Fabelen en gedichtjes
(1873)–J.J.A. Goeverneur–J.J.A. Goeverneur, Fabelen en gedichtjes. Hugo Suringar, Leeuwarden 1873
-
gebruikt exemplaar
exemplaar Koninklijke Bibliotheek Den Haag, signatuur: 1087 A 92
algemene opmerkingen
Dit bestand biedt, behoudens enkele hierna te noemen ingrepen, een diplomatische weergave van Fabelen en gedichtjes van J.J.A. Goeverneur uit 1873. De illustraties zijn van de hand van Otto Eerelman.
redactionele ingrepen
Bij de omzetting van de gebruikte bron naar deze publicatie in de dbnl is een aantal delen van de tekst niet overgenomen. Hieronder volgen de tekstgedeelten die wel in het origineel voorkomen maar hier uit de lopende tekst zijn weggelaten. Ook de blanco pagina's (p. II, 4, 8, 12, 16, 20, 24 en 25) zijn niet opgenomen in de lopende tekst.
[pagina ongenummerd (p. I)]
Goeverneur's Fabelboek.
Fabelen en gedichtjes.
Leeuwarden
Hugo Suringar.
1873
[pagina ongenummerd (p. 26)]
Inhoud van Goeverneurs fabelboek
Ach, Kuikens, maakt u weg van hier, - enz. |
Ach, Meeuw, als ik maar vliegen kon, - enz. |
Ach zie, ons vogeltjen is dood! - enz. |
Ba! wat is 't koud hier in den plas! - enz. |
Boek! mijne ouders wenschen zeer, - enz. |
Bokje, pas op, anders bijt ik u zeer! - enz. |
Braadworstje, ginder in de pan, - enz. |
Dag, wezeltje, waarheen zoo snel, - enz. |
De lucht wordt warm, de winter is geweken, - enz. |
De vogeltjes maken een droevig geschreeuw, - enz. |
Duifjes, doet het u geen zeer, - enz. |
Eekhorentje, kom toch en speel wat met mij; - enz. |
Eendje, hoor eens en vertel! - enz. |
Eendjelief, wat ben ik blij, - enz. |
Egel, tsa, ik pak u aan. - enz. |
Ei, ei, heer Uil, komt ge eens aan 't licht? - enz. |
Ei, ik wou toch wel eens weten, - enz. |
Ei, meester Wolf, jeukt u de maag? - enz. |
Foei, groote lobbes! schaam u wat, - enz. |
Foei, luie Das, foei, schaam u wat! - enz. |
Foei, 't is toch dom van mij geweest, - enz. |
Foei, wat een woest gekijf is dat! - enz. |
Goeden morgen, lieve jongen! - enz. |
Gij, knaapjes en meisjes! ach, geeft mij een peer, - enz. |
Ha, welkom, welkom, lieve Beer! - enz. |
Haasje, Haasje, merkt ge wat? - enz. |
He, Mevrouw Gans, zie ik u hier? - enz. |
'k Heb een raadsel, als ge 't raadt, - enz. |
Heb ik daar het luid geschal - enz. |
Heer Kukluku, want scheelt er aan, - enz. |
Heer Leeuw, gij zijt zoo sterk en groot, - enz. |
Heer Olifant! hoe oud zijt gij? - enz. |
Heer Os! gij trekt zoo'n zuur gezicht, - enz. |
Heer Wind, wat zijt gij onbeleefd! - enz. |
Hei daar, lummel van een dier, - enz. |
Hei, Raaf, hei, schelm, hei, zwarte dief! - enz. |
Hei, Spreeuw, zijt gij doof? Zeg, wat doet ge in mijn nest? - enz. |
Het roodborstje pikt aan het venster: tin! tin! - enz. |
Hoenders, wat scheelt u, wat dreigt u voor kwaad, - enz. |
Hondjen, wel, wat zijt ge kleen! - enz. |
Hondje, zit op! - enz. |
Hoor, Ezel, als gij m'er naar vraagt, - enz. |
Ik ben het Lekkers, aardig kind! - enz. |
Kapel, Vertel, - enz. |
Kipjes, wat huppelt gij, - enz. |
Kip, och, kakelt gij al weer? - enz. |
Kleine guit - enz. |
Knaapje, ik bid u al mijn best, - enz. |
Kom toch hier, lichtzinnig kuiken! - enz. |
Kom, vriend Langoor, rep u wat; - enz. |
Komt, kleintjes, luistert eens aandachtig. - enz. |
Konijntjes, zegt mij, - enz. |
Kijk eens, hoe ik, holderbolder, - enz. |
Laarzen, ei laarzen! 'k heb wel eens gezien, - enz. |
Lammetje, zeg toch, hoe blaat gij zoo bang? - enz. |
Leeuwrik, wel, wat zingt gij vroeg! - enz. |
Lieve Poesjes, wacht eens even, - enz. |
Lieve Vogels, zijt gij daar? - enz. |
Lieve Zwaluw, aardig dier, - enz. |
Lieve Zwanen, zwemt ge weder - enz. |
Muisje, foei! wat zie ik daar! - enz. |
Mijn Bigjes! sprak het oude Zwijn - enz. |
Ooievaars, ooievaars, zegt mij, waarheen? - enz. |
Paardje, uw krib is boordevol, - enz. |
Pak u weg, gij kwade Bij! - enz. |
Poesjelief, wat wordt gij groot! - enz. |
Poesje, 't is een booze tijd, - enz. |
Pop, ik merk met groot verdriet, - enz. |
Popje, foei, het is toch schande, - enz. |
Reetjes, een, twee, drie, vier, - enz. |
Roe, ha, vind ik u daar staan? - enz. |
Sliep hem uit! hem met zijn pruik, - enz. |
Spits, mij dunkt, het was niet kwaad, - enz. |
Spits, wilt ge mee uit wandlen gaan? - enz. |
Stil, Hondje, stil en wees te vree, - enz. |
Stoute jongen daar gij zijt! - enz. |
Toe, Muisjelief, toe, rep u wat - enz. |
Veulen, flink en aardig dier, - enz. |
Veulen, spring en speel maar toe, - enz. |
Vischje, vischje, pas toch op, - enz. |
Vlinder, zijt gij - enz. |
Vogel, pas op, want ik zal u betrappen! - enz. |
Vogel, 't is zoo bitter koud, - enz. |
Vriend Spits, zonder gekheid, ik moet u wat vragen, - enz. |
Wat, is 't hier prettig, zullen wij - enz. |
o Wee mij, o wee mij, daar heb ik 't verbruid! - enz. |
Wel hoe blaft gij zoo, Kardoes? - enz. |
Wel jemenie joosje, wat riekt het hier goed! - enz. |
Wel, lieve Duifjes, zit gij nog - enz. |
Wel, Poes, wat sluipt ge zoo alleen - enz. |
Wel, zeg mij eens, broertje, wat ge al zoo verstaat, - enz. |
Wel, zie mij daar dien Haas eens aan! - enz. |
Wie raadt mijn mooi raadsel? wie is zoo verstandig? - enz. |
Zeg, juffrouw Geit, als 't u behaagt, - enz. |
Zie daar dien bedelaar eens staan; - enz. |
Ziet gij dien grooten vogel daar? - enz. |
Zoo, weer aan 't snoepen, leelijk dier, - enz. |
'k Zou niet steeds in wind en regen - enz. |