - in een gedicht, wel te verstaan. Maar een teveel aan inhoud in zijn proza? Men bedoelt dan dat ellenlange redeneringen, die men bovendien nog niet eens ernstig op kan vatten, speelse interrupties die de voortgang van de geschiedenis onderbreken, breed uitgesponnen verklaringen die de zaak steeds troebeler maken, afbreuk doen aan wat men in een stuk proza allereerst verwacht: een verhaal, ja, ook hier weer het verhaal dat in de gedichten er ook al bij inschoot. En zij die protesteren tegen het volkomen gebrek aan eerbied dat Van Ostaijen toont ten opzichte van de zondagswandeling van Het Verhaal, hebben gelijk. Uit de hier vol- | |
[pagina 8]
| |
gende drie grotesken blijkt dit zonneklaar: het verhaaltje in De bende van de stronk b.v. is wel vreemd, maar uiterst simpel en de halve bladzijden die Van Ostaijen gebruikt om het op gang te houden, staan in geen verhouding tot de bladzijden lange redevoeringen, gesprekken en uiteenzettingen, die hij nimmer moe schijnt te worden. Hij durft zelfs nog de spot te drijven met deze zwakte, door dit minimale vertelsel de ondertitel ‘romantisch verhaal van roof en liefde’ mee te geven. En zo is er meer: hij vergeet op het eind van De bende van de stronk domweg zijn hele held, we horen niets meer van de laatste lotgevallen van de stronk, doordat de schrijver zich verliest in een onontwarbare erfeniskwestie en met een abrupt slotakkoord een einde aan de zaak maakt. En bij het volgende verhaal, Het bordeel van Ika Loch, gaat het al evenzo: als we denken nog heel wat te horen of met een knaleffect naar huis te worden gestuurd, staan we doelloos in de luxe kamer van het bordeel naar een nachtvaas met een dieprode roos te kijken en... de schrijver is verdwenen! Nu zijn er mensen die als verklaring voor het wisselvallige tempo van kinderen aanvoeren, dat deze onvolgroeiden geen zin hebben in wandelen, maar in lopen, hollen en stilstaan. Dat is mogelijk. Zo is het ook mogelijk dat Van Ostaijen geen zin had in vertellen, maar in het tekenen van gedachten-arabesken*, in het leggen van onverwachte verbanden en in het speelse associëren. Ja, zelfs dat hij voor het proza in deze arabesken en associaties - zoals | |
[pagina 9]
| |
in de taalvorm van zijn gedichten - veel meer mogelijkheden zag om datgene uit te drukken waar het hem om begonnen was, dan in de rustige en eventueel zelfs onrustige ontwikkeling van een verhaal. Een van de dingen waar het hem om begonnen is, blijkt het steeds terugkerende thema van de ontoereikendheid der logica. In De bende van de stronk zegt hij: ‘Probeer niet tot de wet door te dringen, want zij is metafysisch gegeven en de menselijke mechaniek van het denken ontoegankelijk, denken dat door een stupide logica werd verkreupeld’. En verder bedenke men dat de naam Ika Loch in de volgende groteske een omzetting is van het woord logica. Het ligt voor de hand dat deze ontoereikendheid van de logica eventueel te omschrijven, maar moeilijk tot leven te wekken is in de logische opbouw van een verhaal. Aan de andere kant bestaat de behoefte over deze ervaring der ontoereikendheid te verhalen. Zo worden de vreemde voorkeuren van Van Ostaijen duidelijker: het verhaal blijft noodzakelijk, maar wordt ondergeschikt, gelijk in de middeleeuwse ballade. In de lange uitweidingen waarmee hij zijn vertellingen onderbreekt, borduurt hij door op een bepaalde gedachte of gebeurtenis en wel zo consequent logisch dat alles ten slotte in het absurde eindigt en de logica zichzelf heeft opgeheven. Niet alleen de logica, ook de ernst pleegt in deze grotesken zelfmoord, daar zijn het trouwens grotesken voor. Een meesterlijk voorbeeld hiervan is de toespraak van kardinaal Epernay bij het huwelijk van de stronk, een toespraak die praktisch een | |
[pagina 10]
| |
geheel hoofdstuk beslaat, terwijl we over de huwelijksplechtigheid zelf nagenoeg niets vernemen. Wij zien hierin hoe de dodelijke ernst van de kardinaal er in slaagt het hele bouwsel van de gevestigde moraal als het meest lachwekkende te doen ondervinden. En met de ernst sneuvelt eigenlijk alles. De grotesken zijn dan ook ontstaan in de jaren vlak na de eerste wereldoorlog, in een failliete boedel, toen Van Ostaijen als balling en in moeilijke omstandigheden te Berlijn woonde. Behalve een uiting van eigen onverbiddelijke eerlijkheid bij de noodzakelijk geworden liquidatie van alle schijnwaarden, waren deze grotesken ook een protest tegen de naoorlogse maatschappij. Het duidelijkst is dit het geval met De trust der vaderlandsliefde en De bende van de stronk [merkwaardig is dat zowel van de intelligente schurk uit het eerste verhaal, Dr. Erich-Carl Wybau, als van de dito schurk uit het tweede, Dr. Knackfuss, hetzelfde betreffende hun afkomst gezegd wordt, nl.: een métis, zoon van een Teutoons vader en een inboorlinge van de Canarische eilanden]. Maar door het besef van de betrekkelijkheid aller dingen, óok van protesten, blijft het verzet steeds ironisch, dodelijk ironisch desnoods, en wordt nergens rancuneus. Zelfs het ten tonele voeren van talrijke figuren uit het België anno 1920 onder gewijzigde namen blijft een lichtvoetig spel: de markies de Villalobar, die hier de Mirlitonare heet, ambassadeur van Spanje te Brussel, was inderdaad een ‘stronk’, huwde inderdaad een comtes, maar wordt in het verhaal niet | |
[pagina 11]
| |
persoonlijk aangevallen. Evenmin is dit het geval met Maxeen [burgemeester Max van Brussel], Fernand Neurose [F. Neuray, hoofdredacteur van de Nation Belge], Albert Gigot [A. Giraud], Léon Baudet [Daudet] en vele anderen. Ook kardinaal Mercier komt er als kardinaal Epernay nog genadig af, als we bedenken dat Van Ostaijen wegens een aktivistische betoging tegen deze kardinaal zich gevangenisstraf op de hals had gehaald en mede daarom naar Berlijn vluchtte. Het is inderdaad zoals Gaston Burssens schrijft: ‘De beledigingen zijn meer anoniem; meer algemeen dan een oppervlakkige lezing laat vermoeden’ en: ‘Neen, de belediging is voor geen persoon, maar voor een systeem. Het boek is een groteske over een grotesk systeem’. Ja, het zijn zelfs slechts ten dele beledigingen, zou men er aan toe kunnen voegen, en ten dele is het niet meer dan een speels gesol, een spel van kat en muis met figuren, die ook buiten de groteske nog leven, zoals in De bende van de stronk eveneens onbarmhartig gesold wordt met b.v. de psychoanalyse wanneer ons het comtesje wordt geschilderd ‘bijna alsof zij was geschapen als psycho-analytisch mannequin’. Dat het ernstig gebrek aan gangbare ernst de groteskenschrijver Van Ostaijen nog meer vijanden bezorgd heeft dan de dichter, was te voorzien. Het is dan ook geen toeval dat hij het merendeel van deze verhalen tijdens zijn leven niet heeft kunnen publiceren. Zo is van de hier opgenomen grotesken alleen Het bordeel van Ika Loch [1926] voor zijn vroege dood verschenen. Enige jaren daarna bezorgde Gaston Burssens | |
[pagina 12]
| |
de uitgave van De bende van de stronk [1932] en pas tijdens het verschijnen van het Verzameld Werk werd het laatste verhaal van deze bundel, De gehouden hotelsleutel, gepubliceerd. Uit deze laatste groteske blijkt vooral zeer sterk dat de ironie van Paul van Ostaijen wel degelijk ook fungeerde als uitlaat voor de eigen gespletenheid, daar hierin meer dan elders de persoonlijke problematiek van de schrijver verwerkt zit.
gerrit borgers |
|