Aanmerkingen op de Neederduitsche taale
(1653)–P. Leupenius–Van de Bevattselen.DAar hebbt gy het verstand van de letteren, en den aanhang van dien, soo veel wy noodig achten daar ontrent aan te merken: wy komen tot de bevattselen, die wy naar het Grieksche woord soo noemen, om dattet syn seekere woorden of woords deelen, daar eenige letteren worden te saamen gevattet, die met eene oopeninge, of sluitinge van den mond worden voortgebraght, gelyk in on ver an der lyk te sien is. Deese bevattinge of vergaaderinge der letteren wordt by ons spellinge genoemt, een saak daar op wel te letten staat, om dat hier | |
[pagina 25]
| |
ontrent een walgelyke slordigheid gespreurt wordt. Om wel te spellen of de bevattselen rechtGa naar margenoot+ te maaken, moet men voor eerst sorgvuldiglyk acht neemen op de wortelletteren, om deselve in de veranderinge van het woord, soo veel mogelyk is, te behouden, als in handen syn de d, in ringen de g, in leest de ee, in oog de oo, wortelletteren, die moet men niet veranderen, noch schryven hant, rink, lesen, ogen, maar hand, ring, leesen, oogen. Dat moet ook plaatse hebben in die woorden daar twee meedeklinkers in den wortel te saamen komen, die moet men in de buiginge ook behouden, alhoewel eene van de selve kracht genoeug hadde, soo moet men schryven gesellschapp, en niet geselschapp, om dat syn wortel is gesellen, niet geselen. Hy stellt, niet hy stelt, om dat men in den wortel segt, niet ik stele, maar ik stelle, twelke indien het niet om ons, immers om der vreemdelingen wille van nooden is, het is niet genoeug dat wy het weeten, wy moeten ook maaken dattet andere sien konnen, hoe het woord in synen oorsprong geschreeven, en gesprooken wordt. Het tweede dat in de spellingen staat waarGa naar margenoot+ te neemen, is de snydinge van de bevattselen, wanneer verscheidene in een woord vergaadert syn. Wanneer het is een saamengesetted woord, daar verscheidene bevattsels verscheidene woorden syn, soo worden sy in het spellen weederom van elkanderen gesnee- | |
[pagina 26]
| |
den, als in waar om, daar om, wee der om, daar men anders soude moeten spellen, waa rom, daa rom, wee de rom. Syn de bevattsels maar enkele woords deelen, soo moet men deese snydinge volgen. Wanneer een meedeklinker komt tuschen twee klinkers, so behoort sy altyd tot den laatsten klinker, gelyk in wy se, goe de, vroo me. Wanneer tuschen twee klinkeren komen twee meedeklinkers, soo behoort de eerste tot het eerste, en de tweede tot het tweede bevattsel, of sy dan van de selve, of van verscheidene kracht syn, als in sin nen, pot ten, paer den, hon den. Syn dan noch de meedeklinkers van sulken aard, datse te gelyk konnen uitgesprooken worden, soo behooren sy beide, al waarender ook drie, tot het volgende bevattsel, soo spelltmen be klaa gen, be drie gen, be spree ken. Doch alsoo onse taal groot behaagen heeft Ga naar margenoot+in de kortheid, soo worden somtyds eenige letteren, somtyds ook geheele bevattselen afgebrooken, welkers opmerkinge grootelyks tot grondige kennisse onser taale van nooden is. Dat geschiedt somtyds in het beginn van een woord, als tis voor het is, savonds voor des avonds. Somtyds in het midden, als altyd voor alle tyd, somtyd voor sommiger tyd, Amsterdam voor Amstelerdam. Maar allermeest vallt dit voor op het einde, in sulke woorden die met een klinker eindigen, daar meede de Rymers en Dich- | |
[pagina 27]
| |
ters sik weeten te behelpen, geeft ook een aangenaame kortheid, ik leer voor ik leere, ik begeer voor ik begeere. De soetvloeijentheid vereischt ook Ga naar margenoot+somtyds dat de woorden uitgerekkt, en de bevattselen vermeerdert worden, als mann manneken, pad padeken, kind kinderen, lamm lammeren. Maar sulk een rekkinge wordt somtyds seer onaardig gebruikt, insonderheid van den Dichteren, om haare voetmaaten te vinden, die spellen somtyds ellyk, vollyk, arrem, arrebeid, voor elk, volk, arm, arbeid: sy verlammen de woorden, en wanneer men se buigen sall, bevindt men dat heur geweld is aangedaan. |