| |
| |
| |
I
De heer Cortema was nauwelijks zijn privé-kantoor binnengetreden, of er werd op de deur getikt.
‘Binnen!’ riep hij, terwijl hij aan zijn bureau-ministre plaats nam.
Zijn boekhouder trad met een lichte buiging binnen, en legde een pak brieven op de tafel.
‘Morgen mijnheer,’ zei hij.
‘Morgen Wilman,’ was het antwoord. ‘Nieuws?’
‘Ja mijnheer, maar geen goed nieuws. Behalve de gewone handelsbrieven twee jobstijdingen, mijnheer.’
Hij nam een van de brieven van het stapeltje en gaf hem aan zijn patroon.
‘'t Is een schrijven van de firma Bertels & Co,’ vervolgde hij, ‘waarin zij bericht, dat zij tot haar leedwezen gedwongen is, haar betalingen te staken.’
De heer Cortema keek zijn boekhouder verschrikt aan. Hij werd doodsbleek en zijn handen beefden.
‘Lees je wel goed, Wilman, - lees je wel goed?’ kwam het haperend over zijn lippen.
‘'t Staat er duidelijk, mijnheer. Het kantoor heeft zijn betalingen gestaakt.’
‘Maar dat is een ramp, - dat is een ramp, Wilman, waarvan de gevolgen niet te overzien zijn.’
‘Ja mijnheer, 't is heel erg. U heeft de laatste twee jaar pech op pech.’
| |
| |
‘Hoe diep zitten wij er in? Heb je dat nagezien?’
‘Bijna veertig duizend gulden, mijnheer. Maar misschien is dat bedrag nog niet geheel als verloren te beschouwen. 't Was altijd een solide firma.’
‘Ja ja, maar dat helpt niet veel, als er een groot passief is. Sprak je niet van twee jobstijdingen, Wilman? Heb ik de ergste gehad, of heb je die voor het laatst bewaard?’
‘Ziehier, mijnheer,’ sprak de boekhouder, terwijl hij hem den tweeden brief overreikte. ‘Lees zelf.’
‘Van de Bank?... Zoo, dus mijn chèques zullen verder niet meer worden gehonoreerd, en het bedrag, waarmede ik mijn crediet overschreden heb, moet worden aangezuiverd binnen acht dagen. 't Was te verwachten, Wilman, en ik mag in 't geheel niet klagen, dat zij mij onbillijk behandelen. Hoe groot is het tekort?’
‘Vier en vijftig mille, mijnheer.’
‘Juist, dat ongeveer vermoedde ik. Dus nog acht dagen tijd, Wilman, nog acht dagen, en dan? Wat moet het einde van dat alles worden?’
De boekhouder zweeg.
‘En dan, Wilman?’ herhaalde de heer Cortema. ‘Zal ik het je zeggen? Dan zullen wij het voorbeeld moeten volgen van Bertels & Co. Er zal niet anders opzitten. Dan gaan we failliet, Wilman, als de hemel niet tusschenbeide komt. Ha, is 't geen zonde van mijn mooie fabriek, van mijn prachtige zaak, waaraan ik gedurende zooveel jaren mijn beste krachten heb gewijd? Zeg het, Wilman, heb ik niet gewerkt van den morgen tot den avond, om haar vooruit te brengen en omhoog te voeren? Maar al twee jaar lang heeft het ongeluk mij achtervolgd en trof mij de eene ramp na de andere. Wie heeft b.v. ooit aan de soliditeit van Bertels & Co. getwijfeld? Jij, Wilman? Is het
| |
| |
ooit in je hoofd opgekomen, dat die haar betalingen zou moeten staken? Was deze zware slag ooit te voorzien geweest?’
‘Neen mijnheer, nooit. Maar u moet het hoofd nog niet laten hangen, mijnheer. Uw fabriek is levensvatbaar, dat heeft zij bewezen. De zaken breiden zich immers jaar op jaar uit, uw debiet wordt immers steeds grooter? Ook aan dit tijdperk van pech en tegenslag zal eenmaal wel een einde komen. Moed verloren is àl verloren, mijnheer.’
‘Jawel, dat weet ik, maar we zijn aan het einde, trouwe vriend. 't Is verschrikkelijk, Wilman, 't is een schande, die ik liever niet zou overleven.’
‘Kunt u geen hypotheek op uw bezittingen nemen, mijnheer?’
‘Alsof de laatste pan zoowel van mijn fabriek als van mijn huis al niet verzilverd was!’ riep de fabrikant wanhopig uit. ‘Neen, ik ben verloren.’
‘U heeft nog een week tijd, mijnheer,’ sprak de boekhouder zacht en met deernis. ‘En de tijd brengt misschien raad en uitkomst. Wie weet, hoeveel procent Bertels en Co. nog uitkeeren. Is de Bank misschien niet voorloopig tevreden met uw vordering op die firma? Dan was er althans één gat voorloopig gestopt. En de fabriek loopt goed, mijnheer, best zelfs, dat behoef ik u niet te zeggen. Als er geen verdere rampen volgen, kan de achterstand in enkele jaren ingehaald worden en dan breekt de goede tijd weer aan. Maar in de eerste plaats moet uw crediet bij de Bank hersteld worden. Zonder geld geen zaken. In allen gevalle kunt u het toch probeeren, mijnheer. De Directeur is een vriend van u, wat veel gewicht in de schaal kan leggen.’
‘Ja ja, dat is zoo, doch hij is slechts de Directeur en dus verantwoording schuldig aan de aandeelhouders. Zijn
| |
| |
vriendschap jegens mij heeft hem misschien reeds te ver gevoerd, verder dan hij mocht en kon. Maar ik zal je raad volgen en het beproeven. Ik behoef je niet om je geheimhouding te verzoeken, niet waar?’
‘Moet ik op die vraag antwoorden, mijnheer?’ vroeg de oude boekhouder, en 't was, of er een licht verwijt in die woorden klonk.
De heer Cortema drukte hem de hand.
‘Niet noodig, trouwe vriend,’ sprak hij aangedaan, terwijl hij opstond. ‘Als al mijn vrienden waren als jij, behoefde ik niet te vragen, tot wien ik mij wenden zou in mijn nood. - Maar nu ga ik allereerst naar de Bank.’
Weldra voerde de auto hem naar de stad terug, regelrecht naar de Bank.
‘Morgen, Van Salmen,’ zei hij, toen hij bij den Directeur binnentrad. Met uitgestoken hand kwam deze hem tegemoet.
‘Bonjour, Cortema, je bezoek komt niet onverwacht. Ga zitten.’
‘Neen, dat is te begrijpen. Ik heb je brief gelezen en kom een beroep doen op je vriendschap. Dat ik het noodgedwongen doe, behoef ik je zeker niet te zeggen.’
‘Ook ik deed het noodgedwongen, Cortema. Maar ik mocht niet verder gaan. De grens is reeds ver overschreden, dat zul je toegeven.’
‘Ik geef het toe, maar toch moet ik er op aandringen, dat je het schrijven terug neemt. 't Kwam nooit op ongelegener tijd dan vanmorgen. Een bedrag van ongeveer veertig mille, dat ik een dezer dagen had moeten ontvangen, was bestemd geweest, om hier mijn tekort voor een deel te dekken, ten einde mijn crediet staande te houden. Maar ongelukkigerwijze kwam tegelijk met jou brief de kennisgeving, dat die firma haar betalingen gestaakt heeft.’
| |
| |
‘Wel verduiveld!’ viel de bankier in. ‘Veertig mille, zeg je?’
‘Ja, ongeveer.’
‘Wie is het?’
‘Bertels en Co., tot nog toe zoo solide als de Nederlandsche Bank.’
‘Dat weet ik. 't Is een ramp voor je, Cortema.’
‘Als jij me in den steek laat, een onoverkomelijke. Daarom kom ik je dringend verzoeken, mij nog wat tijd te gunnen. Ik verzeker je op mijn woord van eer, dat mijn zaak goed is; mijn debiet breidt zich gestadig uit, maar de laatste twee jaren, treft mij ramp op ramp, je weet het, niet waar?’
‘Ik weet het, Cortema, en daarom heb ik je ook geholpen, zooveel in mijn vermogen was. Maar verder mag ik niet gaan, vooral niet, nu Bertels en Co. ook mis is.’
‘Maar van mijn vordering op die firma kan toch nog een aanzienlijk bedrag terecht komen? Wie weet, misschien wel 60 à 70 procent. Als jij die vordering van mij wilt overnemen, is het toch....’
De bankier viel hem in de rede.
‘Neen, amice, ik kan en mag niet verder gaan en moet op terugbetaling van het tekort blijven aandringen. Ik ben verantwoording schuldig, dat weet je.’
‘Dan rest mij niets, dan het voorbeeld van Bertels en Co. te volgen en ook mijn betalingen te staken,’ sprak de heer Cortema met een diepen zucht, terwijl hij doodsbleek werd.
Maar ook de bankier verloor alle kleur van zijn gelaat.
‘Staat het er zóó penibel voor?’ vroeg hij zacht.
‘Ja, als jij de hand van mij aftrekt, ben ik verloren. Kan dàt je niet bewegen, nog wat geduld met mij te hebben?
| |
| |
Het zou mijn redding kunnen zijn, als mij geen nieuwe rampen treffen.’
De bankier schudde meewarig het hoofd.
‘Het spijt me, Cortema, - het spijt me meer dan ik je zeggen kan, maar ik ben uit vriendschap voor jou reeds verder gegaan, dan ik mocht, en ik heb het gedaan met open oogen, zoodat ik persoonlijk zal moeten bijstorten, wat de Bank eventueel te kort zou komen. 't Zou dus in mijn eigen belang zijn, indien ik je verder hielp, maar ik màg niet, - en duid het mij niet ten kwade, maar ik doe het niet ook. Zooals de zaak er nu voorstaat, is het al erg genoeg.’
Cortema stond op, en de bankier stak hem zijn hand toe.
‘Wij scheiden als vrienden, hoop ik?’ vroeg de laatste.
‘Zeker,’ was het antwoord, ‘ik ben er van overtuigd, dat je niet anders kunt. Trouwens, mijn hoop, dat ik hier hulp zou vinden, was maar zeer gering, doch je was mijn laatste toevlucht, Van Salmen. Adieu!’
‘Naar huis, Jacob,’ zei hij tot den chauffeur bij het instappen. En met een diepen zucht nam hij in zijn auto plaats. Hij zag er wanhopig uit en bedekte gedurende enkele oogenblikken zijn gelaat met de beide handen. O, hij wist het, zijn val was thans onvermijdelijk. Hij zou de naderende ramp niet langer voor zijn huisgenooten kunnen verzwijgen. 't Was vreeselijk. Zijn vrouw en dochter, die tot nog toe in betrekkelijk groote weelde hadden geleefd, zouden met hem tot armoede vervallen en afstand moeten doen van alles, wat het leven zoo aangenaam maakt. Hij zag maar één lichtpuntje, en dat was, dat Thilde, zijn lieve, mooie dochter, zich weldra zou verloven met den man harer keuze, met Leo Alfering, die een paar dagen geleden gepromoveerd was tot doctor in de Rechten. Binnen enkele dagen zou hun verloving, die reeds sedert lang
| |
| |
door iedereen verwacht werd, publiek worden. 't Had alleen gewacht op de promotie, die thans achter den rug was. Maar plotseling voer hem een rilling door de leden bij de gedachte, of Leo haar trouw zou blijven, óók in het ongeluk, óók als een failliet van den vader een smet zou werpen op den naam van de dochter. O, hij wilde er niet aan denken, hij kón niet, en hij voelde zich diep ellendig. Gelukkig was Thilde niet thuis, dat troostte hem. Zij was den vorigen dag naar den Haag gegaan, naar een avondpartij bij kennissen, die haar genoodigd hadden, en waar zij zou blijven logeeren. Ook Leo behoorde tot de genoodigden. Dus zou hij bij zijn thuiskomst alleen zijn vrouw vinden. Dat stelde hem eenigszins gerust. Hij zou het haar heel voorzichtig meedeelen, niet alles opeens, neen, stukje voor stukje, om haar langzamerhand op het allerergste voor te bereiden. Dat hem den laatsten tijd zware financieele rampen getroffen hadden, wist zij reeds, maar dat hij op vallen stond, ja, dat zijn val thans onvermijdelijk geworden was, daarvan kon zij geen flauw vermoeden hebben. Hij zou haar alleen zeggen, dat de firma Bertels en Co. haar betalingen gestaakt had en dat hij dientengevolge in groote moeilijkheden verkeerde. Ja, 't was maar gelukkig, dat Thilde niet thuis was.
Maar tot zijn grooten schrik was zij de eerste, die hem stralend van schoonheid en geluk in de gang tegemoet trad en hem lachend de armen om den hals sloeg en op de beide wangen kuste.
‘Dag vadertje, daar ben ik alweer. Vroeg, hè? Dat had je niet verwacht.’
Wat was zij verblindend mooi. Zij werd dan ook niet voor niets het mooiste meisje uit Leiden genoemd. En haar geluk straalde haar de oogen uit.
| |
| |
‘Dag lieve kind,’ zei hij zacht. ‘Ja, je bent alweer vroeg terug. Beviel het je niet in 't Haagje?’
Hij glimlachte haar toe en poogde aan zijn stem iets luchtigs en opgewekts te geven, wat hem echter maar matig gelukte. Thilde nam zijn arm en ging vroolijk met hem mee naar de eetkamer, waar zijn vrouw met het tweede meisje de tafel in gereedheid bracht voor de lunch. De geur van haar lievelings-odeur, boschviooltjes, omhulde haar. Wat was zij mooi! Wat was hij trotsch op haar, zijn lieveling, zijn eenigst kind.
Mevrouw keek verrast op, toen zij haar man zag binnenkomen.
‘Hé,’ riep zij hem toe met een vriendelijk lachje, ‘ben jij daar ook al? Jelui bent wel vroeg thuis, dezen keer. Thilde had ik niet voor vanavond verwacht en jij bent anders nooit zoo vroeg. Enfin, dat verhoogt de gezelligheid. De tafel is juist gereed en we kunnen direct beginnen. Ga zitten. Maar hemel, Frans, wat zie je bleek? Ben je niet goed?’
‘Ik, - bleek? - Ja, 't is mogelijk, ik heb wat hoofdpijn, maar stel je gerust, vrouwtje, 't is niets ernstigs.’
Zij namen aan de tafel plaats.
‘Dat is te hopen,’ zei Mevrouw, terwijl zij de koffie inschonk. ‘Hier, drink dat maar eens lekker op, misschien helpt het.’
De lunch begon, en de heer Cortema trachtte zijn zorgen en wanhoop te verbergen achter een luchtig discours.
‘Hoe kom jij al zoo vroeg thuis, kind?’ vroeg hij aan zijn dochter.
‘Leo en ik hebben gisteravond op de partij afgesproken om vanmiddag een fietstocht te maken. Zijn alter ego, Henk Holtema, of ik mag nu wel zeggen dokter Henk Holtema, want hij heeft zijn artsexamen gisteren met goed
| |
| |
gevolg afgelegd, gaat ook mee, met Lous de Koning. Weet u, dat die twee geëngageerd zijn? Gisteren is het er doorgegaan. Ze zijn dol gelukkig, dat begrijpt u.’
‘Nog gelukkiger dan jij?’ vroeg Cortema.
‘Dat bestaat niet,’ lachte Thilde, en haar gezicht was een en al zonneschijn. ‘Wie kan bij mijn Leo halen?’
‘Niemand natuurlijk,’ zei haar vader met een lachje, dat hij slechts met moeite op zijn lippen kon te voorschijn brengen. ‘En heb je je goed geamuseerd op de soirée bij de Van Loons?’
‘Heerlijk! 't Was een mooi feest. En weet u, Papaatje, wien ik daar ontmoet heb? U raadt het nooit.’
‘Zeg het dan maar, dan kan ik mij die moeite besparen. Een nieuwen aanbidder misschien?’
Thilde lachte haar zilveren lach.
‘Wie weet!’ riep zij uit. ‘'t Had er althans allen schijn van, want hij heeft me zeker wel vijf of zes maal aangesproken en hij was buitengewoon hoffelijk en galant. Ik geloof zelfs, dat Leo er wel een beetje jaloersch van was. En weet u, wat ik zoo grappig vond? Hij sprak voortdurend over u, Papa, en hij vertelde me, dat u zijn beste vriend was geweest in vroeger jaren en dat hij het zoo jammer vond, dat uw wegen uit elkander geloopen waren, zoodat hij sedert zijn twintigste jaar niets meer van u gehoord had. En complimentjes dat hij mij maakte, daar kwam geen einde aan. Hij zei me ronduit, dat hij op al zijn reizen, die hij maakte over de geheele wereld, nog nooit zoo'n beauty gezien had, als ik was, en hij veronderstelde, dat u wel meer dan trotsch op mij moest zijn. O, u had eens moeten zien, met hoeveel woede Leo hem aankeek bij al die complimentjes. 't Was heusch grappig. Hij hoopt u spoedig te bezoeken.’
‘Dus toch een aanbidder?’ vroeg haar vader. ‘Maar
| |
| |
jong kan hij toch niet meer wezen, als hij een jeugdvriend van mij moet zijn. Hoe heet hij? Je hebt toch niet met vuur gespeeld?’
‘Een aanbidder? Och, vadertje, maak u maar niet ongerust, want hij heeft niet de minste kans. En met vuur gespeeld heb ik in geen geval. Verbeeld je, hij is zoo oud als u. Weet u, wie het is? Ik zal u niet langer nieuwsgierig laten. 't Is niemand anders dan mijnheer Banders, die bijna zijn heele leven in het buitenland heeft doorgebracht en pas sedert eenige maanden dat prachtige buitengoed bewoont, u weet wel, aan den Groot-Haesebroekscheweg, in Wassenaar, 't heet geloof ik “de Berkenheuvel.” Hij moet enorm rijk zijn, heb ik hooren vertellen, en weer aan het hoofd staan van een reuzen-zaak. Zijn kantoor is in Rotterdam.’
‘Je bent goed op de hoogte, kind,’ zei haar moeder.
‘Och, zoo gaat het, als je rijk bent, Mama, dan praat iedereen graag over je. Toen de gasten zagen, dat hij herhaaldelijk met mij in gesprek trad, wist iedereen mij wat over hem te vertellen. Zoo hoorde ik o.a. dat hij een zilvermijn moet bezitten ergens in Amerika, wat me wel een leuk bezit toeschijnt, een ander vertelde mij weer, dat zijn particulier leven lang niet onberispelijk moet zijn. Er schijnen, wat dat betreft, leelijke geruchten omtrent hem de ronde te doen. Wat er van waar is, weet ik natuurlijk niet, maar dit is zeker, dat ik honderd maal liever mijn Leo heb, die bijna geen fortuin bezit en zal moeten leven van de praktijk, die hij nog maken moet, dan den Croesus mijnheer Banders, die mij met zijn schatten een grooten afkeer inboezemt. Hij ziet er, - neem me het woord niet kwalijk, - verloopen uit met zijn waterige oogen en geelbleek gezicht. Zijn physionomie kan me allerminst bekoren. Maar Papaatje, wat ziet u er stil en afgetrokken uit en u eet heelemaal niet. Ik geloof, dat u zelfs
| |
| |
van mijn heele verhaal geen woord gehoord hebt.’
De heer Cortema schrok uit zijn overpeinzingen op en stamelde verward:
‘Ik - è - ik? Afgetrokken, zeg je? Zeker, kindje-lief, ik heb alles verstaan, wat je verteld hebt. Maar eetlust, - neen, 'k heb hoofdpijn, zooals ik reeds zei. - Ja, ja, dien Karel Banders herinner ik mij zeer goed, al is er tusschen ons van intieme vriendschap nooit sprake geweest. Wel maakte hij een poos lang ook deel uit van ons vriendenkringetje, dat geef ik toe, maar hij is toen al spoedig naar het buitenland vertrokken en wij hebben nooit correspondentie gehouden. Maar 't schijnt hem in den vreemde goed te zijn gegaan, dat heb ik ook van anderen gehoord....’
‘Hij moet schat- en schatrijk zijn, Papa,’ viel Thilde in. ‘Multi-millionnair zegt men. Leuk voor hem!’
‘Maar dat hij op den Berkenheuvel woonde, wist ik niet,’ hernam Cortema.
‘Ik heb hem nooit gekend,’ zei Mama. ‘Toen wij verloofd raakten, Frans, was hij al lang naar het buitenland vertrokken, - maar ik heb je toch vroeger meermalen over hem hooren spreken.’
‘Och ja, dat gaat zoo, hè? Een mensch haalt wel eens graag oude herinneringen op. 't Is vreemd, dat wij elkaar nog nooit ontmoet hebben, te meer daar wij betrekkelijk zoo dicht bij elkander wonen. Hij is dus ongetrouwd gebleven?’
‘Ja Papa, nog altijd à prendre. - Hoor, daar komt Leo binnen, - en ha, Henk en Lous ook. Kan ik opstaan, Mama?’
‘Zeker, we zijn klaar met de lunch. Ga gerust.’
Thilde snelde de gang in, waar zij met gejuich begroet werd. Twee armen werden haar om den hals geslagen en
| |
| |
Leo kuste haar zoo lang, tot zijn vriend Henk hem eindelijk een por in zijn rug gaf en zei:
‘Zoo is 't welletjes, Leo, kussen is niet gezond. Morgen, Thilde, goed uitgerust?’
‘Als de dokter het zegt zal het wel waar zijn,’ riep Leo lachend uit. ‘Nog eventjes, dokter, permitteer me. Brengt hij zijn gewaardeerd advies bij jou ook in toepassing, Lous? Dan beklaag ik je. - Ha zeg, Thilde, wat ruik je weer heerlijk naar boschviooltjes!’
En weer volgde er een vurige omhelzing.
‘'t Werkt aanstekelijk!’ riep Henk uit, terwijl hij Lous in zijn armen drukte.
‘Houd op, houd op!’ klonk het gesmoord.
't Waren twee aantrekkelijke jonge mannen, die Henk en Leo, al bestond er uiterlijk een groot verschil tusschen die beiden. Henk was breed gebouwd, met blond haar en blauwe oogen, terwijl Leo slank en lang was met zwart haar en donkerbruine oogen. Een klein, pikzwart kneveltje sierde zijn bovenlip. Henk daarentegen was clean shaven.
‘Komen jullie even binnen?’ vroeg Thilde, toen zij zich met moeite uit Leo's vurige omhelzing had losgemaakt.
‘Ja, vooruit maar!’ riep Leo. ‘Zeg Thilde, je bent vanmorgen weer mooier dan ooit!’
Ze traden de kamer binnen.
‘Morgen Mevrouw, - morgen Mijnheer, hoe gaat het?’
‘Dag jongelui. Uitstekend, dank je. Dus je gaat een fietstocht maken?’
‘Ja mijnheer, gezellig, dolletjes!’ riep Lous.
‘En we mogen jullie feliciteeren, hebben we gehoord?’ vroeg Mevrouw. ‘Van harte hoor, en jij nog bovendien met je examen, Henk. Weet je al, waar je je gaat vestigen?’
| |
| |
‘Dank u wel, - ja, ik ga een kansje wagen op Wassenaar, dat ligt gelukkig dicht bij Leiden....’
‘En bij Lous,’ viel Leo lachend in.
‘Dat ook,’ bevestigde Henk. ‘Als het me daar wat meeloopt, kunnen we misschien over een jaartje trouwen, - hoe gauwer, hoe liever, hè Lous?’
‘'k Heb àl den tijd,’ zei Lous met een blosje, dat haar goed stond, ‘en kan nog best een paar jaartjes wachten.’
‘Maar ik niet,’ viel Henk in. ‘Een dokter moet getrouwd zijn, anders is het maar half werk. Dat willen de menschen nu eenmaal zoo.’
‘En ik heb mij gewend tot het advocaten-kantoor van Moorhof en Smit, in den Haag. Daar schijnen ze er nog wel graag een derde bij te willen hebben. 't Is een druk kantoor, waar ik veel ondervinding op kan doen,’ zei Leo. ‘'k Hoop maar, dat ze mij hebben willen. Mr. Moorhof heb ik gisteravond nog gesproken op de partij, en hij heeft me wel eenigen moed gegeven. Nico van Derbent solliciteert ook, maar hij schijnt weinig kans te hebben.’
‘Zou het niet mooi wezen, Papa?’ vroeg Thilde opgetogen. ‘'t Is een verbazend druk kantoor, en dan bleven we dicht bij u. Van Leiden naar den Haag is het maar een snap.’
‘Ja kind, 't zou heel mooi wezen,’ zei de heer Cortema zacht. Er lagen nog diepe rimpels in zijn voorhoofd en hij zag erg bleek.
‘Mooier kon het niet,’ riep Henk uit. ‘Verbeeld je, Lous, zij in 't Haagje en wij in Wassenaar, vlak bij elkander om zoo te zeggen hè?’
‘Heerlijk gezellig,’ zei Lous. ‘Wat zullen wij dikwijls bij elkaar zijn, Thilde. Wanneer wordt jullie verloving publiek?’
‘De volgende week gaan de kaartjes in zee,’ zei Leo.
‘Willen we nu gaan?’ vroeg Henk. ‘Ziet u, Mevrouw,
| |
| |
we gaan huizen kijken in Wassenaar. Ik heb al een mooi klein villatje op het oog vlak bij het dorp, dus ook dicht bij een tramhalte. Als het ons bevalt, huur ik het vandaag nog, want ik wil me zoo gauw mogelijk vestigen. - Gaan we?’
‘Goed. Adieu dan, adieu!’
En onder vroolijk gejoel verliet het viertal het huis.
Mijnheer Cortema en Mevrouw bleven alleen.
‘Wat een vreugde, hè man, wat een geluk,’ zei de laatste. ‘Heerlijk om te zien.’
Cortema slaakte een diepen zucht.
‘Wat zucht je, Frans, en je ziet er zoo ellendig uit. Is je hoofdpijn zoo hevig?’
‘Ik had geen hoofdpijn, lieve,’ klonk het zacht. ‘'k Heb zorgen, zware zorgen. Het eene ongeluk volgt op het andere. De Bank kan mij langer geen crediet geven, en de firma Bertels en Co., waar ik huizen op zou hebben gebouwd, heeft haar betalingen gestaakt. Daar zit ik voor een veertig mille in, lieve, veertig mille, geen kleinigheid. 't Is in een woord verschrikkelijk. Wat zal het einde zijn?’
‘Vreeselijk,’ zei Mevrouw Cortema, terwijl ook zij verbleekte. ‘Is het dus al zoo ver gekomen, dat de Bank je verder crediet weigert?’
‘Ja, zoo ver is het gekomen,’ klonk het somber. ‘De toekomst ziet er donker voor ons uit, vrouwtje, - ik vrees zelfs het ergste. Wie zal mij helpen? En zonder hulp ben ik verloren.’
Mevrouw Cortema viel op een stoel neder, en groote tranen droppelden haar uit de oogen.
‘Arme jongen,’ zei ze zacht. ‘Je bent wel ongelukkig, den laatsten tijd.’
‘Ja, en wat moet er van Thilde komen, als het ergste gebeurt, - als - als mijn failliet onvermijdelijk blijkt? Zal Leo haar ook in het ongeluk trouw blijven? Zeker, ik weet
| |
| |
het, hij is een goede jongen, - maar een failliet is heel, heel erg, lieve. En dan spreek ik nog maar niet eens over jou. Mijn hart krimpt ineen, als ik er diep over doordenk.’
Mevrouw Cortema stond op en sloeg hem haar arm om den hals. Haar wang vlijde zij tegen de zijne.
‘Lieveling, arme lieveling,’ zei ze fluisterend. ‘Heb over mij geen zorg. Ik heb je lief genoeg, om zelfs armoede en ontbering met je te kunnen deelen. Maar wat moet het hard voor je zijn, afstand te moeten doen van je zaak, van je mooie fabriek, van dit huis, waarin wij zooveel jaren gelukkig zijn geweest. Ach, dat de Bank nog wat geduld met je had....’
‘Vestig daar je hoop niet op; ik ben bij Van Salmen geweest, maar hij kan niet verder gaan. Zelf moet ik toegeven, dat hij al meer heeft gedaan, dan hij feitelijk kon en mocht.’
‘En is er dan niemand anders, die je helpen kan? 't Is immers maar tijdelijk, en je benarde toestand is toch feitelijk slechts een gevolg van de omstandigheden. De kern van je zaak is toch goed?’
‘Zeker, de kern is goed, maar je weet, hoe het ongeluk mij achtervolgd heeft. 't Begon al met de lading rijst, die ik uit Indië onderweg had, toen de prijs dag aan dag in een vliegend tempo daalde, wat me bijna een ton kostte, - toen volgde het groote failliet van Flint & Flint in Londen, waar ik voor meer dan een ton in zat, en of dat nog niet erg genoeg was, ging ook Tornox Brothers over den kop. En vandaag Bertels en Co., om de deur dicht te doen. Vrouwtjelief, hoe ik de zaak ook bekijk, ik zie nergens uitkomst. Alleen een nabob zou mij kunnen redden, hetzij als compagnon, hetzij als stille vennoot. Maar waar vind ik zoo iemand? En dan zoo gauw? Want nu de Bank mij geen crediet meer geeft, zou het gauw moeten gebeuren.
| |
| |
Zonder geld kan ik geen zaken doen. Dan loopt alles binnen enkele dagen vast. Neen, ik zie geen uitkomst, - nergens.’
Wanhopig woelde hij met zijn hand door zijn haar, en hij zat met gesloten oogen.
Er ontstond een langdurige, pijnlijke stilte. Het gemoed van zijn vrouw schoot vol bij de gedachte, hoe de man, dien zij lief had, den laatsten tijd had moeten lijden, en zij staarde met diep medelijden op het bleeke gelaat, dat haar zoo duidelijk het bewijs was, dat hij bijna bezweek onder de zorgen, die hem dreigden te verpletteren. Ach, wist zij maar een middel, om hem te redden. Maar wie zou dat doen? Van Salmen zou de eenige zijn, dat wist zij, maar die was immers al verder gedaan, dan hij mocht. Al hun vrienden en kennissen liet zij in haar gedachten de revue passeeren, maar geen was er daaronder, die hier afdoende hulp zou kunnen verleenen, ook al zou de wil er misschien wel zijn.
Tot plotseling de naam Banders haar in de gedachten schoot. Ja, ja, Banders zou het misschien willen doen. Was hij geen jeugdvriend geweest van haar man, en had hij den vorigen avond nog niet duidelijk laten blijken, dat hij die vriendschap allerminst vergeten was en den ouden band weer graag wilde vernieuwen? Zei Thilde niet, dat hij haar wel vijf, zesmaal aangesproken had en dat hij haar vader herhaaldelijk zijn vriend had genoemd, en dat de herinnering aan hun beider vriendschap hem nog altijd dierbaar was? O, als dat eens waar mocht zijn, als Banders eens werkelijk bereid gevonden werd, de reddende hand toe te steken, wat zou dat een vreugde zijn. En hoe gemakkelijk kon hij het doen, want hij was volgens de geruchten immers multi-millionnair?
‘Zeg eens, man, heb je al eens aan Karel Banders gedacht? Je hebt zelf van Thilde gehoord, hoe 'n aangename
| |
| |
herinnering hij nog heeft aan jullie vriendschap, en hij schijnt rijk genoeg te zijn om te kunnen helpen, als hij wil.’
Bij het hooren van den naam Banders had Cortema zich plotseling met een schok uit zijn lustelooze houding opgericht, en verrast keek hij zijn vrouw in het gelaat, waarop weer eenige hoop te lezen stond.
‘Karel Banders,’ mompelde hij zacht voor zich heen. En nogmaals klonk het van zijn lippen: ‘Karel Banders. Dat zou mogelijk kunnen wezen. - Neen, vrouwtje, aan hem had ik nog niet gedacht. O, als hij wilde, - als hij wilde! Hoe gemakkelijk zou het voor hem zijn, ons van den ondergang te redden, want, zooals je zegt, hij moet enorm rijk zijn. Maar zàl hij willen? Zoo bijzonder intiem zijn we nooit geweest, en we hebben elkander na ons twintigste jaar totaal losgelaten, zelfs geen briefje meer gewisseld. Eerlijk gezegd kan ik niet eens ontkennen, dat hij me nooit bijzonder sympathiek is geweest.’
‘Wat niet wegneemt, dat hij jou wel sympathiek kan gevonden hebben. In allen gevalle heeft hij gisteravond met zeker enthousiasme over jullie oude vriendschap gesproken en Thilde herhaaldelijk blijk van zijn belangstelling gegeven, natuurlijk alleen om het feit, dat zij de dochter was van jou, zijn ouden vriend. Hoor eens, beste man, hoe dieper ik er over denk, hoe meer ik begin te gelooven dat hij misschien de man is, die je helpen wil. Als dat eens waar was, Frans. Als hij je eens staande wilde houden? Wat zou ik dien man dankbaar zijn, ongelooflijk dankbaar. Zou je het niet eens probeeren, Frans?’
De heer Cortema keek geruimen tijd zwijgend voor zich uit, in gepeins verzonken. Eindelijk richtte hij zich op, gaf zijn vrouw een kus en zei:
‘Ik zal het probeeren, lieve. Vanavond zal ik hem een bezoek brengen.’
|
|