| |
| |
| |
XII.
‘Mijnheer Heykamp, kan ik u een oogenblik alleen spreken?’
‘Zeker, mijnheer Alfering. - Borks, wil u ons even alleen laten?’
De jonge rechercheur stond op en verliet de kamer. De deur trok hij achter zich dicht.
‘U wenscht mij dus te spreken?’ vroeg de heer Heykamp.
‘Ja mijnheer. Is het waar, dat u gekomen is om mevrouw Banders in voorloopige hechtenis te stellen?’
‘Ja, dat is zoo.’
‘Dus u meent voldoende bewijzen tegen haar te hebben?’
‘Daar ben ik van overtuigd. Verschilt u met mij van opinie?’
‘Zeer beslist, mijnheer. Zij is onschuldig.’
Een glimlachje kwam op de lippen van den rechercheur.
‘U is niet onbevooroordeeld, waarde heer,’ zei hij. ‘Volgens mij staat haar schuld vast, òf als daderes, òf als medeplichtige van Van Derbent, die reeds ingesloten is. Sedert een paar uur bevindt hij zich in hechtenis.’
‘Ten onrechte,’ zei Leo. ‘U is op een verkeerd spoor. De ware dader bevindt zich nog op vrije voeten.’
‘U laat uw hart te veel spreken, mijnheer Alfering. De bewijzen tegen mevrouw Banders en Van Derbent zijn verpletterend...’
| |
| |
‘Heeft deze bekend?’ viel Leo in.
‘Neen, integendeel, hij ontkent het ten stelligste, maar ik ben er van overtuigd, dat dit maar een kwestie van uren is. Zooals u weet, begon hij met àlles te ontkennen, zelfs dat hij op het oogenblik van den moord hier op de plaats is geweest. Hij zal wel door de mand vallen, en mevrouw Banders eveneens. Daar ben ik zeker van.’
‘Ik ben zeker van niet,’ zei Leo, ‘want ik weet, wie de dader is. Hij heeft het wel niet bekend, maar hij is ook nog niet in staat van beschuldiging gesteld, dus dat kon nog niet.’
De rechercheur keek op zijn horloge.
‘Nog een half uur,’ zei hij, zonder Leo te antwoorden.
‘Mijnheer Heykamp, ik moet mij verzetten tegen de in-hechtenis-neming van mevrouw Banders.’
‘Uw verzet zal u niet baten, mijnheer. U is hier geen officiëel persoon, en ik moet doen, wat mij bevolen is.’
Bij die woorden legde hij het bevelschrift, om haar gevangen te nemen, voor Leo op de tafel.
‘O, ik twijfel niet, of u doet niets anders dan uw plicht, mijnheer,’ zei Leo, ‘maar er heerscht hier een afschuwelijk misverstand, dat voor mevrouw Banders bij den tegenwoordigen staat van haar gezondheid de noodlottigste gevolgen kon hebben. Daarom verzoek ik u met nadruk, om een kort uitstel. Ik zal den Officier van Justitie telefoneeren, wat het resultaat is van mijn onderzoek, en hem met drang uitnoodigen, dadelijk hier te komen. Als u het goedvindt, zal ik het dadelijk doen, en Arend, den chauffeur, met den auto uitsturen, om hem te halen. Wil u tot zoolang wachten?’
‘Zeker, ik zal de nadere bevelen van den Officier afwachten, maar ik vrees, dat het u niet baten zal. U vecht tegen windmolens; de teerling is geworpen.’
| |
| |
‘Wij zullen zien,’ zei Leo, hoogst opgewonden. Hij verliet de kamer, om zich telefonisch met den Officier in verbinding te stellen, wat hem dadelijk gelukte. Hij verzocht hem met den grootsten aandrang, dadelijk mede te willen komen met den auto, die hem gezonden zou worden om hem af te halen, ten einde een groot onheil te voorkomen, omdat zoowel mevrouw Banders als Nic van Derbent onschuldig waren. Tevens verklaarde hij, den waren dader te kennen en te hopen, dat het hem gelukken zou, dien te ontmaskeren.
Eerst scheen de Officier niet veel lust te hebben, aan zijn verzoek te voldoen en zijn vrijen Kerstdag op te offeren voor een verloren zaak. Het rapport van den heer Heykamp had hem overtuigd, dat deze de schuldigen op het spoor was en dat de bewijzen tegen hen verpletterend waren. Maar op aanhoudend aandringen van Leo gaf hij eindelijk toe en beloofde te zullen komen.
Toen spoedde Leo zich naar Arend en droeg hem op, den Officier te gaan halen. Vijf minuten later reed deze reeds de oprijlaan af.
In het Huis heerschte de grootste spanning. Het personeel stond bij elkander geschoold en Jean liep, met den jongeren rechercheur, de bovengang op en neer. De brave huisknecht zag bleek en bepleitte met vuur de onschuld van zijn mevrouw.
‘Neen neen,’ herhaalde hij wel honderd keer, ‘zij kàn het niet gedaan hebben. Zij is zoo goed, zoo lief, neen mijnheer, 't is een onmogelijkheid. Ieder ander zou ik er eerder toe in staat achten, dan haar.’
‘Is Wout nog in de kamer daar?’ vroeg Leo, toen hij van de garage terugkeerde.
‘Ja mijnheer.’
Leo wendde zich tot den rechercheur en zeide:
| |
| |
‘Het wachten mocht hem eens wat lang vallen, mijnheer. Wil u wel zoo vriendelijk zijn te zorgen, dat hij zich onder geen voorwendsel verwijdert? Straks komt de Officier, en die wenscht hem nog een keer te hooren.’
‘Ik zal er voor zorgen, mijnheer,’ was het antwoord. Maar toch waren vier oogen vragend op Leo gericht. Kwam de zaak misschien in een nieuw stadium?
Leo gaf echter geen nadere verklaring van zijn opdracht en begaf zich weer naar den heer Heykamp, die zich nog in de andere kamer bevond.
‘Wel, is u geslaagd?’ vroeg deze.
‘Ja, 't heeft mij wel moeite gekost om hem over te halen, maar eindelijk heeft hij toch beloofd te zullen komen. De auto is reeds op weg om hem te halen.’
‘Met Arend als chauffeur?’
‘Ja.’
‘Houdt u hém voor den schuldige?’
‘O neen, in het geheel niet. Den waren schuldige zal ik u straks in levenden lijve vertoonen, hoewel hij zelf in het minst niet vermoedt, dat hij verdacht wordt. Ik twijfel dan ook niet, of het zal moeite kosten om hem tot een bekentenis te brengen.’
‘Dat zal wel, collega,’ zei Heykamp met een fijn lachje, want hij was er ten volle van overtuigd, dat Leo zich vergiste.
‘Mocht het noodig zijn, kan ik daarbij dan op uw hulp rekenen?’ vroeg Leo. ‘U heeft meer ervaring dan ik.’
‘Kan ik eventueel op uw hulp rekenen, om mevrouw Banders tot een bekentenis te brengen?’ was de wedervraag.
‘Dat is heel wat anders, - maar zooals u wil.’
Heykamp stak den jongen man de hand toe.
‘'t Was niet kwaad bedoeld,’ zei hij. ‘Als het werkelijk
| |
| |
blijkt, dat de vergissing aan mijn kant is, zal ik niet zoo kinderachtig zijn u mijn hulp te weigeren, dan kunt u ten volle op mij rekenen.’
‘Dank u,’ zei Leo, terwijl hij de toegestoken hand krachtig drukte.
Er werd verder over de zaak weinig gesproken. Leo vertelde, hoe het hem gelukt was, den juweelendief in Londen te ontmaskeren, van welk geval de rechercheur reeds een uitgebreid verslag in de vakbladen had gelezen, en hij feliciteerde hem met het buitenkansje, dat hem te beurt was gevallen.
Eindelijk kondigde auto-getoeter de komst van den Officier aan, en weldra trad deze bij hen binnen. Na een korte begroeting nam hij tusschen de beide detectives aan de tafel plaats en vroeg, wat er aan de hand was.
‘Zijn er nieuwe gezichtspunten?’ vroeg hij, Leo aanziende.
‘Ja mijnheer de Officier, volgens mijn stellige overtuiging bevindt zich de ware dader in de kamer hiernaast.’
‘Wie is het?’
‘Wout Wilderbeek, de jager.’
De heer Heykamp sprong verrast op.
‘Wie? Wout de jager?’ riep hij uit. ‘Maar die komt heelemaal niet in aanmerking. Niemand koestert eenig vermoeden tegen hem!’
‘Jawel, - ik,’ zei Leo. ‘Mijnheer de Officier, heeft u aan mijn verzoek voldaan en den dolk meegebracht?’
‘Hier is hij,’ was het antwoord. Hij legde het wapen, zorgvuldig in papier verpakt en verzegeld, op de tafel.
‘Dank u. Vindt u goed, dat Wout wordt voorgebracht?’
‘Dat is te zeggen: op welke gronden beschuldigt u hem?’
| |
| |
‘Dat kan het best uit het verhoor blijken. Mag ik hem laten komen? En mag ik hem ondervragen?’
De Officier gaf door een ontevreden gebrom toestemming.
Een oogenblik later verscheen Wout, binnengeleid door den jongeren rechecheur. Hij trad vrijmoedig tot voor de tafel en maakte een linksche buiging, doch op zijn lippen speelde een listig, maar bijna onzichtbaar glimlachje.
Het ontging Leo niet.
‘Wout,’ sprak Leo, ‘het is den rechercheur gelukt, de vermoedelijke daders van den moord te ontdekken, en op last van den heer Officier van Justitie, die hier naast mij zit, is hij gekomen, om een van hen naar den Haag te vervoeren en in voorloopige hechtenis te stellen. Maar vóór hij daartoe overgaat, zou hij graag willen, dat je nogmaals verslag gaf van je surveillance door de plaats van gisteravond. Kun je niet vermoeden, wie een van de schuldigen is?’
Wout trok zijn schouders op en gaf geen antwoord. Zijn houding was echter als van iemand, die wel wat wist, maar het niet wilde zeggen.
‘Niet?’ vroeg Leo.
Weer hetzelfde gebaar van Wout, maar thans scheen hij te willen spreken. Hij keek Leo aan en opende reeds den mond, doch op hetzelfde oogenblik bedacht hij zich en neep zijn lippen weer strak op elkander.
‘Vertel dan nog eens je tocht van gisteravond,’ hernam Leo. ‘Je was dus in den hertenkamp, niet waar?’
‘Ja, mijnheer.’
‘En toen zag je op de oprijlaan iemand half verborgen achter een boom staan. Zeg mij eens, hoe kon je hem zien, door den dichten sneeuwjacht heen? Ik was op dat oogenblik ook buiten, maar 't was zoo donker, dat ik geen hand voor oogen zien kon.’
| |
| |
‘Dat was het ook, mijnheer, maar ik liep vlak langs het hek en was dus maar een paar meter van hem verwijderd, en er viel juist een lichtbundel op hem, die kwam door een kier tusschen de gordijnen van de bovenkamer.’
‘Juist, nu begrijp ik het. Wiens kamer is dat? Of weet je dat niet?’
‘Jawel, mijnheer, want ik ben goed met het huis op de hoogte. 't Was mevrouw's kamer.’
‘Ben je daar dan wel eens geweest?’
‘O ja, Annie Trimage heeft mij het heele huis wel eens laten zien, als mijnheer en mevrouw uit waren.’
‘Zoo, dus je hadt verkeering met haar?’
‘Neen, verkeering niet, - zoover kwam het niet, maar we liepen toch wel met elkaar.’
‘En nu niet meer?’
‘Neen mijnheer, den laatsten tijd niet meer.’
‘Waarom niet?’
‘Er was een verkoeling tusschen ons gekomen, meer kan ik er niet van zeggen.’
‘Van jou of van haar kant?’
‘Niet van mijn kant, mijnheer. Annie was veranderd.’
‘Zoo. En toen ben je den hertenkamp uitgegaan, om je naar den man te begeven, die achter den boom stond?’
‘Ja, maar toen zag ik plotseling licht in den theekoepel, achter in de plaats. Dat vond ik vreemd...’
‘Juist, Wout, maar weet je, wat ik vreemd vind?’
Wout keek Leo vragend aan, maar zijn houding begon eenige onrust te toonen.
‘Niet? Dan zal ik het je zeggen. Ik vind het vreemd, dat je toen de vrouw niet hebt opgemerkt, die door het kreupelhout sloop. Zij kwam uit de richting van den koepel en sloop naar het huis, waarin zij door de deur van de Oranjerie verdween. Die vrouw móét je gezien hebben, Wout,
| |
| |
want op het oogenblik, dat jij uit den hertenkamp kwam, was ze bijna vlak bij je. Waarom heb je ons dat verzwegen bij je verhoor op gisteravond?’
Wout zweeg en zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
‘Spreek, Wout, waarom heb je dat verzwegen? Omdat het mevrouw Banders was, je meesteres?’
‘Ik heb haar niet gezien, mijnheer. Al mijn aandacht was gevestigd op het licht, dat ik in den koepel zag schijnen.’
‘Je liegt, Wout, je móét haar gezien hebben.’
‘Nee, mijnheer, ik heb haar niet gezien. Zij moet daar vroeger of later geweest zijn dan ik, als zij er althans geweest is.’
‘Zij was daar op hetzelfde oogenblik als jij, Wout. En toen had de moord nog niet plaats gehad, niet waar? Zoo heb je althans gisteravond verklaard.’
‘Dat is ook zoo, mijnheer, want dan zou ik het lijk reeds toen hebben gevonden. Zooals u weet, lag het vlak voor het hek van den hertenkamp.’
‘Weet je zeker, dat je de waarheid spreekt, Wout? Je verklaringen zijn van het grootste belang, want juist mevrouw Banders is een van de verdachten en straks zal zij gevangen genomen worden. Treft je dat niet diep, Wout? Ze was immers een goed meesteres voor je, en is je moeder menigmaal tot troost geweest.’
Wout zweeg, maar hij bewoog zenuwachtig zijn handen en staarde naar eenzelfde punt op den parketvloer.
‘Toen ben je van plan veranderd, niet waar, en naar den koepel gegaan om te zien, wie zich daar bevond?’
‘Ja mijnheer.’
‘Welnu, op je weg daarheen moet je den tweeden ernstig verdachte hebben ontmoet, of misschien was hij nog in den koepel, - een heer, Wout, dien je zeer goed
| |
| |
kent, want je hebt met hem en mijnheer Banders wel gejaagd op de plaats.’
‘Mijnheer Van Derbent? Neen, ik heb hem niet gezien en evenmin ontmoet. Maar dat behoefde ook niet, mijnheer, want hij kan de achterplaats doorgeloopen en langs de Oranjerie op de oprijlaan gekomen zijn.’
‘Wout, je liegt. Nu het bekend is, wie de schuldigen zijn, is het je plicht, de waarheid te spreken en de Justitie de noodige gegevens te verstrekken, om zich een juist oordeel te kunnen vormen. Je móét die beide personen gezien hebben, want ik heb ze ook gezien. Ik was de man, die achter dien bewusten boom stond, Wout.’
Wout was bleek geworden. Er stond angst op zijn gelaat te lezen.
Opeens richtte hij zich op.
‘Goed, mijnheer,’ zei hij, ‘ik zàl de waarheid spreken. Ja, ik heb hen beiden gezien op het moment, dat zij de daad pleegden. Ik heb gisteravond de waarheid niet gezegd, dat beken ik, omdat ik zooveel van mevrouw houd. Ik meende het te verzwijgen, mijnheer, omdat ik medelijden met haar had. Zij was zoo goed voor mijn moeder geweest, mijnheer...’
Rechercheur Heykamp boog zich een weinig naar voren en keek Leo met een triomfantelijk glimlachje aan. Hij had dus het pleit gewonnen, en Leo bevond zich op een dwaalspoor.
Maar Leo's oogen waren vol verontwaardiging op Wout gericht.
‘Wout,’ riep hij hem toe met verheffing van stem, ‘weet, wat je zegt, want van deze laatste verklaring van jou hangt het wel en wee van twee menschen af, die jarenlang in de gevangenis zullen moeten verkwijnen. Spreek de waarheid, Wout, en de waarheid alleen.’
| |
| |
‘'t Is de waarheid, mijnheer. Ik zag de misdaad plegen, maar kon haar niet voorkomen. Dadelijk na den moord vluchtten zij heen, en bij het zien van den doode vergat ik hen te volgen. Maar zij waren het, mevrouw Banders en mijnheer Van Derbent.’
‘Zou je dat durven bezweren, Wout?’
‘Ja mijnheer, dat durf ik bezweren.’
‘Zoo. En wat heb je toen met het lijk gedaan? Was niet je eerste beweging, om den dolk uit de wond te trekken en het bloeden te stelpen?’
‘Neen, mijnheer, ik heb hem niet aangeraakt.’
‘Hèm, den doode, neen, - maar den dolk?’
‘O neen, mijnheer, den dolk evenmin.’
Leo zweeg even en keek Wout strak aan. Toen deed hij een vraag, zoo dwaas, dat Wout, zoowel als de Officier en de rechercheur hem in de grootste verbazing aanstaarden.
‘Wanneer heb je je haar laten knippen, Wout?’
‘Hè? Mijn haar laten knippen? Dat zal wel al drie weken geleden zijn, mijnheer.’
‘En waar koop je gewoonlijk je odeur?’
Nieuwe verbazing bij Wout en den Officier. Alleen de rechercheur begon plotseling ernstig te kijken. Blijkbaar rook de slimme rot lont.
‘Odeur koopen?’ vroeg Wout met een lachje. ‘Nergens, mijnheer, ik koop geen odeur. Waarom zou ik odeur koopen?’
‘Voor een of ander meisje misschien?’
‘Neen mijnheer, voor zulk goedje heb ik geen geld. Dat heb ik nog nooit gekocht.’
‘Zoo,’ zei Leo met ernst en nadruk, ‘dus je hebt nòch het lijk, nòch den dolk verschoven, of zelfs maar aangeraakt?’
| |
| |
‘Neen mijnheer, ik was wel vreeselijk geschrokken, maar zooveel helderheid van geest had ik toch nog wel, dat ik begreep, alles te moeten laten, zooals het was, tot de Justitie een onderzoek had ingesteld.’
‘Juist, Wout. - Mijnheer Borks,’ riep hij den rechercheur toe, die nog altijd bij de deur stond, ‘plaats u naast dien man en zorg, dat hij niet ontsnappe. Mijnheer de Officier, ik beschuldig Wout Wilderbeek van moord op den heer Banders.’
De jonge rechercheur plaatste zich naast Wout.
‘Wien? Mij?’ riep Wout uit, terwijl zijn gelaat een aschgrauwe kleur aannam en zijn handen zenuwachtig beefden.
‘Wout, trek je jas uit en geef haar hier. - Zoo. Zie mijnheer de Officier, hier aan den rechterarm bevindt zich een donkere vlek. Dat is bloed, mijnheer, bloed van den vermoorde.’
‘Bloed van een haas, dien ik vanmorgen geschoten heb,’ riep Wout uit.
‘Waar is die haas gebleven?’ vroeg Leo.
Wout weifelde.
‘Opgegeten vanmiddag,’ zei hij eindelijk.
‘Je liegt, Wout. Het restant van jullie vleesch staat nog in het achterhuis. 't Is géén haas. Wou jij beweren, dat jij en je moeder samen een heelen haas hebben opgegeten, zoodat er niets meer van overschoot, en dan bovendien nog ander vleesch? Wout, je verwart je in eigen leugens, en dat is gemakkelijk te bewijzen. Moeten we je arme moeder, die ik diep beklaag, hier laten komen om haar te laten vertellen, wat jullie vanmiddag gegeten hebben? De ongelukkige ziel heeft er niet het flauwste vermoeden van, dat jij je heer hebt vermoord, en zal dus de waarheid spreken. Zeg Wout, moet dat? Moeten wij de moeder
| |
| |
oproepen om te getuigen tegen haar eenigen zoon?’
Wout verkeerde thans in de grootste verwarring, wat zijn geheele houding aantoonde. Hij stond in gebogen houding en wrong zich, de oogen op den vloer gericht, in vertwijfeling de handen.
Leo was opgestaan en wees hem met den vinger aan.
‘Neen, laat mijn moeder thuis,’ stamelde Wout. ‘Maar ik ben onschuldig, ik heb het niet gedaan.’
Toen wendde Leo zich tot de beide andere heeren.
‘Ziet u, dat er een bloedvlek op die mouw zit? Hier heeft u mijn loupe. Wout heeft moeite gedaan de vlek weg te wasschen, maar dat is hem niet gelukt. Ziet u het?’
‘Ja, 't is duidelijk.’
‘Of het bloed is van een mensch of van een haas, zal elke deskundige gemakkelijk kunnen vaststellen. - Wout, beken, dat jij de dader bent. Je poging, om je schuld op mevrouw Banders en mijnheer Van Derbent te schuiven, is wel listig bedacht, maar deerlijk mislukt. Beken.’
‘Ik heb het niet gedaan,’ zei Wout.
‘Neen hè, je hebt zelfs den dolk niet aangeraakt, niet waar?’
Leo verbrak het zegel en haalde den dolk uit zijn omhulsel te voorschijn. Hij hield hem Wout onder den neus.
‘Waar ruikt die naar?’ vroeg hij.
‘Naar odeur,’ zei Wout, blijkbaar hevig geschrokken.
‘Haal je rechterhandschoen uit je zak,’ gebood Leo.
Wout deed het.
‘Waar ruikt hij naar?’
De jager bracht hem met bevende hand onder zijn neus en liet hem ontsteld op den grond vallen. De jonge rechercheur raapte hem op en legde hem op de tafel.
‘Wil u er ook even aan ruiken, heeren?’ vroeg Leo.
| |
| |
De Officier deed het, en daarna ook de rechercheur.
‘Boschviooltjes,’ mompelden zij, en beiden keken Leo verrast en met bewondering aan. Uit hun blik sprak duidelijk, dat Leo het pleit gewonnen had.
‘Welnu, Wout?’ klonk het den jager toe. ‘Hoe komt die geur aan je handschoen?’
Wout boog het hoofd.
‘Ik beken het, - ja, ik heb het gedaan,’ stamelde hij verward. Het zweet parelde hem op het voorhoofd, en toch klapperden zijn tanden op elkaar en voeren hem de rillingen langs de leden.
Leo ging zitten.
‘Arme jongen,’ zei hij met medelijden. ‘Reeds gisteren, toen wij bij den doode stonden, wist ik, dat jij de dader waart. Herinner je je nog, hoe je vuur voor mij maakte in je tondeldoos en deze voor mijn cigaret hield, om mij aan vuur te helpen? Toen reeds rook ik den geur, die van je rechterhandschoen opsteeg. Die geur is nu wel aanmerkelijk verflauwd, maar toch nog duidelijk te bespeuren.’
‘Waarom heeft u dat toen niet dadelijk gezegd, mijnheer Alfering?’ vroeg de Officier.
‘Omdat ik toen het motief tot de daad nog niet kende,’ zei Leo.
‘Kent u dat thans?’
‘Ja, mijnheer de Officier. Wout heeft Annie Trimage lief, en die liefde werd door haar beantwoord. Niemand twijfelde, of zij zouden een paar worden, tot er opeens, nu een paar maanden geleden, van de zijde van Annie een verkoeling ontstond. Is het niet waar, Wout?’
Deze knikte, maar liet er zenuwachtig op volgen:
‘Om Gods wil, mijnheer, spaar haar. Ik heb immers bekend? Zij staat er heelemaal buiten. Wat wil u nog meer?’
| |
| |
‘Wout, wij zullen haar sparen, wees daar verzekerd van. Maar de Officier moet alles weten. - Het staat bij mij vast, dat Annie het slachtoffer is geworden van Banders' bekende losbandigheid. Hij moet haar hebben verleid, vermoedelijk met veel moeite, want het meisje voelde zich sedert dien tijd diep ongelukkig en achtte zich onwaardig, de vrouw van Wout te worden. Zij wilde hem niet bedriegen. Gisteren heeft Wout nogmaals een poging gedaan, haar voor zich te winnen, en ik twijfel niet, of zij zal hem toen onder tranen hebben bekend, dat dit onmogelijk was, omdat zij moeder moest worden...’
Wout barstte in tranen uit. Toen bedwong hij zich en riep uit:
‘O, die vervloekte ellendeling! Als ik hem hier vóór mij had, zou ik hem zeker opnieuw dooden.’
‘Bedaar, Wout,’ hernam Leo. ‘Het zien van den vermoorde, mijnheeren, heeft het meisje dermate geschokt, dat zij ernstig ziek is geworden met het gevolg, dat nooit iemand zal behoeven te weten, hoe zij door de schande werd bedreigd. U begrijpt me?’
De beide heeren knikten zwijgend.
‘Wat is er nu gebeurd? Gisteravond heeft mevrouw Banders een samenkomst gehad met Van Derbent in den koepel, over een pijnlijke zaak, die met den moord niet in het minste verband staat, en die ik vanavond nog tot een oplossing zal brengen. Bij het verlaten van den koepel heeft mevrouw Banders haar zakdoekje uit haar taschje gehaald, om er haar gelaat achter verborgen te houden, daar zij niet herkend wilde worden, en bij die gelegenheid heeft zij waarschijnlijk haar dolk verloren. Waar heb jij dien gevonden, Wout?’
‘Bij den koepel,’ zei Wout zacht. ‘Ik hield hem bij mij, en op den terugweg kwam ik mijnheer Banders tegen.
| |
| |
O, het kookte in mijn binnenste, mijnheer, al van het oogenblik af, dat Annie mij alles had verteld, en toen ik hem daar in de duisternis tegenkwam, nog met den dolk in mijn hand, toen wist ik niet meer, wat ik deed. Ik vloog op hem aan en stak hem het lemmet in zijn hart. - Zie daar, nu weet u alles. Breng mij nu maar weg naar de gevangenis. Maar ik bid u, heeren, spaar de eer van Annie. De buitenwereld weet niets van hetgeen er gebeurd is.’
‘Voor zoover het van mij afhangt, zal aan je verzoek worden voldaan. Borks, doe hem de boeien aan en breng hem naar den auto.’
Zoodra Borks met Wout de kamer verlaten had, stonden de Officier en mijnheer Heykamp op en drukten Leo de hand.
‘Mijn compliment, waarde heer,’ zei de Officier.
‘Een knap stuk werk, mijnheer Alfering,’ zei Heykamp. ‘Ik ben er jaloersch op. Kranig, - kranig in één woord.’
‘Dus mevrouw Banders kan hier blijven? vroeg Leo met een lachje.
Natuurlijk, u bent haar redder geweest in den nood. Kom Heykamp, laten we gaan. Van Derbent moet hedenavond nog vrijgelaten worden.’
Leo bracht hen naar den auto en nam daar afscheid van hen. Toen drukte hij Wout de hand.
‘Arme jongen,’ zei hij, ‘ik beklaag je, maar er pleiten veel verzachtende omstandigheden voor je. Als je wilt, zou ik graag je verdediger voor de rechtbank zijn.’
‘Wil u dat, o graag, mijnheer, graag,’ zei Wout. ‘En mijn groeten overbrengen aan Annie? En haar zeggen, dat ik haar nòg liefheb? Wil u dat?’
‘Ik beloof het je, Wout.’
‘En mijnheer, wil u niet boos op mij zijn, omdat ik een
| |
| |
oogenblik gepoogd heb, mijn schuld op een ander te wentelen? Geloof me, mijnheer, ik was het nooit van plan, maar op dat oogenblik voer de duivel in me...’
‘Ook dat heb ik begrepen, Wout, maar het is een verontschuldiging voor je, dat mijn vragen er toe leidden. Laten wij er verder niet meer over praten. Weldra kom ik je bezoeken.’
De auto reed weg, en toen snelde Leo naar boven, naar Thilde, die geheel gekleed, met mantel aan en hoed op, wachtte op het vreeselijke moment, dat men haar zou komen halen. Zij zag doodelijk bleek, maar toch deed zij nog pogingen om Suze te troosten, die schreiende op een stoel zat.
Hij snelde onaangediend binnen en nam haar in zijn armen.
‘Liefste, liefste, je bent vrij!’ riep hij haar toe. ‘De moordenaar is ontdekt. Je bent vrij, niemand zal je van hier weghalen!’
‘Vrij?’ vroeg zij. ‘De schuldige ontdekt? Wie is dat dan?’
‘'t Is Wout, de jager. Hij bevindt zich reeds op weg naar den Haag.’
‘Wout?’ riep Thilde verbaasd uit.
‘Wout?’ snikte Suze ontsteld. - ‘Wout? - O!’
‘Ja, niemand anders dan Wout. Hij heeft alles bekend.’
‘En wie heeft dat uitgevorscht?’
‘Ik was zoo gelukkig, liefste,’ zei Leo, terwijl hij haar opnieuw in de armen sloot en haar teeder kuste. ‘Doe je mantel en hoed af en ga zoo gauw mogelijk naar bed. Je zult wel zenuwachtig zijn, liefste...’
‘Zeker, maar ik kan den heelen nacht nog rusten. Ik zal dus mijn mantel aanhouden. Kom Suze, kleed je, dan gaan we naar Wouts moeder. De ongelukkige heeft op dit
| |
| |
vreeselijk oogenblik hulp en steun noodig. Laten we gaan, Suze, dadelijk. Weet zij het al, Leo?’
‘Neen, nog niet. Zij heeft er niet het flauwste vermoeden van. Dan ga ik met de tram naar Henk, die mij reeds lang met het eten zal wachten. Zeg Thilde, mag Arend mij vanavond om elf uur naar den Haag brengen? Je weet, dat ik daar nog een appeltje te schillen heb met zeker heer.’
Thilde keek hem dankbaar aan.
‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘En zul-je slagen?’
‘Ongetwijfeld.’
Zij namen afscheid van elkander, en Leo keerde naar de kleine villa bij het dorp terug, waar Henk reeds geruimen tijd op hem wachtte.
‘Wat ben je laat!’ riep hij zijn vriend toe, toen deze binnenkwam. ‘Ben je nog wat gevorderd met je onderzoek? Heb je de puzzle tot een oplossing gebracht?’
Henk zat in een fauteuil voor het haardvuur.
‘Ja, de puzzle is opgelost, en de dader zit achter slot en grendel.’
Henk sprong uit zijn stoel op van verrassing.
‘Ja? Opgelost, zeg je?’
‘Volkomen opgelost, Henk.’
‘En wie is de schuldige? Toch Thilde niet? Of Nic?’
‘Geen van beiden. Wout heeft het gedaan.’
‘Wout, - wat zeg je, - Wout?’
‘Ja, niemand anders. Gisteren wist ik reeds, dat hij het gedaan had. Dat heb ik je immers gezegd?’
‘Ja, dat heb je. En heeft hij bekend?’
‘Ja, volkomen.’
‘Uit eigen beweging?’
‘Neen, dat nu bepaald niet, maar ik heb hem zoo in verwarring gebracht en hem het vuur zoo na aan de schenen
| |
| |
gelegd, dat hij wel verplicht was, een volledige bekentenis af te leggen. Nic zat reeds achter de tralies, en Thilde had bevel gekregen zich gereed te maken, naar den Haag te worden overgebracht voor hetzelfde doel, maar juist op dat moment was ik klaar met mijn onderzoek en had ik voldoende bewijsmateriaal in handen, om Wout in staat van beschuldiging te kunnen stellen.’
Terwijl de beide vrienden hun middagmaal gebruikten, vertelde Leo tot in kleinigheden alles, wat er gebeurd was, en Henk op zijn beurt zwaaide hem den grootsten lof toe over zijn scherpzinnigheid.
‘Maar één ding spijt me,’ zei hij, toen Leo alles verteld had, ‘en dat is, dat Annie's goede naam in deze treurige zaak gemoeid wordt. Hoe kon jij dat alles omtrent haar weten? Van mij toch niet.’
‘Neen, want jij verborg je achter je beroepsgeheim.’
‘Terecht, dat zul je toegeven. En van Annie's ouders toch ook niet, want die zouden wel de laatsten zijn om er ruchtbaarheid aan te geven. En anderen wisten het niet.’
‘Neen, maar ik had mijn ooren niet in mijn zak. Juist jou geheimzinnigheid, toen ik je zonder eenig bij-oogmerk vroeg, hoe het met Annie ging, bracht mij op het vermoeden, dat er iets bijzonders achter stak, en toen ben ik op informatie uitgegaan. Suze was het eerst aan de beurt en vervolgens de oude Trimage, en toen werd alles mij zoo klaar als de dag. Ik wist immers, hoe het met de mentaliteit in zeker opzicht van wijlen den braven Banders gesteld was? Het verband tusschen alles was toen gemakkelijk te vinden. En ik kan nu begrijpen, hoe Wout er toe komen kon, hem den dolk in het hart te stooten. Ik voor mij geloof niet, dat zijn straf erg zwaar zal zijn. Mijn aanbod, om hem voor de rechtbank te verdedigen, heeft hij met dankbaarheid aangenomen, en ik geef je de
| |
| |
verzekering, dat ik voor hem doen zal, wat ik kan. Ha, ik ga nog verder. Ik geloof vast en zeker, dat hij en Annie ondanks alles, wat er gebeurd is, nog eenmaal een gelukkig paar zullen worden, want zij hebben elkander lief.’
* * *
Twee jaren zijn sedert verloopen. De Berkenheuvel is in andere handen overgegaan. Een hoogstaand, schatrijk man is thans de eigenaar, en op voorspraak van Thilde, Leo en Henk heeft hij de betrekking van jager voor Wout opengehouden, tot zijn straftijd verstreken was. Wout bevindt zich weer op vrije voeten, en de eerste, die hem tegemoet trad, toen de gevangenisdeur voor hem geopend werd, was Annie, die zich snikkend aan zijn borst wierp. Zij bewonen sedert een paar weken als man en vrouw het lieve jagershuis je, waar zijn moeder bij hen inwoont.
Leo is nog alleen naar Londen teruggekeerd, om er zijn loopende zaken te regelen. Daarna heeft hij kamers gehuurd in den Haag, waar hij zich gevestigd heeft als Advocaat en Procureur. Dank zij zijn schitterend pleidooi voor de rechtbank ten behoeve van Wout, werd zijn naam met lof genoemd, en mocht hij zich al spoedig in een goede praktijk verheugen, die zich nog dagelijks uitbreidt.
Thilde heeft een lieve, kleine villa gehuurd aan den Scheveningschen Weg, en maakt thans met Leo haar echte huwelijksreis, ditmaal naar het hooge Noorden, vergezeld van Lous en Henk, die tegelijk met hen in het huwelijk getreden zijn. Het viertal maakt een heerlijke en onvergetelijke reis en voelt zich volmaakt gelukkig.
|
|