| |
| |
| |
Staatzucht en Bruiloft
1
Vondel was tweeëndertig jaar oud, toen hij een berijmde vertaling liet uitgeven van de Phaedra van Seneca. Hij had dit werk hoofdzakelijk ondernomen om zich in het gebruik van de tragische stijl te oefenen. Ofschoon zijn kennis van het latijn niet onberispelijk was, streefde hij naar de grootst mogelijke juistheid van weergave. Vaak dwong de rijmtechniek hem evenwel tot uitbreidingen. Zo lopen de 1280 versregels van Seneca tot 1587 versregels bij Vondel uit.
Emfatische uitbreiding van een tekst maakt in de baroktijd deel uit van vrijwel iedere vertaaltechniek. Bij prozawerken heeft ze minder belang dan bij gedichten, omdat een woordelijke weergave daar minder onderworpen is aan eisen van sierlijke zinsvoeging, welluidendheid en aanschouwelijkheid. Ze strekt er in hoofdzaak tot verduidelijking van een begrip of tot verklaring van een woord.
In vertaalde gedichten tracht de emfatische uitbreiding de voorstellingswijze van de oorspronkelijke schrijver scherper te doen doordringen tot het begrip of tot de verbeelding van de lezer. Bij psalmvertalingen op rijm is die streving helder waarneembaar. De vertaler gedraagt zich door zijn wijze van weergave meteen als tekst-verklaarder.
Hij mag in een breedvoerige omzetting de bedoeling van de dichter verduidelijken of beklemtonen, maar hij gaat de wetten van de vertaalkunst te buiten, zodra hij begrippen of beelden toevoegt, waarop in de oorspronkelijke tekst in het geheel niet werd gezinspeeld. Over het algemeen weet Vondel deze fout te vermijden.
| |
| |
Het komt soms voor, dat hij de weer te geven, taalvormen niet ten volle begrepen heeft. In zulke gevallen is zijn misverstand gewoonlijk even achterhaalbaar en doorzichtig als bij een scholier, die een begrijpelijke of zelfs een domme vergissing maakt. Ook verzwakt hij zijn vertaling wel eens door te veelvuldige uitbreiding. Doch zelden voegt hij iets van eigen vinding toe, dat volslagen buiten de gedachtengang van de tekst lag.
Zulk een uitzonderlijk geval vertoont bij hem de aanvangsmonoloog van Hippolytus. Op het ogenblik, dat deze om de bijstand van Diana smeekt voor de jacht, die hij gaat ondernemen, staat er in het latijn:
Ades en comiti Diva virago,
Cuius regno pars terrarum
Hier wordt dus gezegd, dat een gedeelte van het aardrijk onbetreden openligt voor de heerschappij van Diana. Deze aanroeping tot de godin geeft Vondel in vier versregels aldus weer:
O boschheldin, o jagtgodes!
Wiens wouden en speloncken vry
Van staetsucht sijn en heerschappy;
Weest uwen meedgesel ontrent.
Niets rechtvaardigde de invoeging van het begrip ‘staatzucht’ op deze plaats. Blijkbaar heeft de vertaler hier niet verstaan, dat een gedeelte van de aarde onbetreden open ligt voor het bewind van Diana, maar dat Diana's gedeelte van de aarde gevrijwaard blijft tegen iedere overheersing. Dit is dan een verkeerd begrip van de tekst, gemakkelijk te verontschuldigen bij iemand, die op latere leeftijd latijn heeft moeten leren van vrienden.
Gelijk hij nu ‘pars terrarum’ vertalend omschrijft als ‘wouden en speloncken’, zo breidt hij ‘regnum’ uit tot ‘staatzucht en heerschappij’. Zijdelings geeft hij ons hierdoor te kennen, dat in zijn veelvuldig gebruik van het woord ‘staatzucht’, waardoor hij de ongeregelde begeerte aanduidt naar een hogere rang dan iemand rechtens bekleedt, meestal een bijgedachte aan de
| |
| |
despotische machtsbegeerte van vorsten moet worden verondersteld. Op zichzelf dwingt het woord niet tot deze bijgedachte. Maar een onbeheerste zucht naar verhoging in rang manifesteert zich vaak het meest waarneembaar in het politieke leven.
In enkele treurspelen van Vondel is de staatzucht de enige of de voornaamste beweegkracht tot de tragische ondergang van de held. Doch in de tragedie van Phaedra en Hippolytus speelt ze geen overheersende rol, al blijft ze niet volslagen vreemd aan het karakter van de dochter van Minos, koning van Kreta, nu ze zich te Athene verlaten voelt door haar echtgenoot Theseus. Zeker plaatste Vondel het woord ‘staatzucht’ niet in het gebed van Hippolytus om te zinspelen op de stamtrots van Phaedra. Vrij-zijn van overheersing leek hem enkel mogelijk bij vrijwaring tegen de bittere gevolgen van staatzucht.
Uit ongeregelde begeerte naar verhoging volgt overschatting van eigen kracht en afgunst jegens meer vermogenden of hoger geplaatsten. Dit zijn in het wereldbeeld van de treurspeldichter Vondel de destructieve krachten bij uitnemendheid. Hij beeldt ze bij herhaling uit en ontleedt ze dan zorgvuldig.
Als gevolg van zijn hovaardige drang tot overheersing van het volk Gods ziet de Pharao van Egypte zijn legermacht ten onder gaan in de Rode Zee. De verwoesting van Jerusalem wordt mogelijk gemaakt door de verbitterde strijd om de hegemonie tussen de verdedigers van de stad: Eleazar, Johannes van Giscala en Simon, de zoon van Gioras. Als beweegreden tot de moord op de onnozele kinderen wordt in Gijsbreght van Aemstel de staatzucht van koning Herodes nadrukkelijk genoemd. Lucifer komt tot opstand tegen God uit verzet tegen de gedachte, dat een Mensenzoon de hoogste plaats in de hemel zal bezetten. Salmoneus, koning van Elis, ‘door de staatzuchtige verwaandheid zijner gemalin Filotimie aangedreven’, laat zich als een God aanbidden, maar wordt neergebliksemd. Faëton stort met de zonnewagen neer, omdat hij onrechtmatig de plaats van zijn vader Phoebus begeerde. Het eerste mensenpaar wordt door Satan verleid tot de zondeval met de staatzuchtige voorspiegeling, dat het aan God gelijk zal worden.
| |
| |
De tragische val van de hoofdpersoon sleept in de meeste treurspelen van Vondel de ondergang van grote menigten personen met zich mee. De ellendige neerstorting van de hovaardige is meer dan een persoonlijke straf. Ze is een maatschappelijke ramp. Staatzucht verwoest levens, maar ook koninkrijken. Ze levert een voedingsbodem voor alle zonden van individu en gemeenschap. Van andere treurspeldichters, ook uit de baroktijd, onderscheidt Vondel zich door zijn scherp inzicht in de uitwerking van de staatzucht op de maatschappelijke structuur. De vanitas-gedachte, die zo dikwijls door kunstenaars van de barok is uitgebeeld en bezongen, krijgt bij hem een emfatische uitbreiding tot de onverbiddelijke superbia-tragedie.
Tussen de vergankelijkheid van het zichtbare heelal en de vergankelijkheid van de koninkrijken der aarde bestond voor de dichters van de baroktijd een geheimzinnig verband. Hun godsdienstig gedachtenleven zocht evenwicht met hun natuurkundig wereldbeeld. Zij kenden weinig angst voor het vergaan van de wereld, maar zij wisten, dat de wereld vergankelijk is. De kans op een algehele vernietiging bedreigde hun bewustzijn nauwelijks, want zij ontdekten telkens nieuwe gedeelten van de aarde, waaruit hun in verschillende vormen nieuwe welvaart toestroomde. Vooral de Nederlanders van de 17e eeuw dachten stelliger progressief dan eschatologisch of parousistisch. Weliswaar waarschuwden dichters en predikanten herhaaldelijk tegen de zedelijke gevaren van een alom toenemende weelde, doch het denkbeeld, dat in hun eigen levenstijd de wereld totaal zou kunnen verwoest worden, bleef voor hen even onvoorstelbaar als het theologisch onbetwistbaar voor hen was. Angst voor de ineenstorting van alles dat zij kenden, bewoog hun gemoed zelden.
Van de andere kant beschouwden zij de wereld als samengesteld uit onverzoenlijke elementen. Vuur, water, aarde en lucht verdragen in beginsel elkaar niet. Hun onderlinge vijandschap, die iedere minuut tot vernietiging van alles zou kunnen leiden, is alleen maar tot vrede gebracht en wordt ook in stilstand gehouden door de besturende wil van de Schepper. Werden de elementen in blinde woede op elkander losgelaten, dan zou de
| |
| |
wereld geen ogenblik langer bestaan. Dit blijkt bij grote overstromingen, vulkaanuitbarstingen, stedebranden en orkanen. Zulke rampen, voor het volksbewustzijn vaak door hemeltekenen aangekondigd, waren de symbolen van de verschrikkelijke macht van God.
In de treurspelen van Vondel branden Troje, Jerusalem, Amsterdam, het paradijs, tot de grond toe af. De eerste wereld wordt door de wateren van de zondvloed overstroomd. Het leger van Pharao verzinkt in de Rode Zee. Een derde gedeelte van de hemelse legermachten stort uit de hoogste hoogte neer in de altijd brandende zwavelpoel van de hel. Deze ontketening van de elementen, waaruit de makrokosmos bestaat, vindt haar oorsprong in de ontketening van de tegenstrijdige hartstochten, die woeden in de mikrokosmos, die de mens is.
Vondel spreekt van ‘blinde’ staatzucht. Ongeregelde hartstocht verblindt de mens. Hij loopt noodlottig zijn ondergang tegemoet. Het fatum, bij de christen onbekend in zijn oorspronkelijke, heidense gedaante, kan krachtens deze verblinding door de hartstocht, toch als destructieve kracht optreden in het christelijke treurspel van de barok. Het vernietigt de opstandige, die zich ijdel verheffen wil boven de gestelde orde. In die vernietiging sleept het legermachten en koninkrijken mee.
De structuur van het heelal wordt namelijk niet alleen weerspiegeld door de individuele structuur van de mikrokosmos, maar ook door de structuur van de maatschappij. Het beeld, dat de mens van de zeventiende eeuw zich vormde van de samenleving, lijkt bij eerste aanblik statisch, vooral dáár, waar de absolute monarchie in nationale staten de plaats had ingenomen van de feodale en supranationale geleding uit de middeleeuwen.
Nederland was echter niet zulk een gebied. De kerk van de middeleeuwen werd er machteloos gemaakt en de maatschappijvorm van de middeleeuwen liet er slechts herinneringen na in de gecompliceerde wijze, waarop de vertegenwoordigende bestuurslichamen werden samengesteld. Terwijl de Verenigde Provinciën naar buiten een aanzienlijke politieke macht vertoonden, zochten zij binnen de tamelijk enge landsgrenzen voortdurend
| |
| |
evenwicht. In Vondels angst voor de verwoestende werking van de staatzucht beluistert een kenner van de nederlandse geschiedenis soms scherpe waarschuwingen tegen iedere zucht naar dwingelandij. Hiermee worden Vondels treurspelen geen actuele allegorieën met staatkundige strekking doch ze worden wel beter verklaarbaar als voortgekomen uit het toonaangevende Nederland van de zeventiende eeuw.
Waarschuwing tegen machtswellust van vorsten, staatsdienaren of kerkbestuurders klinkt onophoudelijk op uit de hekeldichten van Vondel. Deze satiren zijn grotendeels tot stand gekomen in een periode van zijn leven, waarin hij als treurspeldichter niet buitengewoon vruchtbaar is geweest. Hun felle waarschuwing houdt in, dat de machtswellust van de verantwoordelijke bestuurders noodlottig het zedelijke leven, dit is de maatschappelijke orde, van de onderdanen ontwricht. Dwingelandij veroorzaakt burgertwist, die de innerlijke kracht van de gemeenschap sloopt, doordat ze binnendringt tot in haar innigste kernen. Het derde bedrijf van Lucifer ontleedt dit maatschappelijk ontaardingsproces heel scherp.
| |
2
Als treurspeldichter, bezield door grootse visioenen van ondergang, zoekt Vondel in zijn christelijk bewustzijn naar een symbool voor de reddende deemoed, die hij, wederom emfatisch, omschrijft als Godgelatenheid en stilte. De nederigheid levert de enige tegenkracht tegen de hoogmoed, doch in de maatschappij dient die nederigheid waarneembaar te zijn als een vrijwillige aanvaarding van de orde, die door God aan de schepping werd opgelegd. Het martelaarschap zien wij in enkele treurspelen, handelend over de Heilige Ursula, over Petrus en Paulus, over Maria Stuart, als het heroïsche tegenbeeld van de staatzucht bij Attila, Nero en koningin Elisabeth. Die tegenstelling gaat terug op een grondvorm, waarin de griekse held Palamedes onschuldig ter dood wordt gebracht door het listig drijven van Ulysses.
| |
| |
Hier hebben we te maken met een politieke allegorie, die zinspeelt op gebeurtenissen uit 1619. De staatzucht van Agamemnon treedt buiten de maatschappelijke orde, waarvan Palamedes de martelaar wordt.
In de christelijke tragedie gaat weliswaar het lichamelijke leven van de martelaar te gronde, doch zijn ziel zegepraalt over de tyrannie van de beulen en hun lastgevers. Hierin bestaat de triomf van de bloedgetuige, dat hij bij schijnbare nederlaag zijn doel bereikt op een hoger niveau. De staatzuchtige heerschappij van de vervolger zal vergaan, doch de vervolgde bezit in een onvergankelijke heerlijkheid het allerhoogste goed.
Het dode lichaam van de martelares Ursula wordt ter uitvaart door Keulen gedragen en de aartsbisschop van die stad huldigt de vrome kruisheldin als een stut voor het eeuwig rijk. Het is, zegt hij, alsof ze in het geheel niet gestorven was; zelfs schijnt zij niet te sluimeren, maar levend lacht ze u toe. En dan vergelijkt de bisschop haar bij een bruid, die te prijk zit, nu ze in het hemelse koor, met de engelen als getuigen, trouwde met de Schoonste Bruidegom. Deze voorstelling werd ontleend aan het dagelijkse leven. Na de kerkelijke dienst op de huwelijksdag ontvingen pasgetrouwde lieden hun verwanten en vrienden, die gelukwensen en geschenken ter gelegenheid van het huwelijk kwamen aanbieden. De bruid droeg tijdens deze receptie een gewaad, dat speciaal voor de trouwdag was vervaardigd.
In het burgerlijke leven drong dit gebruik betrekkelijk laat na de opkomst van de steden binnen. Het vond zijn oudste voorbeeld bij de pompeuze huwelijksfeesten uit de adelstand. Voor een enkele dag kreeg de woonruimte in het ouderlijk gezin van de bruid het voorkomen van een vorstelijke ontvangstzaal, waar trouwe vrienden hun opwachting kwamen maken en hun hulde brengen, gelijk dit in de middeleeuwen gebruikelijk was geweest op de burchten en later in de zalen van de raadhuizen bij huwelijken van kinderen uit magistraatskringen of hooggeplaatste notabelen. Terwijl de bruid op huwelijksreceptie ‘te prijk’ zat, werd zij toegezongen met feestelijke liederen. Bevond zich in de omgangskringen van de familie een dichter, dan
| |
| |
begroette hij het jonge huwelijksgeluk met een toepasselijk epithalaam.
In de Noordelijke Nederlanden kwam deze vorm van gelegenheidspoëzie omstreeks 1600 tot snelle bloei. De oudste nederlandse verzameling van bruiloftsgedichten werd in 1599 uitgegeven door een uitgeweken Brabander, Michaël Vlacq. Het was een tamelijk neutrale feestbundel met alom toepasbare heilwensen, de voorbode van een eindeloze reeks bruiloftsliederen op allerlei bekende zangwijzen.
Om te begrijpen, hoe krachtig een dichter als Vondel aangegrepen worden kon door het plechtigheidsvertoon bij een tamelijk alledaagse huwelijksreceptie, moet de lezer bedenken, dat elk gelegenheidsgedicht in de gesloten samenleving van de zeventiende eeuw een voorname taak vervulde. De geestdrift van de genodigden weerspiegelde nog iets van de grandioze vreugde bij vorstenhuwelijken van weleer. In de nieuwe staatsorde werd iedere man, die een gezin stichtte, heer in eigen huis en heer op eigen erf. Hij had de heerlijkheidsrechten van de vroegere kasteelbewoners verplaatst naar het intiem domein van zijn verantwoordelijkheid. Zijn bruid prijkte voor de gasten als een verheven vorstin. Straks zal ze de huisvrouw zijn van een onafhankelijke man in de nieuw verworven vrijheid van het gemeenzaam vaderland!
Het oudste gedicht, dat wij van Vondel kennen, is zulk een feestelijk bruiloftsgedicht. Het werd geschreven in 1605, toen de dichter zeventien jaar oud was. Op de bruiloftsreceptie van een buurmeisje, Clara van Tongerloo, droeg hij het voor. Als poëzie heeft deze eerste proef van Vondels talent nog weinig te betekenen. De zelfstandige oorspronkelijkheid van de dichter komt nauwelijks te voorschijn achter een hoog opgeladen vracht van aanhalingen uit de bijbel. Alles wat in het Hooglied, de psalmen en de brief aan de Efesiërs wordt gezegd over de verhouding tussen man en vrouw en over het vooruitzicht op kinderen en kindskinderen, is moeizaam bij elkaar gebracht in verwikkelde strofen, waartussen dan nog herinneringen aan de klassieke oudheid en mythologische namen de overdaad van
| |
| |
toespelingen verzwaren. Van belang is echter in dit vroegste jeugdwerk de centrale gedachte, dat ieder huwelijk tussen twee mensen een zinneteken is van de bruiloft tussen Christus en de Kerk. In latere gedichten zal Vondel die gedachte gaandeweg verbreden. Ieder huwelijk wordt bij hem het symbool van de gevonden overeenstemming tussen God en wereld, geest en vlees, verstand en hart.
Hoewel er in de zeventiende eeuw een vloed van bruiloftsgezangen werd uitgegeven, door allerlei dichters geschreven, onderscheiden de bruiloftsgezangen van Vondel zich tussen deze gelegenheidsgedichten met eenzelfde standvastige superioriteit als zijn treurspelen zich onderscheiden tussen het lopende toneelwerk uit die tijd. Hun voortreffelijkheid danken ze niet uitsluitend aan de zuivere taal, de gave beeldspraak en de meeslepende ritmen van de vakbekwame dichter. Hij is ideologisch de meerdere van alle andere huwelijksdichters, doordat hij diep is doorgedrongen in het wezen zelf van de bruiloftsviering als een symbolische liturgie van het hoogste menselijk geluk op aarde.
Boven zijn angst voor de inconsistentie van het zichtbare heelal, waarin tegenstrijdige krachten vernietigend woeden, stelt hij de vreugde om jeugdig huwelijksgeluk als zinneteken voor de dankbare aanvaarding van een eigen levensstaat in harmonie met de bedoeling van de Schepper. Niet enkel in gelegenheidsgedichten heeft hij telkens op deze wijze het huwelijk verheerlijkt. In de koorzangen van zijn tragedies, in het bijzonder Gijsbreght van Aemstel en Adam in Ballingschap, beleed hij dezelfde opvatting over de bruiloft. Ze vormt een kernbegrip van zijn levensbeschouwing en integreert zich onafscheidelijk in het afgeronde wereldbeeld van zijn filosofie.
Gelijk hij de staatzucht toevoegde aan een tekst van Seneca, die hier op geen enkele wijze om vroeg, zo brengt hij de bruiloft op verrassende wijze in verbinding met het Beatus Ille motief van Horatius. Dit gebeurt in een klein lyrisch gedicht, dat in bijna alle schoolbloemlezingen voorkomt omdat het altijd tot een van Vondels meest karakteristieke liederen is gerekend. Hij schreef het vermoedelijk als gast op de hofstede van zijn vriend
| |
| |
Jacob Hinlopen. Dit buitenverblijf lag te Naarden. Vondel heeft er blijkbaar een vrije namiddag, misschien ook de nacht doorgebracht. In de boomgaard hoort hij opeens een vogeltje zingen. Zijn gedicht, misschien een dankbetuiging aan de gastheer, vat de vermaning samen, die deze vrije vogel door zijn onbekommerd lied geeft aan de stadsmens, gedurig door zorgen om geld en zaken gekweld. De vogel zingt niets dat niet ook te vinden zou zijn bij Horatius in zijn lofprijzing van het buitenleven of in het evangelie van Mattheus (6:26) bij de vermaning tot zorgeloosheid betreffende kleding en voedsel. Slechts de bekoorlijke samenstemming van deze algemeen-bekende gedachten met de ‘wildzang’ van een vogeltje is een oorspronkelijke vondst van de dichter.
In zijn emfatische uitbreiding van de overbekende teksten, voegt hij onverwachts een motief toe, dat bij Horatius en in de Bijbel niet voorkomt:
Wy minnen zonder haet en nijt,
Ons bruiloft bint zich aen geen tijt,
Wat hier gezegd wordt, is vooral merkwaardig omdat de bruiloft die in alle talen een inchoatief begrip aanduidt, door Vondel duidelijk als duratief wordt voorgesteld. Dit is niet in overeenstemming met hetgeen een ornitholoog zou kunnen berichten over de paring van vogels! De duitse vertaler van het gedicht, Alexander Baumgartner S.J., ontweek de aldus ontstane moeilijkheid door de bewering enigermate te verzwakken. Hij geeft de strofe aldus weer:
Wir minnen ohne Hasz und Neid
Und halten Tanz und Sang,
Das Brautfest hat nicht fixe Zeit,
Vondel drukt zich sterker uit. Hij kent de eeuwige bruiloft als een duurzame voorstelling van het hoogste geluk. Wat
| |
| |
staatzucht vernietigt, kan slechts deemoedige liefde herstellen.
Dit zijn de polaire begrippen van zijn godsdienstige wereldbeschouwing. Door die polariteit wordt ze gekenmerkt als de wereldbeschouwing van een christelijk dichter uit de barok-tijd.
Hoogmoed vereenzaamt en vernietigt; bruiloft vereenigt en schept toekomst. Hoogmoed weigert onderworpenheid aan een gestelde orde die gesticht wordt door eenvoudige overgave in liefde. Het puin van brandende steden stort in Vondels treurspelen omlaag als zinnebeeld van de ijdelheid, maar in die regen van puin blijft de liefde beschermd door een hoger beginsel:
Dit is het krachtigste ciment,
Dat herten bindt, als muuren breecken
Voor de inconsistentie van het zichtbare heelal wordt de mens behoed door de standvastigheid van zijn deemoedige liefde. De wereld vergaat tot stof. De liefde voert tot de eeuwige bruiloft van de unio mystica. De staatzucht drijft naar het eeuwige duister. De liefde heft op naar het eeuwige licht.
Deze levensbeschouwing veronderstelt een goddelijk oerplan van schepping, wereldgeschiedenis en mensenlot. Het is, mag men zeggen, een conformistische levensbeschouwing. Zij steunt dan ook op de zekerheid, dat het leven een grondvorm voorgeschreven heeft gekregen van zijn Schepper. Deze exemplarische grondvorm van het menselijk bestaan is bovendien zichtbaar geworden in de menswording van Jezus Christus. Zijn liefde tot de kerkgemeenschap is de grondvorm van de liefde tussen man en vrouw. Heel het wereldbeeld van Vondel blijft bepaald door dit beeld uit zijn oudste bekende gedicht. Het is een exemplarische en hierdoor een conformistische wereldbeschouwing. Zij draagt naar onze tijd een boodschap over, waarvoor onze tijd niet buitengewoon ontvankelijk schijnt. Het is de boodschap, dat het opperste geluk nooit gevonden kan worden in de hooghartige eenzaamheid van het individu, maar in de dubbele vertrouwelijkheid van de liefdesovergave.
Toch vindt deze vereniging haar oergrond in een samenspel
| |
| |
binnen het menselijke individu. Zodra de engelen in het aardse paradijs een reizang hebben aangeheven om als bruiloftsgasten voor Eva het eerste huwelijk te bezingen, noemen zij de eenheid van ziel en lichaam als de grondvorm van alle duurzame vereniging.
Zo is de conformistische moraal van de barok toch gegrondvest op de onvervangbare en onvervreemdbare zelfervaring van de mikrokosmos:
Gelijck de keel en harpesnaren,
Gespannen op een' zelven toon,
Een schoon geluit in d'ooren baeren
Dat englen treckt uit hunnen troon,
Zoo baert d'eenstemmigheit, in 't paeren
Van lijf en ziele, aen een getrout,
Een lieflijckheit, die door alle aren
De geesten streelt en onderhoudt.
Dus leeft de mensch gerust op aerde
Gelijck een Godt, in volle vreught.
Och, of de Godtheit hem bewaerde
In eene zelve lente en jeught,
Zoo kon de bruiloft eeuwigh duuren.
Een bant verbindt de twee natuuren.
Zang en muziek, bloedvat en geestdrift, lichaam en ziel verenigen zich onafscheidelijk tot eenheid, maar helaas gebeurt dit in een vervlietende tijd. Staatzucht heeft onze eeuwigheid verspeeld. De vogels namen geen deel in die ramp. Hun bruiloft duurt hun leven uit. Ook deze kant van Vondels wereldbeeld verdient overweging.
|
|