Den Goddelycken Minnenpijl
(1678)–Johanna de Gavre–(Op de selve wijse) Mijn Ziel is ghesmolten als het wasch als tot my sprack den Beminden.
Den Beminden Bruydegom.
Wel alder Liefsten mijn,
Wat is het voor een pijn,
Wat ist voor smerten en voor swaerigheydt,
Dat ghy hier schier heel van u selven leydt,
Sint wanneer hebdy dit ghehadt,
Oft heeft een Moorders handt u aenghevat,
| |
[pagina 72]
| |
My dunckt och Iac ghy swemt schier in u bloedt,
Couragie mijne Bruydt scheyt goeden moedt.
De Bruydt.
Neen kender van de Min,
T’kerft al wat anders in,
De sieckte van mijn hert die is soo groot,
Dat t’wonder is dat ick niet en ben doodt,
Ghy zijt alleen die my soo quelt,
En mijne Ziel in soo veel pijnen stelt,
Want minnaer doen ghy lestmael tot my spraeckt,
Hebt ghy mijn hert inwendelijck gheraeckt.
De Bruydt.
Mijn Ziel smeldt op het pas,
Ghelijck voor’t vier het was,
Want uwe woorden zijn soo vierigh heet,
| |
[pagina 73]
| |
Dat sy een Ziel brenght tot het Minne leedt.
Bruydegom
Mijn Bruydt dit is een Medecijn,
T’is voor een Ziel ghesont soo sieck te zijn,
Als ick mijn Bruydt sien in den Minnen blaeck,
Als dan gheniet mijn hert het meest vermaeck.
De Bruydt.
Maer al ligh ick in dees smert,
Nochtans gheniet mijn hert,
Een overgroote Gheestelijcken smaeck,
Waer in ick vinde grootelijcks vermaeck,
Bruydegom
Dit is de konste van de Min,
Niemandt verslaghet als die kent den sin,
Hoe ick meer spreeck hoe meer dat ick hun wondt,
Hoe meer ick quest hoe meer ick maeck ghesondt.
|
|