De bloeiende tuin(1930?)–Jef Mennekens– Auteursrecht onbekendGedichten voor klein en groot Vorige Volgende Kastanjelaars. Daar doemen op kastanjelaars, naakt, met geweldige armen, die hooploos wegen op de lucht. Waar bleef het mild erbarmen? Zij hebben 't grootste leed verduurd, dat ooit een boom kon dragen. Meedoogenloos bijt in hun bast de guurheid van de dagen. Zij zeggen: Menschen, ziet ons aan, gij die ons grootheid kende; ervaart, hoe wij geslagen zijn, maar trotsch in onze ellende. Vorige Volgende