Aanmerkingen op de Neederduitsche taale
(1653)–P. Leupenius–Het Eerste Deel.Van de Letteren.DE eerste Hoofdstoffen van de Neederduitsche (gelyk ook van alle andere taalen) syn de Letters, dat syn besondere teekenen die een seeker geluid of kracht van uitspraak te kennen geeven, welker geluid en kracht iemand moet kennen eer hy een taale recht kan leeren spreeken. Om de Letteren wel te kennen, moeten wy die aanmerken in haare gestalte, getall en kracht. Wy hebben tweederleije gestalten van Ga naar margenoot+Letteren, groote en kleine: De groote worden | |
[pagina 10]
| |
Hoofdletteren, of Voorletteren genaamt, om datse in het hoofd van een reeden, of van eenen eigenen naam gebruikt worden. Haare gestalte wordt dus onderscheiden, A B C. de kleine, en gemeene, die deurgaans gebruikt worden, vindtmen dus geschreeven, a b c. Ga naar margenoot+Het getall der selver wordt gemeenlyk begrootet op vier en twintig Letteren, met naamen, a b c d e f g h i k l m n o p q r s t u w x y z. Tot dit getall gebiedt ons het gebruik noch twee Letteren toe te doen, te weeten, de j en de v, die men je en va mogte noemen, naar de maniere van andere meede-klinkeren, waar onder sy behooren, en soo souden wy hebben ses en twintig Letteren. Maar hier oover komt ons voor deese bedenkinge, dat wy de q wel souden konnen missen, die sulke taalen alleen van nooden hebben, die geen k gebruiken: Maar onse Neederduitsche taal kan die seer wel ontbeeren, want sy heeft geen andere kracht, dan die met kw gevoeuglyk en volkomelyk kann uitgedrukkt worden. Waarom soude de k niet soo wel een w by sik mogen neemen, als andere Letters van den selven aard? waarom soudemen soo wel niet mogen schryven kwaader, als swaager? kwaalen, als dwaalen? kwetsen als swetsen? kwee peeren, als twee peeren? Ga naar margenoot+Naa het getall komt in aanmerkinge de kracht van de Letteren, en volgens de selve worden sy verdeelt in twee soorten, klinkers, en meede-klinkers. | |
[pagina 11]
| |
Van de Klinkeren.DE meeste kracht hebben de Klinkers, alsoo genaamt, om datse van sik selven Klinken, en met haaren naame haar eigen geluid voortbrengen, en syn vyf in ’t getall, a e i o u. Deese Klinkers worden somtyds kort, of haastig uitgesprooken, niet alleen daar sy tuschen twee meede-klinkeren worden ingebonden, maar ook daar sy op haar eigen geluid blyven staan. Van het eerste hebbt gy een bewys in matt, met, mist, most, mugg. Van het andere in Kaneel, bedryf, saalige, Salomon, Absolon, schaduwe, weduwe. Somtyds worden sy langsaam voortgebragt, niet alleen daar sy op haar eigen geluid staan, als in maaken, breeken, kyken, loopen, huuren: maar ook daar sy tuschen twee meedeklinkeren beslooten worden, als in maand, meer, myn, moord, muur. Waar nu deese Klinkers kort of lang moeten uitgesprooken worden, kann door geen teekenen onder of booven de letteren beduidt worden: want onse Neederduitsche taal heeft sulke teekenen niet, als wel de Hebreeusche, en de Grieksche, gelyk wy te syner plaatse daar van sullen spreeken. Dit onderscheid moet by ons dan alleen gemaakt worden door verdobbelinge: daar men eene Klinker alleen vindt staan, moet sy haastig, daar sy dobbel is, langsaam uitgesprooken worden. Soo schryven wy taafel en waapen, tot onderscheid van manier, Kasteel, Eesel en leepel, tot onderscheid van ge- | |
[pagina 12]
| |
sell en bevel. Hoe veel aan dit onderscheid geleegen is kanmen tot een proeufken sien in beedelen en bedeelen, wanneer men meinde niet meer dan eene e van nooden te hebben, en sonder onderscheid willde schryven bedelen, men soude niet weeten waar beedelen of bedeelen moest geleesen worden. Ontrent deese verkortinge, of verlanginge van de Klinkeren, staan twee dingen waar te neemen. Voor eerst, dat men de korte niet moet verdobbelen, noch de lange niet enkel stellen, dat is een seer gemeene wett die groote vastigheid in het schryven veroorsaakt. Hier teegen wordt van veelen gesondigt, die, ofte om gereedigheid, ofte om datse meinen niet meer dan eene letter van nooden te hebben, slechts een enkele Klinker setten daar sy dobbel behoort te weesen, en schryven, moij, hoij, lesen, Here, daar men soo om de klank maat, als om het gevolg, moet schryven, mooij, hooij, leesen, Heere. Nochtans kann het gebeuren dat een Klinker enkel gestellt wordt, om de wortelletteren te behouden, die nochtans moet langsaam voortgebragt worden: soo schryft men dagen, paden, wegen, gebeden, Goden, geboden, om dat die woorden in haaren oorsprong niet meer dan eenen Klinker hebben, dag, pad, weg, gebed, God, gebod. De wortel letteren noemen wy, uit de welke een woord in synen oorsprong bestaat, de andere die in de buiginge of vervoeuginge toevallen syn dienstbaare letters, die dan voor de wortel letteren moeten wyken. | |
[pagina 13]
| |
Soo worden hier ook uit genoomen de eigene naamen van vreemde taalen, by den welken deese verdobbelinge der Klinkeren niet gebruiklyk is, gelyk in Moses, Samuel, Debora. Het tweede, dat in de verlanginge der Klinkeren staat aan te merken, is, dat elke Klinker moet verlangt worden met eenen Klinker van den selven naame, een a met een a, een e met een e, schryvende daar, maar, niet daer, maer, en soo met allen Klinkeren. Hier in is het gemeen gebruik een louter misbruik: want wanneer twee Klinkers van verscheidenen aard te saamen gevoeugt worden, dan syn het niet meer Klinkers, maar twee klanken, waar van wy nu besonderlyk sullen spreeken. Twee klanken bestaat uit twee KlinkerenGa naar margenoot+ van verscheiden geluid, welker geluid soo te saamen wordt gesmolten, dat een derde geluid daar uit gebooren wordt, en syn deese naavolgende: ae, ai, au, ei, eu, eui, eeu, ie, ieu, oi, ou, oeu, ui. Tot meerder klaarheid sullen wy elk int besonder wat naarder oopenen. De ae maakt geen lange a, gelyk dat by gewoonte is opgenoomen: maar een gemengeld geluid, dat van beide de letteren iet meededeelt, dat gehoort wordt in het blaeten der schaapen, en is in de plaatse van de Latynsche ae. Soo moet men schryven aerde, paerden, swaerden, waereld, paerel, of liever waerld, paerl, waerde, hoovaerdig. De ai wordt volmondig gehoort in Saai- | |
[pagina 14]
| |
jen, en maaijen, en wat weer gebrooken in airen koorn, en hairen des hoofds. De au hebben wy in snauwt, en wat langer in graauw, blaauw. De ei in leiden, weiden, en wat langer meer geboogen in beir een dier, heir een leeger, en meir een staande waater. De eu in deugd, jeugd, vreugd: de eeu in leeuw: de eui in leui: de ie in die: de ieu in hieuw: de oe in doe: de oei in groeijt: de oi in mooy: de ou in vrouw: en daar van komt noch een dobbele tweeklank, die gehoort wordt in boeuk, broeuk, doeuk, daar het geluid van de e tuschen de o en u merkelyk uitsteekt. De ui maakt sulken klank, als in huis, luis, muis gehoort wordt, en wordt quaalyk van sommigen gebruikt in huir, muir, uir. | |
Meedeklinkers.NAa de Klinkeren komen in aanmerkinge de Meedeklinkers, alsoo genoemt, om datse niet door sik selven, maar door behulp van de Klinkeren konnen uitgesprooken worden, en syn deese naavolgende, b c d f g h j k l m n p q r s t v w x z. Deese worden verdeelt naar haare gedaante, en naar haare kracht: ten aansien van haare gedaante syn sy enkele, als b c d f g h j k l m n p q r s t v, of dobbele, als w x z. De kracht van alle de Meedeklinkeren kan men afneemen uit haare benaaminge: want soo sy genoemt worden, beweegen sy den mond in het uitspreeken, en ten dien opsigte | |
[pagina 15]
| |
konnen sy verdeelt worden in staande, en vloeijende: Staande, daar de meedeklinker blyft staan naa den klinker, als f l m n r s x. Vloeijende, daar de meedeklinker tot den klinker weg vloeijt, als b c d g h j k p t v w z. Om deese kracht beeter te verstaan, sullen wy de selv toonen van een iedere letter int besonder, en eerst beginnen van de enkele, om alsoo te komen tot de dobbele, soo als sy in onsen a b c elkanderen achtervolgen. De b heeft groote gemeenschapp met de p,Ga naar margenoot+ anders dan dat de b in het uitspreeken de lippen wat slapper oopen doet dan de p. De c heeft by ons geen ander gebruik, dan om de h een sterker uitblaasinge te geeven, dan sy van de g of h bekomen kann, als in lichaam, menschen, schaapen, dat men quaalyk soude schryven lihhaam, mensgen, sgaapen. Ons dunkt dat men de c geheel soude konnen ontbeeren, wanneer men een ch in de plaatse hadde, gelyk de Hebreeusche en Grieksche, die men dan in de rije van de dobbele letteren mogte stellen: maar soo lange men niet goed vindt nieuwe letteren in te voeren, soo moet men sik met de oude behelpen: doch niet buiten de kracht van haare eerste instellinge. Tis dan buiten alle grond dat men se tweederleije kracht willt toeschryven, eerst van een k, daar sy voor a, o, u, of voor een meedeklinker gestellt wordt, als calf, cost, cunst; maar weederom voor een e, en i, de kracht van een z, als cyferen, cidderen, cieren. | |
[pagina 16]
| |
Soo weinig reeden heeft het ook, dat men se onnoodig gebruikt, daar sy geen kracht noch dienst doen kan, gelyk sy gemeenlyk gestellt wordt voor een k, ick, maack, Kercken, daar niet meer dan eene k van nooden is, om de kracht van het geluid uit te drukken. Wanneer de k dan noch moet versterkt worden, dat moet niet geschieden door een c, maar door een k, en men moet niet schryven stocken, blocken, stucken, krucken, maar stokken, blokken, stukken, krukken. De d heeft groote gemeenschapp met de t, sy slaan alle beide de tonge teegen de tanden, en trekkense met der haast daar van af: doch de d wat slapper dan de t. Soo veel verschillen oock f en v, of wel de f een staande, en de v een vloeijende meedeklinker is: nochtans syn sy in het gebruik elkanderen seer gelyk, of sy voor of naa den Klinker komen, beide trekken sy de onderste lippe teegen de boovenste tanden, maar de f met sterker beweeginge dan de v. De g komt met eenen sterken aassem uit de keele voort, niet als een j, gelyk dat seer gemeen is: soo schryft men meisgen, viertgen, en spreekt nochtans de woorden uit meisjen, viertjen. Onse Neederduitsche taal is platt, sy spreekt de letteren gelyk sy die noemt. De h is niet meer dan een slechte toeblaasinge, en wordt in andere taalen, die klankteekenen hebben, voor geen letter gereekent: maar by ons, dien sulke klankteekenen ongewoon syn, moet sy voor een letter staan. | |
[pagina 17]
| |
Sy wordt ook niet onder den Klinkeren, maar meedeklinkeren getellt, om datse niet van sik selven, maar niet anders dan door het behulp van een klinker kann voortgebragt worden. De j spreeken wy uit, niet met een s voor aan naar de Fransche maniere, die sjean, sjaques seggen, maar als een enkele meedeklinker, sachtelyk vloeijende tot den volgenden klinker, als in jagt, jokk, jeugd. Sy wordt nochtans somtyds achter de i klinker gestellt, en met de selve tot een dobbele letter gemaakt, die in sulker gestalte wordt geschreeven ij, die nochtans geen plaatse heeft, dan daar een klinker volgt, of het gevolg van een wortelletter wordt te kennen gegeeven. Soo schryft men hooij, mooij, groeijt, bloeijt, om dat men in de buiginge van die woorden seggt hooijen, mooijen, groeijen, bloeijen. Op de k l m n p r hebben wy niet besonders aan te merken, om datse by ons de selve kracht hebben, als in andere taalen daar sy in gebruik syn, noch lyden geen veranderinge. Maar van de q hebben wy alreede met reeden getoont, dat wy die wel ontbeeren konnen; dunkt dan noch iemand die nieuwigheid al te groot te syn, wy mogen lyden dat sy in gebruik blyve, willen de selve ook soo lange behouden, tot dat ons gevoelen wordt voor goed gekeurt, kann eevenwel niet uitgesprooken worden dan door behulp van een u: Soo dat sy eigentlyk niet meer is dan een halve Letter. | |
[pagina 18]
| |
De s komt in naauwe gemeenschapp met de z, die daarom by sommigen sonder onderscheid gebruikt worden, doch heel quaalyk: want dan souden wy de eene of de andere konnen ontbeeren, die wy nochtans alle beide van nooden hebben, en is groot onderscheid tuschen beiden. De s houden wy dan voor een enkele letter, gelyk sy van de eerste Instellers op haare rije onder de enkele letteren gestellt wordt, kann ook, naar den aard van alle enkele letteren, voor alle meedeklinkeren gebruikt worden: haare kracht is met een sacht suisen uitgesprooken te worden, als in soetigheid; saaligheid. Datse dan noch somtyds wat scherper voor komt, dat is in eenige uitheemsche naamen, als Samuel, Simpson: of wanneerse van den bystaanden Meedeklinker wat meer kracht ontfangt, als in menschen, schande. In t en v hebben wy niet anders aan te merken, dan het teegendeel dat van de d en f geseidt is. Dit syn tot noch toe geweest enkele meedeklinkers, welke, wanneer het nood doet, konnen verdobbelt worden met heures gelyken, als in krabben, hadden, messen, wetten. Hier worden nochtans uitgesondert de c en h, die door heures gelyken niet konnen verdobbelt worden: de c door een ch, als in lacchen: de h door een c, als in lucht, vrucht. | |
[pagina 19]
| |
Somtyds komen ook wel twee of drie Meedeklinkers by elkanderen, die, van verscheidene kracht synde, te gelyk worden uitgesprooken, als in blank, bruin, stryken, spreeken. Beneffens deese enkele, hebben wy nochGa naar margenoot+ eenige dobbele Letteren, die van de eerste Instellers tot op het laatste bewaart syn, die vier in getall syn, w x y z. De w is niet anders dan een dobbele v, en behoorde wa genaamt te worden, om met haaren naame ook haare kracht uit te drukken: want sy wordt niet uitgesprooken als een f, dat anders de verdobbelinge van de v schynt te vereischen, maar als u u, als in waar, wie, wat. De x doet soo veel als ks, die wy daarom nochtans niet verwerpen mogen als de q, die andere taalen, door gebrek van de k, hebben aangenoomen, welk gebrek sy by ons niet behoeuft te vervullen: maar met de x heeft het een heel andere geleegenheid: want of wy de kracht van de selve door twee meedeklinkeren ten vollen konnen voldoen, soo heeft het nochtans den Voorouderen behaaght, de selve met de Grieksche taale te behouden, die soo wel een k en s heeft als wy. Daar is ook meer soetigheid en kortheid in eene dobbele, dan in twee enkele letteren geleegen: haar kracht wordt gesien in blixem. De y is een dobbele klinker, en heeft anders geen gebruik, dan om te bewaaren de plaatse van een lange i, is nochtans een | |
[pagina 20]
| |
groot onderscheid tuschen haar, en de ij, daar hier vooren van gesprooken is: want de y doet soo veel, als twee klinkers, de ij, als een klinker en een meedeklinker. De y behoort nergens gestellt te worden, dan tuschen twee meedeklinkeren, als in myn, syn, tyd, spyt; ofte daar sy op het einde sonder gevolg blyft staan, als in by, my, wy, sy. De ij moet niet gestellt worden dan tuschen twee klinkeren, als in saaijen, maaijen; of daar sy, op het einde blyvende, nochtans het gevolg van een andere klinker te kennen geeft, als in hooij, mooij. De laatste Letter is de z, en heeft de kracht van twee meedeklinkeren, ds, of ts: soo wordtse gebruikt in alle andere taalen, en dat het de meininge van den eerste Instelleren is geweest heur de selve kracht te geeven, blykt daar uit, dat sy ten naasten by den selven naam, en het selve maaksel behouden hebben, als ook, om datse de selve stellen, niet onder de enkele, maar dobbele Letteren. Doen dan deese Letter groot ongelyk, die de selve minder kracht toe schryven dan de s, of immers sonder onderscheid voor de selve gebruiken. | |
Letterstippen.TOt de kennisse der letteren behoort ook de aanmerkinge van de Letterstippen, die niet anders syn dan aanhangselen van de letteren, die noodsaaklyk moeten voorgaan, | |
[pagina 21]
| |
eer dat wy komen tot breeder verhandelinge. Wy hebben dan in onsen Neederduitschen drukk eenige Letterstippen of teekenen, die de hoedaanigheid, niet van de Letteren, maar van de reedenen te kennen geeven, en syn deese naavolgende. Dit (/) beteekent een sneede, waar meede een reeden in seekere gedeelten door gesneeden wordt. Dit teeken ( ) is een tuschenstellinge, die te kennen geeft, dat die reeden, tuschen dat teeken beslooten, tuschen beiden is ingeworpen, en, sonder den sinn te krenken, wel kann uit gelaaten worden. Dit teeken (:) geeft te kennen, dat de reeden maar ten halven gebraght is, en dat in het volgende de reeden, of het teegendeel sall getoont worden. Daar dit teeken (.) gevonden wordt, daar hebbt gy het slot van de reeden. Dit teeken (?) stellt men, daar iet gevraaght wordt. Maar dit (!) voeugt men achter een uitroepinge, of verwonderinge. Deese teekenen neemen wy aan voor de onse, al hoewel wy die met anderen gemeen hebben: syn ook tot onderscheid en tot zieraad seer dienstig. Maar wy verwerpen sulke teekenen, die van buiten syn ingevoert, die onse taale niet eigen, maar van anderen ontleent syn, die wy ook niet van nooden hebben. Soodaanig achten wy voor eerst het be- | |
[pagina 22]
| |
kortsel &c, ofte etc, daar meede men willt te kennen geeven, datter noch veel diergelyke dingen souden konnen by gebragt worden, die om de kortheid worden naagelaaten. Dat het selve geen Neederduitsch, maar een Latynsch teeken is, bewyst genoeug het maaksel selve, ook wanneer het alreede op het Neederduitsch geschreeven wordt. Wy hebben het ook niet van nooden: want het is niet anders te seggen, dan, en soo voorts, en de ooverige, en diergelyke. Meint nu iemand, dattet om syne kortheid te prysen is, soo moest men ook prysen alle die bekortingen, waar van de boeuken der Paapen voll syn, die nu nochtans, om het groot belettsel datse veroorsaaken, geheel verworpen syn. Het is geen volmaaktheid, maar een bedervinge van de taale. Willt dan noch iemand sulken bekortinge gebruiken, laatse ons eigene, dat is, Neederduitsch syn, en men magse dan schryven end, of ens. Soo hebben sommige ook van buiten ingevoert eenige teekenen, die booven de Letteren gestellt worden, om de verhooginge of verlaeginge van de selve te kennen te geeven, en schryven vreede, en vréése: hóópen, meenigte, en hoopen, verwachten: kool, vier, en kóól, moes. Tis teegen de aard van onse taale, haare beteekenisse is seer onseeker, alsoo de uitspraak seer twyfelachtig is, en het onderscheid van de woorden en uitspraak kann soo | |
[pagina 23]
| |
haast geleert worden van het gebruik, als van die teekenen: noch niemand vermag de selve op syn eigen hand in te voeren, eer sy door een gemeene wett syn vast gestellt, en voor goed gekeurt. Dat selve oordeelen wy ook van twee andere teekenen, het eene dus geschreeven (-) int midden van de Letteren, om twee woorden aan elkanderen te hechten: het ander dus (’) booven aan, om een afbreekinge van eenige Letteren, of bevattselen aan te wysen. Dattet geen Neederduitsche teekenen syn, oordeelen wy daar uit, om dat sy tot noch toe in geen Neederduitsche gestallte gedrukkt syn, een seeker bewys, datse by den eersten Neederduitschen Schryveren niet syn bekennt geweest. Dat wy de selve ook wel ontbeeren konnen, blykt daar uit, dat sy dikwyls sonder eenige swaarigheid worden naa gelaaten, als in waarom, daarom, dikwyls, meenigmaal, somtyds: daar anders beide die teekenen van nooden waaren, een afbreeksel achter som’, dat gestellt wordt voor sommiger, en een aanhechtsel daar after, om sommiger en tyds aan elkanderen te hechten, in sulker gestaltenisse, som’-tyds, die veel gemakkelyker worden uitgelaaten. Meint dan noch iemand datse noodsaaklyk syn, soo moet over all eenpaarigheid onderhouden worden, noch sy moogen nergens uitgelaaten worden, daar sulk een aanhechtinge of afbreekinge staat waar te nee- | |
[pagina 24]
| |
men, en soo sall men in eene reeden dikwyls meer teekenen hebben dan woorden, twelke een ieder een wel sien kann, wat een onzierlykheid in den drukk, en wat een verbysteringe voor de oogen dat het soude veroorsaaken. Naademaal dan het gebruik of naalaatinge der selver soo ongewiss en twyfelachtig is, soo is het raadsaamer en seekerder de selve altoos naa te laaten. Die onse taale leeren willen moeten doch eevenwel onderweesen worden wat enkele, wat saamengehechte of afgebrookene woorden syn, twelke geleert hebbende, sullen die teekenen niet eens behoeven. |
|