Nijmeegse colleges
(1967)–Anton van Duinkerken–
[pagina 113]
| |
Het Turfschip van Breda als poëtisch motief1. Het feit en zijn betekenisHistorisch bekeken, voldeed de verrassing van Breda op 4 maart 1590 aan alle voorwaarden om een pakkend thema toe te voegen aan de vaderlandse dichtkunst. Dat een turfschip deze overwinning bewerkte, dreef elke door literatuur gevoede verbeelding naar een herinnering aan Troje. De jonge universiteit van Leiden, waar Justus Lipsius latijn doceerde, gunde Vergilius geen mindere belangstelling dan Homerus, al was de waardeverhouding tussen deze twee dichters in 1570 door Castelvetro's commentaar op de Poëtica van Aristoteles in discussie gebracht. Het tweede boek van de Aeneis, een heldendicht, dat de geboorte van een nieuwe staat bezingt en alleen reeds hierom voorkeur genoot bij jonge humanisten uit de Verenigde Gewesten, leverde bruikbare punten van vergelijking tussen de krijgslist van Ulysses en de verrassing van Breda. Hier kwam bij, dat de overwinning door middel van een turfschip werd behaald, toen het land nog gonsde van herinneringen aan de ondergang van de Armada in 1588, terwijl de Hertog van Parma zijn vloot belemmerd zag, de Schelde af te varen. Zulke tegenslagen van vijandelijke schepen konden iedere beschikbare dichter bezielen tot ironie bij geestdrift, nu Maurits met een onooglijk vaartuig een gunstige keer aan de krijgskansen had gegeven. Afgezien van de blijdschap, die elke overwinning in die jaren bij overtuigde voorstanders van de unie der gewesten teweegbracht, leverde de verovering van Breda na Parma's mislukte aanslag op Bergen op Zoom bijzondere reden tot vreugde. Die | |
[pagina 114]
| |
vreugde schijnt de tijdgenoot nog na te juichen op de bladzijde, waarop Robert Fruin, door Pieter Bor geïnspireerd, van de gebeurtenis verslag uitbrengt: ‘Daar klonk terstond de mare door het land, dat Breda door een stoute aanleg verrast, en terstond zo voorzien was, dat de vijand het niet licht hernemen zou. De aanwinst was niet gering: Breda was een gewichtige vesting. Maar vooral om haar uitwerking op de stemming van het volk en op de moed der regenten was de overwinning heilrijk. Het was het eerste voordeel na aanhoudende tegenspoed, het blijde voorteken van de kerende fortuin. Onuitsprekelijk was de vreugde door het gehele land: overal werden de klokken vrolijk geluid en vreugdevuren ontstoken; uit alle kerken rees de dankzegging der gemeente tot God, die de overwinning geeft. En de nakomelingschap, die de bevrijding van het vaderland terecht aan deze eerste overwinning verbindt, heeft van geen feit onzer geschiedenis een levendiger voorstelling behouden dan van de verrassing van Breda door middel van het turfschip’. Behalve beveiliging van de toegang tot Dordrecht en hiermee veiligstelling van het vrijgevochten deel van de republiek, betekende de verovering van Breda een gewenste uitbreiding van haar grondgebied naar het zuiden, nogwel met land, dat van ouds aan de familie van de hollandse stadhouder toebehoorde en waar zijn vader heerlijkheidsrechten had laten gelden. Slechts Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland waren in 1590 in hun geheel door de vijand onbezet. Van Gelderland was alleen het deel ten westen van de IJssel met Bommelerwaard en Tielerwaard staats. De reductie van Nijmegen en Zutfen in 1591 zien wij achteraf als de voortgang van de offensieve beweging, die bij Breda haar eerste resultaat bereikte. In Overijsel bleef Deventer tot 1591 en Twente tot 1626 onder spaanse macht. Groningen sinds 1580 hoofdstad van het spaanse gezag in het noorden, zou met de ommelanden eerst op 23 juni 1594 tot staats gebied overgaan. Het landschap Drente hing van Groningen af. De steden Geertruidenberg en Heusden behoorden toen nog bij het hollandse grondgebied. Geertruidenberg was op 10 april 1589 sma- | |
[pagina 115]
| |
delijk aan de vijand ‘verkocht’. Van het tegenwoordige Noord-Brabant bevond zich alleen Bergen op Zoom in staatse handen. Van Vlaanderen waren Oostende en Axel staats; aan de Schelde sloten de staatse forten Lillo en Liefkenshoek de toegang van Antwerpen tot de zee af. Kon geen tijdgenoot nog vermoeden, hoe nieuwe krijgsverrichtingen na de verrassing van Breda aan dit wapenfeit van vijf en zeventig meestendeels zeer jonge mensen een beslissende plaats in de geschiedenis van de oorlog zouden toewijzen, toch bleef het karakter van verrassing dubbelzijdig, want de expeditie was voorbereid in het diepste geheim. Geen enkel woord in de resolutieboeken van Raad en Staten zinspeelt in de weken voor 5 maart op de komende aanslag. Met uitzondering van Oldenbarneveldt bleven de centrale autoriteiten onkundig van het plan, waarin alleen een aantal opper-officieren waren ingewijd. Het nochtans doordringen van een gerucht tot de aantekeningen van een geoefend waarnemer als Arend van Buchell bewijst ondertussen, hoe geen geheimhouding alle nieuwsgierigheid buitensluit. De krijgslist bleef een onderdeel van de normale strategie. Tegen het einde van de zestiende eeuw, toen het historielied als strofische dichtvorm met balladesk verloop zijn karakter van rijmkroniek met dat van carmen epinicium verbond, zou niet anders verwacht kunnen worden, of het schokkende karakter van de overwinnings-berichten brak een dichtersjubel los bij allen, die meevoelden met de wellicht over zichzelf verbaasde veroveraars. Toch valt dit tegen. | |
2. De situatie van de dichtkunst in 1590In het historisch perspectief doet zich gemakkelijk gezichtsbedrog voor. Denken wij thans aan Prins Maurits, dan zien wij voor onze verbeelding de veldheer van de bekende schilderijen en platen boven een volgroeide baard strak voor zich uit staren of op een strijdros een achtergrond met een charge van | |
[pagina 116]
| |
lansiers voorbijsnellen. Deze Maurits van onze verbeelding bestond nog niet in het jaar 1590. De Prins was toen 22 jaar oud. Hij bezat noch het voorkomen, noch de krijgsroem van zijn latere persoonlijkheid, die in daad na daad de anecdote van het turfschip achter zich zou laten. Ook was zijn persoonlijk aandeel aan de verrassing van Breda uitsluitend op juiste waarde te schatten door de weinigen, die hadden deelgenomen aan het voorberaad. Was Maurits jong: de dichters, die geroepen schenen om de nationale glorie van de nieuwe staat onvergetelijk te maken in de overlevering van onze taal, waren in 1590 onmondig. De oudste van hen, maar die het laatst zou publiceren, Jacob Cats, was toen dertien jaar oud. Daniël Heinsius werd tien jaar, Hooft negen, Hugo de Groot zeven, Caspar van Baerle zes, Breero vijf, Revius vier en Vondel drie jaar in 1590. Starter en Huygens moesten nog geboren worden. De grote hollandse dichters van de oudere generatie, Roemer Visscher en Hendrik Spiegel waren zomin oorlogszangers als Dirk Volkertszoon Coornhert het geweest was, die op 29 oktober 1590 te Gouda sterven zou. Wie toentertijd verzen dichtte, was emigrant uit het zuiden, nauwelijks in de republiek gevestigd, veelal persoonlijk bij het krijgsbedrijf betrokken, in de stijl van de rederijkers geoefend, hierdoor onzeker van omgang met de vormen van een nieuwe tijd, die zich reeds alom had aangekondigd. Wie verzen lazen, deden dit ter verpozing in ernstige zorgen om gezin of stad. Het ‘blijde voorteken van de veranderde fortuin’ mocht voor de toekomst de gewesten binden tot een gemeenzaam-landelijke solidariteit, waarin zij baatzucht en naijver opzijzetten: geen dichter kon zulk gevolg voorzien, zolang de gebeurtenis van 4 maart 1590 niet door de schitterende overwinningen van Maurits tussen 1590 en 1594 bevestigd was. De meest begaafde ziener kon op het eerste bericht van de verrassing van Breda geen sterkere stootkracht voor gemoedsuitstorting vinden dan bij zijn kennis van het feitenverloop, ten hoogste veredeld door de vergelijkbaarheid hiervan met het heldenverhaal uit de trojaanse oorlog. | |
[pagina 117]
| |
Tot zulk een feiten-kennis ontbraken bronnen. In onze dagen kunnen wij de oudste gedichten over het turfschip toetsen aan de bewaarde archivalia, de gedrukte verslagen en de weergave van de gebeurtenis bij de historieschrijvers, doch die archivalia bleven opgesloten tot in de vorige eeuw, die gedrukte verslagen waren niet talrijk en die historieschrijvers moesten hun werk nog aanvangen. Emanuël van Meteren, voor Breda niet onverschillig, immers hij was van Bredase ouders in 1535 te Antwerpen geboren en zijn vrouw Esther van de Corput was een dochter van de Bredase stadssecretaris, gaf zijn Belgische ofte Nederlantsche Historiën van onsen Tijde voor het eerst in 1599 uit. Toen verboden de Staten de verspreiding van dit boek, omdat bij de opstand betrokken vaderlanders allerlei onthullingen over personen of families kwalijk namen. Op Pieter Bor en Everard van Reyd moest gewacht worden tot na het Twaalfjarig Bestand. Onder zulke omstandigheden konden de eigentijdse dichters eerder de stemming van het publiek dan de nationale symboolwaarde van het wapenfeit vertolken. Wij moeten tevreden zijn, wanneer zij over de toedracht van de zaak een gevormd denkbeeld blijken te bezitten. Uit het Bredase archief werden, wellicht kort na 1625, de stukken verwijderd, die aan de overval herinnerden. Uit het Dordtse publiceerde G.D.J. Schotel in 1838 de bewijzen van gevierde volksvreugde op maandag 5 maart 1590 aldaar. Woensdag hieraanvolgend liet de gouverneur van het Bredase kasteel, Odoardo Lanchiavecchia, ten overstaan van burgemeester, schepenen en raad van Geertruidenberg, waar hij van vóór de verrassing vertoefde, een stuk opstellen, dat zijn genomen voorzorgsmaatregelen verzekeren moest. Het is door B. Glasius in 1838 bekend gemaakt, tegelijk met een verklaring van Wouter Anthonissen, afgelegd op 21 maart 1590, waaruit blijkt, dat de overrompelaars geen voorafgaand contact met iemand uit de bezetting hadden gelegd. Brieven van Johan van Oldenbarneveldt, Floris van Heeremale en Hendrik van Brienen de oude, van de Staten van Hol- | |
[pagina 118]
| |
land, Zeeland, Utrecht en Gelre berichtten het verloop van de verovering naar de gewesten. Uitbetalingslijsten bewaren, met kleine varianten in de spelling van de namen, in drievoud de gedachtenis aan alle deelnemers van staatse zijde, waarvan er in de nacht van zaterdag 3 op zondag 4 maart slechts één gesneuveld is. Twee direct gedrukte nieuwsberichten, waaruit een historiedichter putten kon, de Warhaffte Zeitung van 1590 en de Histoire Memorable van 1591 (doch waarvan Cornelis Brandt reeds in 1590 te Leiden een nederlandse vertaling bezorgde) vertonen het onderlinge verschil, dat uit het duitse stuk Prins Maurits -, maar uit het franse Charles de Heraugières als de voornaamste held van het verhaal verschijnt. De duitse schrijver laat zelfs het denkbeeld tot de verrassing geheel opkomen in het brein van Maurits, wat voor volksdichters afbreuk doet aan de mogelijkheid om de schippers als initiatiefnemers te verheerlijken. Adriaan Joosten van Bergen bleef in leven tot september 1602, toen hij te Dordrecht als korenverkoper in het huis De Grote Wijnberg onder ongunstige financiële omstandigheden ten offer viel aan de heersende pest. Verheerlijking van zijn reeds met schenking en lijfrente beloonde stoutmoedigheid moest voor het minst wachten, tot zijn dood verzekerd had, dat hulde goed aan hem besteed was. Held van een ogenblik, trok hij zich kort hierna terug in bonis zonder nog iets opvallends van vaderlandse aard te ondernemen. Wellicht leek zijn schedel voor lauweren de tijdgenoot wat plomp. Te Breda kocht de andere Adriaan van Bergen, met wie de romantiek Adriaan Joosten verwisseld heeft, doch die blijkbaar een grotere rol had gespeeld, op 16 november 1592 van de kooppenningen, hem opgebracht door zijn afgedankte turfschuit, het huis De Zwaan op de Havermarkt. Hier leefde hij met zijn vrouw Trijntje Jan Bertelmeeusdochter en hun vijf kinderen nog in 1620 als boomsluiter van de stad. Hem houdt Th. M. Roest van Limburg voor degene, die Everard van Reyd heeft afgeschilderd als ‘den jonghe man, die in sulcken perijckel daer hy den doot steets voor ooghen sach, hem noyt veranderde van ghelaet, varwe noch spraeck, oock altoos, hoe jonck hy was, | |
[pagina 119]
| |
raet by hem selven vont ende elck een bequaem antwoort gaf’. De enige, die niet als gevestigd burger van zijn heldendaad ging uitrusten, schijnt de eigenlijke uitdenker van het plan geweest te zijn, Willem Jacobsen van Bergen, die eerst in 1628 stierf, toen de geschiedenisboeken van Emanuel van Meteren, Jean François le Petit, Pieter Bor en Everard van Reyd aan de gebeurtenis met het turfschip reeds haar klassiek-historisch voorkomen hadden geschonken. Maurits, door Constantijn Huygens gekenschetst als ‘satis durus et amousos rerum poeticarum censor’ moedigde vooral in het begin van zijn carrière persoonlijk geen lofdichters aan. Ook zamelde hij spoedig nieuwe roem genoeg om vrijwilligers stof tot nieuwe inspiratie te verschaffen. Zo is er uit de eigen dagen van het wapenfeit weinig dichterlijks over het turfschip ten beste gegeven. Volkert van Westerwolde, die een Carmen Eucharisticon de rebus feliciter gestis a principe Mauritio in receptione Bredae bij Floris van Ravelinghen te Leiden liet verschijnen, maakte hier een historisch en literair waardeloze loftuiting van. Hij draagt als dichter overigens geen naam. Aan wie de initialen C.T. toebehoren, waarmee drie latijnse gedichtjes De Bredae recepta ductu nobilis et generosi viri Caroli Heraugueri werden toegevoegd aan de Histoire Memorable, bleef onbekend. De nederlandse vertaler van dit vlugschrift, Cornelis Brandt, een in Holland opgevoed zuid-nederlander, die aan staatse zijde meevocht, bracht als huldiger van Maurits in 1594 nog wat kreupelrijmen in twee talen tevoorschijn onder de titel Himne oft' Lofsanck van Hollandt in Duytsch ende Franchoys. Een van de weinigen, die in 1590 voldoende smaak en ontwikkeling, tijd en belangstelling bezaten om iets behoorlijks af te leveren, was de vader van Caspar van Baerle, zelf ook Caspar geheten en sedert 1588 rector van de latijnse school te Zaltbommel, waar hij de jeugd bij feestelijke gelegenheden zijn eigen gedichten in latijn en nederduits op straat liet zingen om haar tegelijk met vaderlandse gevoelens ook talenkennis eigen te maken. Hij was de oudste van de vijf zoons van Lambert van | |
[pagina 120]
| |
Baerle, die veertig jaar lang griffier van de stad Antwerpen was geweest. In dit ambt was Caspar zijn vader opgevolgd, doch bij de furie van Parma in 1585 verloor hij zijn betrekking. In augustus van het volgende jaar trok hij naar Leiden, waar hij een plaats als notaris ambieerde, die hij niet kreeg, zodat hij zich twee jaar later met het Bommelse rectoraat tevreden moest stellen. Een geboren onderwijsman was hij niet, al toonde hij een trek tot geleerdheid. Wat hij de kinderen liet zingen op Sint Maartensdag, is nogal moeilijk in elkaar geknutseld. Helaas ontbreekt in het handschrift van de Utrechtse universiteitsbibliotheek het katern, waarin hij dichterlijk gereageerd zal hebben op de verrassing van Breda. Bij een bezoek van Maurits aan Zaltbommel werd de rector voorgesteld aan Zijne Excellentie, die hem voor zijn propaganda-lyriek liet belonen. | |
3. Adriaen van den BisdomAls dichterlijke weergave van de turfschip-geschiedenis vallen deze oudste loftuitingen op de overwinnaars in het niet tegen een werkstuk van Adriaen van den Bisdom, die vijf geuzenliederen en een liefdesgedicht op zijn naam heeft, maar overigens in onze letterkundige geschiedenis geen bekendheid geniet. De veronderstelling van E.T. Kuiper, dat deze dichter een Amsterdammer zou geweest zijn, vindt bij zijn taal geen steun. Wel zal hij te Amsterdam gewoond of verbleven hebben, toen hij zijn liefdesgedicht bijdroeg aan Den Nieuwen Lust-Hof, die in 1602 bij Hans Matthijsz op het Water (het Damrak) verscheen. De uitgever is op 2 oktober 1603 begraven in de Oudezijdskapel: het boekje, dat succes had, werd in tweede en derde druk in de handel gebracht door Dirk Pieterszoon Pers. Het is een van de oudste verzamelbundels, waarin de jonge generatie aan het woord kwam. De ons bekende dichterlijke loopbaan van Adriaen van den Bisdom begint in 1589 met een lied over de militairen, die Geertruidenberg aan Parma verkochten en besluit in 1602 met een | |
[pagina 121]
| |
liefdesverklaring aan ‘een reyn maghet zeer delicaet’. Zijn woordkeus is eerder die van een Brabander dan van een Amsterdammer; zijn techniek veronderstelt scholing als rhetoricijn. In de oudere uitgaven van het Geuzenliedboek ontbreekt zijn ondertekening. Eerst een gedicht over de inval van La Barlotte in de Bommelerwaard in mei 1599 en de daarop gevolgde belegering van Bommel door Mendoza, ondertekent hij met het woord Bisdom, zoals hij het in 1602 zijn liefdeslied in Den Nieuwen Lust-Hof doet. Van nu af kregen ook zijn vroegere verzen een signatuur, maar het valt op, dat in de uitgaven na 1602 de naam veranderd wordt in een zinspreuk, die luidt: ‘Niet meer soo dom’, duidelijke speling met de samenstelling van zijn naam uit bis (dat tweemaal betekent) en dom. Het ligt voor de hand, te geloven, dat hij zelf tegen het einde van zijn leven deze wijziging aanbracht, maar dan is het ook niet verboden, hiertoe een reden te veronderstellen. Wil hij te kennen geven, dat hij op latere leeftijd zijn verzen voor domheden hield, die hij begaan had in zijn jeugd? Zelfs bij handhaving van deze gedachte zal naar een tweede domheid gezocht moeten worden, die hij afzwoer. Is het juveniele verliefdheid geweest of kinderlijke aanhankelijkheid aan de oude religie? Zijn rederijkerslied van twaalf strofen, die ieder weer uit twaalf regels bestaan, heeft de verdienste van een goed ontworpen rijmverslag over de inneming van Breda. Het verhaal verloopt kroniekmatig met precies een strofe tot proloog en precies een strofe tot epiloog. Zonder opvallende heffingen van de stemming beschrijven de tien tussenliggende coupletten alle hoofdmomenten van de gebeurtenis: het rijpen van het plan, het laden van het schip, de moeizame tocht van vijf dagen, de samenstelling van de troep, de rol van de bootsknecht, de landing tegen middernacht, de ontscheping, de overrompeling van de wacht, het accoord met de zoon van de afwezige gouverneur en de vrijstelling der stad van plundering tegen een dubbel maandloon voor de soldaten. Historisch opmerkelijk geeft Bisdom de naam van Charles de Heraugières als Argir weer, maar Philips van Hohenloh noemt | |
[pagina 122]
| |
hij Holach, overeenkomstig de naam van de burcht Holloch bij Uffenheim in Beieren. In Breda legt hij het accent op de eerste lettergreep. Naar zijn mening is Willem van Bergen de initiatiefnemer tot de overval, deswege waardig om te worden vergeleken bij een Romein, hetgeen bewijst, dat Bisdom in zijn aanhankelijkheid aan revolutie en republiek dweepte met herinneringen uit de geschiedenis van Rome. Juist omdat hij niet de indruk maakt van een klassiek erudiet, geeft hij in zijn bewondering voor vrijheidlievende Romeinen te verstaan, hoe zich het humanistisch gevoel van verwantschap met de antieken in ons land staatkundig populariseerde. Hij verzuimt niet, het trojaanse paard voor ons geheugen op te roepen, doch betracht hier bescheidenheid bij. De vergelijking wordt midden in zijn tekst te pas gebracht, maar nauwelijks uitgewerkt. Veeleer lijkt ze bondig verklaard voor lezers of zangers, die het klassiek verhaal niet zouden kennen. Proloog en epiloog brengen in bekwaam gevarieerde bouw de obligate pijlers van het volksvertrouwen op hun plaats door hun belijdenis, die overtuigt zonder te dwepen. Bisdom's werk komt eerder voort uit de soldateske dan uit de theologie. Het richt zich tot burgers, die het met fierheid over hun burgerschap van het nieuwe gemenebest wil doorgloeien: Weest nu verheucht ende verblijf,
Loeft God met vreucht ghebenedijt
Prijst zijnen Naem verheven:
Die nu int Jaer tneghentich siet,Ga naar voetnoot4
5[regelnummer]
Tot Breda wonderlick gheschiet
Victory heeft ghegheven,
Sulcx niet gheschiet in menich Jaer,Ga naar voetnoot7
Eenen aenslach soo wonderbaer,
Sonder veel bloets vergieten,
10[regelnummer]
t'Huys van Nassou, dat Edel bloet,
Ons seer ghetrou, met lijf en goet,
Liet hem sulcx niet verdrieten.
Graef Mauritz met een cloeck verstant,
Een jonger Vorst, vroom en vailliant,
| |
[pagina 123]
| |
15[regelnummer]
Heeft dit feit wel begonnen,
Deur goeden raet hem aenghedient,
Van een Turf-schipper, als goet vrient,
Van Willem Jacobs versonnen,
Die t'Vaderlant was toeghedaen,
20[regelnummer]
Soo ghy sult hooren deur t'vermaen,
Hoe hy dat heeft besteken,
t'Was den Turf-schipper vant Casteel
Binnen Breda dat schoon Juweel,
Weert een Romeyn gheleken.Ga naar voetnoot24
25[regelnummer]
Zijn schip was listich toebereyt,
Den turf daer looslick opgheleyt,
Onder vol trou Soldaten,
Ontrent t'seventich mannen stout
Die met perijckel menichfout
30[regelnummer]
Vijf nachten int schip saten,
Den derden Meert, t'was Saterdach,
Voor noen, dat hy noch buyten lach,
Corts na middach wilt hooren,
Quam t'schip int Casteel binnen siet:
35[regelnummer]
Verwachten blijschap oft verdriet,
Van beyts quam hen te voren.
Van Heusden, Worcum, Loevesteyn,
End' oock van Sevenberghen reyn,
Was dit Crijchsvolck ghenomen,
40[regelnummer]
Om te volbrenghen den aenslach,
Nu inde Meert den derden dach,
Grootlicx tot onser vromen:
Den Turf wert van het schip ghehaelt,
Den aenslach was byna ghefaelt,
45[regelnummer]
Den schipper seer vailliandich,Ga naar voetnoot45
Sprack totten ghenen die hem droech,Ga naar voetnoot46
t'Avont hebben sy Turf ghenoech,
t'Was een Jonckman verstandich.
Die draghers waren half ghestoortGa naar voetnoot49
50[regelnummer]
Want sy wouden noch draghen voort;
Sy sochten ghelt om drincken,
| |
[pagina 124]
| |
Om dat by Vastelavont was,Ga naar voetnoot52
Den schipper langde uut zijn tas,Ga naar voetnoot53
Drinckgelt om hen te schincken,
55[regelnummer]
Capiteyn Argir met verstant,Ga naar voetnoot55
Capiteyn Lambert seer vailliant,Ga naar voetnoot56
Noch een Vendrich vercoren,Ga naar voetnoot57
Twee Luytenants hielden mê an,Ga naar voetnoot58
Dees vijf waren daer hoofden van,
60[regelnummer]
Om t'Crijchsvolck te gaen voren.
Deur hoesten ende niesen swaer
Wertmen henlie bycans ghewaer,
Conden hen niet bestieren,
Des schippers knecht als een vroom helt
65[regelnummer]
Heeft hem doen aen t' pompen ghestelt,
Om niet te hooren tieren:
De schiltwacht riep half verbaest,
Is daer volck by u dat soo raest?
Sy hadden sulck propoosten:Ga naar voetnoot69
70[regelnummer]
De knecht die sprack sonder vertreck,Ga naar voetnoot70
Ick moet pompen het schip is leek:
Hy hiet Adriaen Joosten.
Die van t'casteel seer wel bedocht,
Hadden nochtans het schip besocht,Ga naar voetnoot74
75[regelnummer]
Maer het scheen, niet te deghen,
Sy waren op het schip tis waer,
Want die van binnen saghen haer,
Die doen wel stille sweghen:
'tGhinck daer ghelijct met Troyen deGa naar voetnoot79
80[regelnummer]
Die 'tGrieksche Paert in haerlie ste
Haelden, end zijn bedroghen:
Soo hebben die oock van t'Casteel
Grootelicx tharen achterdeel,
Dit schip self in ghetoghen.
85[regelnummer]
Tot twee reysen den selven nacht,
Baden sy tot Godt met aendacht:Ga naar voetnoot86
| |
[pagina 125]
| |
Eer sy het feyt aenvinghen,
Ten. elf uren oft corts daer na,
Begonnen sy uut t'schip te ga,Ga naar voetnoot89
90[regelnummer]
Om haer werck te volbringhen.
Twintich wasser uut t'schip ghegaen,
Doen quam daer een Italiaen,
Men seyt om Turf te stelen,
Die grepen sy doen byden hals
95[regelnummer]
Die dwonghen sy t'bescheyt van alsGa naar voetnoot95
Maer t'secreet cond' hy helen.Ga naar voetnoot96
Soo sy hem hadden byder keel,
Moest hy hen daer segghen hoe veel,
Volcx, dat sy daer sterck waren,
100[regelnummer]
Hy sey, tweehondert twintich man
Maer d'eerste reys looch hy daer an
Meynde hen te vervaren
Sy vraechden hem daer voorder van,
Doen seyd' hy hondert twintich man
105[regelnummer]
T'volck croop vast uuten schepe:Ga naar voetnoot105
Sy dooden den Italiaen
Doen zijnse stoutlick voortghegaen,
Sy haddent wel begrepen.Ga naar voetnoot108
Doen sy nu t'saem waren byeen
110[regelnummer]
En hielden sy niet lang' ghemeen,Ga naar voetnoot110
Deelden hen in twee hoopen,
Twee Courtegarden waren daer,Ga naar voetnoot112
Elcken hoop trock na een voorwaer,
Hebbense overloopen,Ga naar voetnoot114
115[regelnummer]
Met schieten, steken, houwen, slaen,
Soo zijnse daer te werck ghegaen,
Haer vyanden deur-boorden,
Maer t'binnen-huys opt selve pas,Ga naar voetnoot118
Daer des Gouverneurs soon op was
120[regelnummer]
Kreghen sy met accoorden.
Doen sy 't Casteel tot haren wil
Hadden: was in t'stadt groot gheschil.
| |
[pagina 126]
| |
Want sy d'een brug afbranden,Ga naar voetnoot123
Graeff Mauritz was dees maer vertelt,
125[regelnummer]
Die quam flocx aen met zijn ghewelt,
Den vyandt vloot met schanden,
Doen wert van Graef Holach ghehoortGa naar voetnoot127
Teghen de Borghers een accoort,
Men sou hen niet pilgeeren,Ga naar voetnoot129
130[regelnummer]
Oock niet belasten met rantsoen
Maer moesten zijn Soldaten coen,
Twee maenden soltz fineeren.Ga naar voetnoot132
Oorloff ghy Borghers al te saem,
Loeft God ende vreest zijnen Naem,
135[regelnummer]
Dat hy doch wil bewaren,
Den Graeff van Nassou t'Edel bloet,
Oock al des Lants Regeerders goet,
Dat sy moghen voort varen,
Met haerlie wel begonnen werck,
140[regelnummer]
Al is den vyant noch soo sterck:
Godt sal victory gheven,
Soo wy hem dienen t'alder tijt,
Eeren, en beminnen met vlijt,
End na zijn Woort wel leven.
Bepaling van de dichterlijke waarde wordt bij zulk een zakelijk rijmrapport moeilijk gemaakt door de gewijzigde opvatting over de taak van de poëzie. Willen we een historielied beoordelen voor hetgeen het beoogde te zijn: een feitelijk verslag, uitgebracht in een gevestigde kunstvorm, dan kunnen wij Adriaen van den Bisdom allereerst prijzen om zijn inzicht in het verloop van de feiten. Als geschiedenisbron verdient zijn gedicht een plaats naast de oudste weergaven in proza bij de courantiers en geschiedschrijvers, die men overigens raadplegen moet om zijn soms wat gedrongen uitgedrukte bedoeling of zijn verhaspelde eigennamen behoorlijk te begrijpen. Hij noemt Matthijs Helt niet, ofschoon hij een ‘vendrich vercoren’ opsomt onder de | |
[pagina 127]
| |
expeditieleiders. Ook het bekend geworden gezegde van deze vaandrig, dat blijkens een mededeling in de vijfde jaargang van Brabants Heem als spreekwoord bewaard bleef: ‘steek me dood, want ik moet hoesten!’, vermeldt Bisdom nog niet als integrerend deel der volksromantiek van het turfschipverhaal. Wel haalt hij de controle door de kasteelbezetters op, het pompen van Adriaen Joosten, waardoor het hoesten en niezen van de verkouden soldaten overgierd moest worden, zomede het drinkgeld, dat de lossers, nu het tegen vastenavond liep, tijdig hun arbeid deed staken. Ruim aandacht gunt hij aan de onnozele Italiaan, die volgens zijn lezing het schip nabij kwam, ‘men seyt om turf te stelen’ en die de eerste gevallene van de tegenpartij zou worden. In latere verhalen krijgt deze Italiaan geleidelijkaan een gevaarlijker voorkomen. Volgens Pieter Bor ontmoetten de veroveraars hem bij de poort en riep hij: ‘qui va là?’ Bij Jacob Duym heeft hij de rol van een poëtisch-bespiegelende schildwacht! Zulke kleine plaatsverschuivingen, op zichzelf van weinig belang, kenmerken de werkwijze van de volksromantiek, die aan helden slechts heldendaden wil toegeschreven zien. De moord op een argeloze turfdief, die over de kasteelbezetting weinig te vertellen weet, staat bij Bisdom genoteerd, of hij het verhaal van een ooggetuige gehoord had. De hoofdmomenten, die de gebeurtenis bleven kenmerken in populair-romantische weergaven, heeft Adriaen van den Bisdom vaardig uitgebuit zonder geweld te plegen aan de werkelijkheidszin van zijn publiek. In gedichten, die een reeks gebeurtenissen overzien, komt het Geuzenliedboek tweemaal op de verrassing van Breda terug om haar inzonderheid toe te schrijven aan Gods bestier, als een daad die hoofdzakelijk ondernomen zou zijn om de aanhangers van de nieuwe leer uit onderdrukking te bevrijden. Bij Bisdom ontbreekt wel terecht de opgave van dit op zijn hoogst secundaire motief. | |
[pagina 128]
| |
4. Jacob DuymDe Cloeck-moedighe ende Stoute doet van het innemen des Casteels van Breda en verlossinghe der Stad. Onder het beleyd van den Hoogh Gheboren Prins Graaff Maurits van Nassau, etc. Comedische wijse in Dichte ghestelt door Jacob Duym mag in zijn dramatische opbouw tekenen vertonen, dat de maker zich wilde toeleggen op de dichtwijze van de renaissance, hij kwam als krijgsman-poëet geheel voort uit de wereld, die aanzijn heeft gegeven aan het zestiende-eeuwse gedeelte van het Geuzenliedboek. Te Leuven geboren in 1547, werd Jacob Duym daar op 10 juni 1574 tot lid gekozen van de zogenaamde dekenij, die een derde gedeelte van het stedelijk bestuur vormde. Wegens zijn instemming met de opstand tegen Spanje uit zijn vaderstad geweken, nam hij dienst in een van de regimenten van de Prins van Oranje, werd kapitein, verdedigde in die hoedanigheid in 1584 fort Lillo, viel hierbij op de Couwensteynsedijk de vijand in handen, die hem naar het kasteel van Namen overbracht, waar hij 22 maanden verbleef. Vandaar naar Antwerpen vervoerd, is hij door de staatsen tegen een ‘excessijf randsoen’ vrijgekocht, echter met zieke benen ‘door het droevich ende langh duerich sitten’. In 1588 wegens invaliditeit uit de krijgsdienst ontslagen, vestigde hij zich te Leiden, werd daar waarschijnlijk op 30 november 1590 mede-oprichter van de Vlaamse Kamer d'Oraigne Lelie, waarvan hij het volgend jaar de eerste keizer is geweest. In 1605 van zijn benenkwaal genezen, bood hij zich, vermoedelijk vergeefs, opnieuw voor de krijgsdienst aan. In 1608 verliet hij Leiden. Hij woonde in 1612 op het huis Te Mustenbrouck in de heerlijkheid van Ekeren in Brabant. Dr. J.J. Mak besluit uit het stilzwijgen van Jacobus Celosse en de andere Leidse kameristen over hun eerste keizer, nogwel een man, die als dichter ver boven hen stond, dat Duym's vertrek naar het zuiden hem in verdenking van ontrouw jegens de nationale zaak kan hebben gebracht. Over het geheel van zijn werk wordt een proefschrift, te Groningen op 7 juli 1898 door K. Poll verdedigd, nog heden met vrucht geraadpleegd. | |
[pagina 129]
| |
In het spel van Jacob Duym over de verrassing van Breda door middel van een turfschip zien we de feitelijke gegevens voor het eerst door dichterlijke romantisering overmeesterd. De tekst is opgedragen aan Justinus van Nassau, gouverneur van stad en land van Breda, tevens aan drossaart, burgemeesteren en wethouders, ‘die nu in de plaats van den ouden magistraet, als voester-heren van Godts woord en van alle vromicheyd over de voorseyde stad Breda ghestelt sey t’. Deze opdracht is ondertekend op 1 januari 1606, toen de dichter negen en vijftig jaar oud was. Al in het voorbericht wordt het turfschip bij het paard van Troje vergeleken. Duym heeft van de gelegenheid tot deze vergelijking heel het stuk door een overmatig gebruik gemaakt. Onder de personages ontmoeten wij thans Adriaen van Bergen als de hoofdschipper en de initiatiefnemer tot de aanslag. De in 1606 nog levende Willem Jacobsen van Bergen is letterlijk van het toneel verdwenen. Adriaen Joosten werd tot knecht van Adriaen van Bergen gemaakt. Het stuk is onderverdeeld in vijf ‘geschiedenissen’ of bedrijven, die elk weer uit een aantal ‘uytcomsten’ of taferelen bestaan. Het begint met een idealistische monoloog van Adriaen van Bergen, waarin hij het lot van de onderdrukte Bredanaars innig betreurt: ‘Mijn hart weent mij int lijf als ick sie hoe 't volck treurt
Als ick den moedwil sie, en 't gewelt hoor vertellen.
En oock dan overdinck, hoe sy de Landlien quellen.
Tis wel een hard ghelagh, 't is wel een stout bedrijf!
Com ick in Holland, dan leeft elck vrij van ghekijf,
Den ploegh gaet sijnen ganck en het land is vol beesten,
Elck sitt' in tsijn gherust van minsten tot de meesten,
De Steden varen wel en hebben 's Crijchs te bat,
De Crijchs lie zijn alom seer aenghenaem.....’
In het volgende tafreel vinden wij Prins Maurits en Philips van Nassau bijeen. Philips adviseert zijn neef, gewillig oor te lenen aan het voorstel van Adriaen van Bergen, immers: ‘in een slecht schipperscleed kan wel een manshart schuylen’. De schipper voert in de derde uytcomste een ernstig gesprek met zijn | |
[pagina 130]
| |
knecht en brengt hierin zijn brandend verlangen naar de grote dag tot uitdrukking. Het tweede bedrijf is aan beraadslagingen gewijd. Philips van Nassau legt de beraamde krijgslist uit aan Heraugières en geeft hem een aanbevelende brief voor Prins Maurits mee, die nu in het volgend tafreel met de kapitein en de schipper de uitvoeringswijze en de slaagkansen onder het oog neemt, waarbij De Klundert als loopplaats voor het turfschip wordt aangewezen. Plannenbespreking vult ook het derde deel van het hierdoor nogal langwijlige toneelstuk. Maurits stuurt kapitein Lambert met een brief naar Heraugières, die bij ontvangst van deze missive in tegenwoordigheid van kapitein Logier opnieuw de plannen beraamt. Eerst nu valt het beslissende besluit tot uitvoering van de aanslag. Men gaat naar Zevenbergen als nieuw gekozen uitgangspunt. In de vierde geschiedenis is de knecht van Adriaen van Bergen op bezoek bij Prins Maurits om hem te berichten, dat alles een gunstig verloop heeft. Hierna pas krijgen wij voor het eerst het kasteel van Breda te zien. De schipper regelt er met een sergeant en een van de soldaten de voorgenomen ontlading van de turf. De soldaat zingt zonder achterhaalbare aanleiding, enkel wegens de werking van de tragische ironie, een liedje, dat aanvangt met de woorden: ‘Het paert van Troyen, gaeter met schoyen......’ Vervolgens onderhandelt Adriaen van Bergen met een van de turfdragers om een einde te maken aan het riskante lossen van het schip. Het laatste bedrijf, waar weer een soldaat argeloos een lied over de val van Troje zingt, toont ons eindelijk de veroveraars in actie. Deze maal verantwoordt Jacob Duym de vergiliaanse reminiscentie als een onverdrijfbaar voorgevoel in het gemoed van de schildwacht, die reeds twee uur lang op de wal van het kasteel heen en weer heeft gelopen. Vreemde gedachten komen iemand daarbij soms in het hoofd. Overdag leest deze schildwacht veel ‘om weten d'oude treken’. Zo las hij gisteren over Troje, hoe dit werd ingenomen door middel van een houten paard. Op zijn wachtpost moet hij onophoudelijk hieraan denken: | |
[pagina 131]
| |
Dat paert, dat paert, light mij heel vast in mijnen sin,
Mids dat de Stad daer door gheraect is in rood'kolen:
Mars kind'ren gaen noch al in derghelijcke scholen:
Voor sulcken harden dach ist, dat ick altijd ducht,
Als ick van Troyen lees', ick altijd swaerlijck sucht:
Zo naïef is deze invoering van het dramatische voorspook niet, of ze wettigt de vraag, hoe Duym haar waarschijnlijk maken kon bij zijn publiek, indien er onder de soldaten van die tijd volstrekt geen lezers van historische geschriften werden aangetroffen. Zijn voorstellingswijze versterkt de kracht van anecdotische berichten, volgens welke in ons land de drang naar zelfontwikkeling door kennis met die naar landsbevrijding door krijgstucht gepaard ging. De vijandelijke schildwacht zou dan de kennisdrift van jongeren uit het volk in de dagen van Maurits weerspiegelen. Over de geschiedenis van het trojaanse paard is een liedje gemaakt, dat de soldaat nu aan het einde van zijn bespiegeling begint te neuriën: Hoe raeckten Troyen in schanden?
Door dat boos versierde Paert,
Geladen met u Vyanden
't Paert trockt ghij in onbeswaert,
Te midder-nacht sy uyt vielen
En wilden die al vernielen,
Die daer soo cloeck waren vermaert......
Maer hola! wat hoor ick! hoe magh dees pomp soo tieren!
Ick hoor gherucht van volck; seer vreemd sijn dees manieren.
Soud'de rond' oock wel zijn? Tis wel een vreemd gelaed.
Arm! arm! arm! arm! arm! arm! nu weet ik gheenen raed.
Tvolck wordt hier al vermoort. Och wat mach daer geschieden
Waer blijf ick arm gesel? Wist ick waer henen vlieden!
Och, wist ick nu een gat, waer vluchten met mijn lijf!
Op d'ander Bolwerck is t' selfd; dits een vreemd bedrijf.
Och, tis verloren kans, ick mocht wel vrij wel sorghen:
Qui va la?
Kapitein Lambert komt op de galerij en steekt de schildwacht overhoop. De eerste gevallene in de rangen van de vijand, bij Bisdom, vermoedelijk waarheidsgetrouw, nog een onnozele | |
[pagina 132]
| |
turfdief, werd bij Duym een verantwoordelijke erudiet met voorgevoelens. Dit eiste de dramatiek van zijn voorstellingswijze even stellig als de manmoedigheid van zijn helden. Nauwelijks is de schildwacht uit de weg geruimd of de bemanning van het turfschip overrompelt zienderogen het kasteel. Na deze heftige actie-scène komen we weer geheel in de sfeer van beraad, wanneer trompetstoten aan Maurits het welslagen van de onderneming bekend gemaakt hebben en Nassau in een onderhandeling met de burgemeesters bezit neemt van de stad. Blijkens de stadsrekeningen van 1606 is ‘Aen Ambrosio Martini ten behoeve van Joncker Jacob Duym by den rendant betaelt de somme van zessendertich rynsgulden, daer mede myne heeren Borgemeesteren ende Schepenen in Breda denzelven Duym gelieft heeft te beschencken ter zaecken van zeker boeck by hem aen de stadt Breda gepresenteert annopende het veroveren derselver stadt by zynne princelycke excellentie.....’ Bovendien weten wij, dat op 23 april 1616 te Breda een spel is opgevoerd, voorstellende de verrassing van de stad door het turfschip. Weliswaar werden bij deze mededeling schrijver en titel van het stuk niet vermeld, maar er is alle reden om te geloven, dat dit het drama van Jacob Duym geweest is. Willem van Bergen en zijn neef Adriaen hebben dan kunnen kijken naar een opvoering, waarin Adriaen de rol van Willem vervulde, indien tenminste de executanten niet op advies van de boomsluiter der stad de historische gegevens tot hun werkelijke toedracht hebben herleid. Drieëndertig jaar na dato wordt ook voor wie haar persoonlijk beleefden elke historische ervaring doorgloeid door een romantische herinnering. Ofschoon Prins Maurits ruim zijn aandeel krijgt in het beraad, speelt Philips Willem in het toneelstuk een onverwacht grote rol, waarvan de betekenis verscherpt wordt door zijn spontaan vertrouwen in het voorstel van de volksman Adriaen van Bergen. Hij bemiddelt bij de Prins ten gunste van ondergeschikten, wier toegang tot de Excellentie niet voetstoots verzekerd kan zijn. Was die bemiddeling een dramatisch bedenksel, dat dan hoofdzakelijk tijd rooft aan de voortgang van de handeling? Of genoot | |
[pagina 133]
| |
Philips Willem een faam van toegankelijkheid, die in de volksmening onthouden bleef aan Maurits? In onze letterkundige geschiedenis is Jacob Duym een van de oudste schrijvers van historiespelen naar de nieuwe smaak, d.w.z.: in vijf bedrijven en in regelmatige verzen, eventueel onderbroken door volksaardige tafereeltjes in vrijere vorm. Het spel over het turfschip werd niet het gaafste voortbrengsel van zijn dramatisch dichterschap. Hij heeft pakkender stukken geschreven. Maar in dit werk worstelde hij bewust om overeenstemming tussen de gegevens uit zijn bronnen en de wetten van het blij-eindigend historiespel. Hij moest zich afvragen, welke vrijheden hij zich veroorloven kon bij voorgeschreven trouw aan het hoofdverloop van de feiten. Dat hij zijn personages onophoudelijk laat beraadslagen en nauwelijks handelen, was voor de tijdgenoot vermoedelijk zo'n grote fout niet als voor ons. In het beraad karakteriseerden zich de figuren, aan wie hij eigen aard en inzicht trachtte bij te brengen zonder sterk opvallende verscheidenheid te bereiken. Iedere held kreeg bij hem de volle gelegenheid, zich uit te spreken alvorens metterdaad te tonen, wie hij is. Deze methode achtte Duym in overeenstemming met de werkwijze van de klassieken. Bij hen borgde hij de werking van het voorgevoel en van de tragische ironie. Ook de samentrekking van de gesprekken en beraadslagingen naar de heftige eindhandeling leerde hij bij Seneca, wiens Troades hij vrij vertaalde in zijn Spiegel des Hoochmoets. Toch is het mogelijk, dat hij met de lange praatgedeelten bovendien een propagandistisch doel nastreefde. Vond hij het spectaculair, zijn toeschouwers te laten binnenkijken bij Maurits en de Generale Staf, hij overtuigde hen meteen, dat daar gewikt werd en gewogen in het belang van het land. Zeker heeft hij in de schipper de volksman willen uitbeelden, wiens burgerlijke moed een voorwaarde tot het welslagen van militaire ondernemingen schept. Opvallende nadruk legt hij op de overeenkomst tussen Charles de Heraugières en de helden uit de romeinse geschiedenis. Adriaen van den Bisdom gebruikte dit motief ter- | |
[pagina 134]
| |
loops om de hoofdschipper te kenschetsen. Bij Jacob Duym gaat de toepassing over op de verantwoordelijke kapitein. Als Maurits een geschikte bevelhebber zoekt, wijst Philips van Nassau hem op Herrogeir: ‘een Hannibal van wil, van daden een Romeyn’. Wordt Philips vervolgens belast met het overbrengen van de opdracht naar de hopman, dan licht hij die in met de woorden: ‘het is een romeyns stuck, dat daer is te beschicken’ en Herrogeir antwoordt: ‘mijn hert dat wenscht doch steeds na een goet romeyns stuc’. In de Batavische Romeyn van Petrus de Lange uit 1661 horen wij het besef nog naklinken, dat de strijders in de hollandse vrijheidsoorlog toerust met de deugden van Romeinen. Duym vermijdt leenwoorden, gebruikt een levendige volkstaal vol Brabantse idioom en spreekwoordelijke zegswijzen, doch houdt weinig rekening met de dichterlijke klemtoon en de logische voorwaarde. Hij worstelt dikwijls vergeefs om een goede caesuur, schrijft dientengevolge moeizaam alexandrijnen, doch rijmt gewoonlijk glad en zorgvuldig. Een aandrang om de gebeurtenis uit 1590 te doorlichten met de ideeënontwikkeling uit de jaren na de val van Oostende overheerst de voortgang van het drama niet bewust, al bemerkt men soms een spontane gehoorzaamheid jegens de denkbeelden van de tijd, waarin het stuk geschreven werd. De dichter heeft zich aan de feiten willen houden, voorzover die zich willig onderwierpen aan zijn dramatische romantisering. In zijn toneelaanwijzingen geeft hij een vrij nauwkeurige beschrijving van het kasteel, de wal, de poort, de gracht, de brug, de gewenste verbreding van de réduit. Enkele aantekeningen in de rand van de tekst bieden aan de spelers nadere instructies. | |
5. Hugo de GrootOp internationale toonhoogte verhief zich de verrassing van Breda in vijf latijnse epigrammen uit het begin van de zeventiende eeuw, die nog in 1685 door Johannes Vollenhove werden | |
[pagina 135]
| |
vertaald om het volgende jaar te verschijnen in de verzameling van zijn Poëzy, uitgegeven te Amsterdam. In deze dikke bundel staan zij op de bladzijden 726 en 727. Zij worden er toegeschreven aan de toentertijd beroemde Schotse dichter John Barclay. Deze toeschrijving berust op een misverstand. John Barclay werd op 28 januari 1582 geboren te Pont-à-Mousson als zoon van Professor William Barclay en diens Franse vrouw Anna de Malleviller. Toen Breda werd ingenomen was hij acht jaar oud. Bovendien beleed hij het rooms-katholieke geloof. Hij bleef dit doen tot zijn dood op 15 augustus 1621. Het een en ander maakte hem minder geschikt om Prins Maurits te huldigen als een veldheer van bevriende troepen, met wier bedoelingen de dichter zich van harte vereenzelvigt. Wel was Barclay een gevierd hekeldichter. Bij zijn leven bewonderden zijn tijdgenoten boven alles zijn Satyricon, dat hij onder de schuilnaam Euphormio Lusinius liet verschijnen. Enkele weken voor zijn dood voltooide hij zijn Agencis, dat door de zorgen van N.C. F. de Peiresc werd uitgegeven. Dit werk is in de zeventiende eeuw meer dan veertig malen gedrukt. De epigrammen voeren de luimige toon van een speelse spotdichtschrijver, die zich verkneukelt over de turfschipgeschiedenis, nu zij sedert kort in de wereldgeschiedenis werd opgenomen. Opnieuw is Breda een tweede Troje. Dit brengt in het eerste puntdicht een vergelijking van prins Maurits metPyrrhus, de zoon van Achilles, voor den dag. Hierdoorheen flitsen snelle zinspelingen op het tweede boek van de Aeneis van Vergilius, waaraan enkele wendingen letterlijk werden ontleend. Humanisten genoten van zulke omspeelde, doch herkenbare citaten. Het tweede versje stelt Holland voor als veenland, waarover zich de bezoeker verwondert, omdat de landzaat er zijn moedergrond verstookt als huisbrand. In dit geval diende de turf om het oorlogsvuur van Mars te onderhouden! Opmerkelijk is het rechtvaardigheidsgevoel, waarmee de dichter het kasteel van Breda, erfdeel van de Prins van Oranje, teruggebracht ziet aan de rechtmatige eigenaar. Het is zijn vaste overtuiging, dat God aan de zijde van de rechthebbenden mee- | |
[pagina 136]
| |
strijdt. Dit zou bij Barclay verklaard kunnen worden, indien Maurits burcht en stad veroverd had ten gunste van prins Philips Willem, die nog tot 1621 leefde en de titel van Prins van Oranje droeg. Van deze naam bestond maar één titularis, zodat de jongere halfbroer tot enkele jaren voor zijn dood slechts Maurits van Nassau bleef heten. Aardiger als satirisch puntdicht lijkt mij het vierde, waarin het turfschip de gedachte oproept aan de boot van Charon, die de gestorvenen over de Styx naar de onderwereld voert. Voor de Spaanse bezetting is volgens de dichter het turfschip een voertuig naar de Hades. In het laatste versje krijgen de overwinnaars een waarschuwing tegen onvoldoende bewaking van het pas veroverde bezit. De latijnse tekst is niet te vinden bij John Barclay, maar staat in de Poëmata van Hugo de Groot, gelijk zij in 1617 te Leiden werden uitgegeven en nog in vierde druk in 1670 te Amsterdam verschenen. De epigrammen zijn ten overvloede vermeld in de Grotius-bibliografie van J. ter Meulen en P.J.J. Diermanse (1950) op blz. 120, onder nummer 320, sub 6. Hoe heeft Vollenhove ze kunnen toeschrijven aan Barclay? ‘Vermoedelijk’ - bericht mij Dr. J.C. Arens - ‘is het volgende gebeurd. Vollenhove liet oorspronkelijk op het gedicht van Grotius over de belegering van Oostende de reeks epigrammen op Breda volgen met de opmerking: “uit den selven”. Later voegde hij, zoals ook elders in zijn vertalingen wel verzen van verschillende auteurs over hetzelfde onderwerp werden bijeengebracht, de gedichtjes van Barclay over het beleg van Oostende toe aan dat van Grotius. Hij vergat “uit den selven”, dat nu op Barclay slaan moest, onder de versjes over Breda te veranderen’. Deze fout riep de vergissing in het leven, als zou John Barclay epigrammen over het turfschip hebben geschreven. Hier volgen in het latijn van Grotius en in de vertaling van Vollenhove de vijf epigrammen: | |
[pagina 137]
| |
BREDA VICTA I
Aspicis Iliacam (quid enim discriminis) arcem.
Nonne vides? laxat claustra virosque Sinon.
Prima Neoptolemi fuit haec Victoria nostri:
Pelide major mox erit ille suo.
Hier ziet men Troje weêr verrascht, de wacht vermoort:
Een Sinon (dat'er niets aan hapre) ontsluit de poort.
Want onzen Pirrus most deez zege ook eerst verheffen:
Hy dreigt Achilles zelf, zyn' vader, t' overtreffen.
II
Hollandos non immerito mirabitur hospes.
Ad Vulcani usum caespite posse frui.
Die mihi jam quanto melius mirabitur idem,
Perficere Hollandos caespite Martis opus?
Plag over Hollant zich een vreemdling te verwonderen,
Daar zorg en arbeit vier kon stoken van het veen,
Nu wil het ruim zo vreemt in 's werelts oren donderen,
Dat Mars, van turf gedient, verovert sterke steên.
III
Arx Bredae munita satis: sed causa tenenti,
Quae munimentis fortior una, deest.
Quid juuat excubijs non recte parta tueri?
Pro justis dominis excubat ipse Deus.
't Kasteel was te Breda wel sterk: maar 't recht ontbrak 'er,
Dat alle vestingen ver overtreft in kracht.
Geen zorg noch schiltwacht bergt onwettig goet, hoe wakker.
Want voor den rechten heer trekt Godt om hoog de wacht.
| |
[pagina 138]
| |
IV
Falleris hanc duci qui credis ab hoste carinam:
Fata ratim nobis semper amica trahunt.
Illa subit, mediaeque minans illabitur Arci:
Scilicet haec hosti cymba Charontis erit.
De Spanjaart sleept alleen de turrefkiel niet voort:
Het nootlot helpt ons trou en allersterkst hier trekken.
Zy raakt dus in 't kasteel, en dreigt het met een' moort.
Den vyant zal dit schip een Charons boot verstrekken.
V
Tu quae saepe alias improvida capta fuisti,
Nunc quoque sic domino reddita Breda tuo es.
Res cessit semel ista tibi feliciter: at tu,
Disce tuis etiam cautior esse bonis.
Door slechte toezicht zyn al meer dan eens uw wallen
Verrascht: nu wortge dus uw' rechten heer, Breda,
Herlevert, maar dit 's eens gelukkig uitgevallen:
Pas op dan, door uw heil en onheil wys hierna.
| |
6. In 1625 en 1637De regelmatige afwisseling van beklemtoonde met onbeklemtoonde lettergrepen in de alexandrijn bleef voor dichters die geboren waren in het rederijkers-tijdvak, een moeilijk vervulbare opdracht tot moderniteit. De jongere generatie beheerste deze techniek spoedig, de oudere sloot er zich als onwillig bij aan. In zijn beschrijving van zijn eigen jeugd tracht Constantijn Huygens die moeilijkheid te verklaren. Aan dit tekort schrijft hij het toe, dat allerlei dichtwerken, die opgang maakten in het begin van de 17e eeuw, hierna zeer snel verouderden. Ze bleven met de wangunst van de tijd belast bijna tot vandaag toe. Een tussenpersoon, die hartstochtelijk voor de nieuwe stijl pleitte zonder zich van de oude volledig te kunnen vrijmaken, | |
[pagina 139]
| |
was de vlaamse theoreticus van de prosodie Jacobus Ymmeloot, heer van Steenbrugge, wiens verzen in het latijn, het frans en het nederduits zich schoorvoetend aanpassen bij zijn ‘traité enseignant la vraye méthode d'une nouvelle poésie françoise et thioise, harmonieuse et délectable’. Ze zijn niet sterk persoonlijk bezield, maar maken de indruk van proefstukken, vervaardigd om dichterlijke leerstellingen praktisch te bevestigen. Hun schrijver werd in 1574 te Ieper geboren. Toen Ambrogio de Spinola op 28 augustus 1624 beleg om Breda had geslagen en de kasteelgracht doorgroef om de stad te isoleren, herinnerde Jacques Ymmeloot in een gekunsteld sonnet, dat trouwens met een hulde aan het kunstvernuft besluit, zich de verrassing door het turfschip: Tarainsche volck, bedeckt in 'tschip met turf gheladen.
Heeft den Araigne-boom in Breda vast gheplant.
Het krijghs-volck van aldaar, door zulck verraed vermant,
Verliet Casteel en Stad, tot 's Brabands zwaer beladen.
Den grooten Genvaen, in wijsheyd wel beraden,
Brenght nu zijn strijd-baer heyr aan 'taf-gheweken land;
Hy wil dat 'tzy gestelt in sijnen eersten stand,
En aen den rechten Heer verzoucke zijn ghenaden.
Hy maeckt een nieuwe stad, en heft van leegh om hoogh,
Het element, dat eerst met Est de stad bedroogh,
Waer-mede hy haer besluut rond-om an alle wijcken,
En breydelt hun gheweld met eenen zachten toom,
Die metter tijd verdrooght de wortel van den boom:
Daer const met kracht versaemt, de kracht alleen moet wijcken.
In zijn boek uit 1913 over Homerus haalt prof. J. van Leeuwen de mening aan, dat de legende van het paard van Troje haar oorsprong zou ontlenen aan een beeldspraak, waarmee een schip als houten zeepaard werd aangeduid. In dit geval ware de overeenkomst tussen de verrassing van Breda en die van Troje groter dan wij wisten, maar ook groter dan Vondel bij het schrijven van zijn Gijsbreght van Aemstel kan hebben vermoed, al gebruikt hij in vs. 378 opvallenderwijze de uitdrukking: ‘een schip, het Zeepaerd’. Zijn treurspel is geschreven in 1637, het jaar van de verovering | |
[pagina 140]
| |
van Breda door Frederik Hendrik. Nadat deze op 7 oktober tot een goed einde was gebracht, sprak Caspar van Baerle op 19 oktober 1637 in de aula van de illustre school te Amsterdam een Oratio Panegyrica de recepta Breda uit. Het verdraagt weinig twijfel, of bij deze plechtige gelegenheid heeft Vondel onder de genodigden gezeten, immers hij was een vriend van de geleerde spreker, met wie hij het volgende jaar bij de ontvangst van Maria de Medicis in stadsopdracht zou samenwerken. In de redevoering van Barlaeus werden twee van de vijfendertig bladzijden ten volle gewijd aan de tegenstelling tussen de lange belegering door Spinola (28 augustus 1624-5 juni 1625) en de veel kortere belegering door Frederik Hendrik (20 juli-7 oktober 1637). Vondel heeft deze gedachte uit de redevoering van Barlaeus verwerkt in het gedicht Op den nieuwen Schouwburgh, aen den Raedsheer Nikolaes van Kampen. Hierin ziet Spinola van boven, d.w.z. uit de hemel, de elf maanden, die met zijn beleg gemoeid waren, krimpen tot weken in de belegering door de Prins. Hij hoort binnen de stad Breda ‘ons’ kort beleg beschimpen, gelijk men het zijn lang beleg had gedaan. De naar Troje's voorbeeld gefingeerde overrompeling van Amsterdam door middel van een schip met rijshout gaf op zichzelf aanleiding genoeg tot een huldiging in tekst of voorwerk van de verrassers van Breda. Dat ze geheel achterwege blijft, zelfs nu de belegering van 1625 ter sprake wordt gebracht, moeten wij wel toeschrijven aan Vondel's ook overigens duidelijk blijkende toeleg om de naam van Maurits te verzwijgen. Palamedes was voor hem een damnatio memoriae geweest. | |
7. Pieter NuytsEen overrompeling van Amsterdam op 25 december 1299 door middel van een schip met rijs, waaronder de strijdkrachten van de heren van Haarlem en Egmond verborgen lagen, kreeg uit de opvoeringen van Gijsbreght van Aemstel haar onbetwijfelbaar historische gedaante naast het bericht, dat Jan van Egmond | |
[pagina 141]
| |
in 1481 uit Gorkum de uitgeweken en verbannen kabeljauwsen, verborgen in een scheepsromp, terug in Dordrecht binnenbracht, waar zij bloedig de wet verzetten. Zo bezat het paard van Troje drie nederlandse nakomelingen in scheepsvorm, die onderling vergeleken konden worden door een vergelijking van ieder apart met hun voorbeeld. Dit wordt een ingewikkeld spel met verhaal-componenten binnen een uitzonderlijk schoolse thematiek. Er zijn vier rivieren mee gemoeid: de Xanthus, het IJ, de Maas en de Aa. Troje en Amsterdam gaan aan de list te gronde, Dordrecht spilt burgerbloed, maar Breda komt ongehavend in een gelukkiger staat uit de verrassing te voorschijn. Ziehier de grondgedachte van het Eeuwgedicht op de verovering van Breda door het turfschip, dat Pieter Nuyts, officier der vrijheid Etten, Leur en Sprundel, op de vierde van Lentemaand 1690 had willen voorlezen aan de stadhouder, burgemeesteren en schepenen der stad Breda. ‘Doch afzijn en 'k weet niet wat toeval van gewigt
Of bezigheên aan my toenmaals beletzel deeden,
Dat, zo't behoorden, 't niet verscheen aan uw gezigt’
bericht hij hun in een geschreven opdracht van zes jaar later. Wij behoeven Willem Bentinck en het stadsbestuur niet te beklagen, dat hun het voorrecht ontging, te mogen luisteren naar achtenvijftig coupletten van zes regels, die vol verwijzingen staan naar feiten uit het stadsverleden, maar weinig bijzonders over het turfschip berichten. De gedachte om Breda door list te overrompelen wordt in de tweeëntwintigste strofe toegeschreven aan Charles de Heraugières, die er dan echter nog geen voorstelling van heeft, welke werkwijze het best gevolgd zal worden. Het plan moet moeizaam worden uitgebroed: De Dapperheid en Oorloogslisten
Zag yder om de voortocht twisten,
Wie 't sneegst bedacht, wie 't koenst volbrogt.
Schipper van Bergen krijgt geen aandeel in het initiatief; hij stelt alleen zijn turfschip ter beschikking, maar om deze reden | |
[pagina 142]
| |
behoeft zijn woonplaats De Leur, ‘schoon laag en klein gezeten, ja van een yder als vergeeten’, in trouw noch moed te wijken voor Haarlem of Gorkum. Hij zelf doet voor Vosmeer de Spie en voor Schipper Tyssen van Gorkum niet onder: Hy stond voor geen gevaar verlegen,
Doch 't haastig lossen konstig tegen,
Terwyl zyn Pomp den hoest verbluft.
Het heroische voorstel van Matthijs Helt om zijn hoest te dempen met zijn dolk, blijkt in 1299 reeds gedaan te zijn door de jonker van Arkel, ‘Die bestondt te ontblooten
Zyn dolk, en zich door 't hart wou stooten,
Om niet zyn Makkers, door 't gerucht
Van schor gehoest te zien bedorven’.
Dit is een eigenaardige inversie van het hoestverhaal! Uit de turfschip-geschiedenis terecht gekomen in Gijsbreght, keert het naar de turfschip-geschiedenis terug als een voorbeeld: ‘Die heldenmoed was niet gestorven,
maar leefde in Helt noch met die zucht’ (!)
Bij het ontschepen in het holle van de nacht houdt Charles de Heraugières een korte toespraak, waarna men de afgewaakte wachten in hun geronnen bloed versmachten ziet, onder bijvermelding dat het wachthuis in 1690 nog om die reden Bek-af heet. Een gelijke naam werd van ouds gegeven aan het westelijk bastion op de wallen van Bergen op Zoom. Ook in Breda is het geen schildwachthuisje, maar het noordwestelijk bastion van de kasteelwal, dat deze naam bij de soldaten droeg. Het bloedbad, dat Pieter Nuyts ons voortovert, noemt hij wel hevig, doch het was niet langdurig, omdat de bezettingsmacht gering in aantal bleek en de ongewapenden gespaard bleven. De stedelingen, aanvankelijk voor wraak bevreesd, komen spoedig tot zichzelf, als zij in de overwinnaar hun erfheer herkennen. Maurits toont zich goedertieren. Hij spaart de bevolking, wat | |
[pagina 143]
| |
aanleiding geeft tot een herhaalde vergelijking met Troje, Amsterdam en Dordrecht. Er wordt godsdienstvrijheid gevestigd, waarna het lange stuk besluit met lof voor de stadhouder-koning. De grondgedachte, dat vorstelijke zachtmoedigheid eerder dan krijgsgeweld het staatsheil verzekert, horen wij nog eens herhaald in een klinkdicht, dat opnieuw de zegenrijke verlossing van Breda tegenover de bloedige ondergang van Troje stelt: Men prys de schrand're vond niet meêr, die de Troijanen
Zo veel rampzaligheid en onheil heeft gebaard;
Ook niet Epaeus' konst, dat schynbedrieg'lyk paard,
Gewrocht ten ondergang der dappere Dardanen:
Men brenge iets anders op de onstervelyke baanen;
Stoffe op dit stuk, en brom dit brein zo braaf geaard,
Daar in meêdoogen was met dapperheid gepaard,
En richte t'zynder roem vergulde zeegevaanen.
Want 't Grieksche volk, als 't paard was binnen Troijens wal,
Van Troije zelfs gevoerd, verblind in dit geval,
Sprong uit, en stak 't in brand, en hakten 't al ter neder;
Maar 't koste weinigen den hals slechs, als deez' kiel
Wierde in het slot gesleept van die de wacht zelfs hiel.
De steêling kreeg gena, de vorst zyn vesting weder.
De schout van Etten, die gewoonlijk zijn dichtwerken schreef op het kasteel van den Houte, was omstreeks 1662 getrouwd met de burgemeestersdochter Petronella Bernagie, hetgeen hem goede betrekkingen te Amsterdam bezorgde, waar zijn vrouw's neef Pieter Bernagie, de blijspeldichter, zich in 1677 als arts gevestigd had. Hij maakte er snel carrière in dubbel opzicht. Binnen drie jaar tijds (1684-1686) publiceerde hij dertien toneelwerken, werd vervolgens in januari 1689 privaat-docent en in maart 1692 hoogleraar in de anatomie. Hij haalde Pieter Nuyts in zijn amsterdamse vriendenkring binnen, liet hem benoemen tot regent van het weeshuis en werd door hem opgevolgd als assistent van de schouwburgregenten. Toen Nuyts in 1697 op ongeveer 55-jarige leeftijd zijn gedichten bundelde in de Bre- | |
[pagina 144]
| |
daasche Klio, gaf de veertigjarige professor aan dit boek een lofdicht mee, waarin hij duidelijk betreurde, dat de historische muze haar aanzien verloor. Was zij nog zo gevierd als in de oudheid: ‘hoe zou zy van het turfschip zingen!’ Thans echter vraagt de inleider zich bezorgd af, wat voor dank Nuyts verwachten mag voor zijn historische gezangen. Pieter Bemagie was een man met geest. Uit alles blijkt, dat hij zijn aangetrouwde oom genegen was; - uit niets, dat hij hem hield voor een groot dichter. Hij beschermde hem meer dan hij hem bewonderde. ‘Breda zou Illium niet wijken’, indien een voorwaarde vervuld was, waar Bernagie blijkbaar een zwaar hoofd in houdt! Wel zeker uit de patriottentijd dateert een naamloos rijmverhaal, dat dr. C.R. Hermans in 1845 optekende in het eerste deel van zijn Bijdragen tot de geschiedenis, oudheden, letteren, statistiek en beeldende kunsten der provincie Noord-Brabant (blz. 334). Het speelt kort na de inneming van Breda, die er terloops in genoemd wordt. Overigens strekt het om op gezag van Maurits burgereendracht boven kerkgeschil te verheffen. Het veronderstelde contact tussen de Prins en een bredase pastoor zou op een herinnering aan Cornelius Gobbinx kunnen berusten, die na de overgave van Breda door Maurits ontboden en in zijn bediening gehandhaafd werd. ‘Vrouwen hebben ook mannenharten, zij ontzien geenszins den dood, wanneer het op de verdediging van hun vaderland aankomt!’ Dit is het motto van een historisch toneelspel Het Turfschip van Breda, geschreven door Cornelis van de Vijver (1781-1855) en op 2 oktober 1812 goedgekeurd door Devilliers-Duterrage, directeur-generaal van de politie in Holland, alvorens bij Abraham Mars te Amsterdam te worden gedrukt. Het stuk is in proza geschreven, behoudens enkele coupletten, die Adriaan van Bergen tijdens het pompen uitgalmt. Ze geven de bemoedigende bedoeling weer van de amsterdamse onderwijzer, die het stuk tijdens de inlijving bij het keizerrijk schreef: | |
[pagina 145]
| |
Moed zal den genen nooit begeven
Die voor een goede daad zich waagt;
Als moed ons bij blijft in dit leven,
Is 't zeker dat me in 't oogmerk slaagt.
Dat de dochter van Adriaan van Bergen, hoewel bestemd om met Willem te trouwen, verliefd is geworden op Francisko, een lid van de spaanse bezetting, maar die haar het leven gered heeft, weeft door de drie bedrijven een tamelijk zwakke intrigue. Ze biedt Maurits de kans om aan het eind grootmoedig te zijn: ‘Uwe dochter zal ik gelukkig maken..... Zij bemint den Spanjaard, die haar het leven redde, ik weet dit...... verlaat u op mij’. Voor de toeschouwers, die Cornelis van de Vijver zich in 1812 heeft gedroomd, werd de toneelaanwijzing: ‘de Spaansche vlag, op het kasteel, wordt door de Hollandsche verwisseld’, de voornaamste volzin van het hele stuk. | |
8. H. TollensTegen zulk een achtergrond moeten wij de romance in tachtig strofen van vier regels beoordelen, door H. Cz. Tollens in 1809 over het turfschip van Breda geschreven. Hij deed dit, gelijk hij zelf zegt: ‘op mijn eigen trant, die vreemde tooi ontbeert’. Zover gaat de volksdichter in die ontbering niet, of reeds vers 28 roept ons ‘Trojes zwangre paard’ voor de ogen. Het initiatief tot de listige overrompeling wordt geheel op naam van Prins Maurits gesteld. Willem Jacobs en Adriaan van Bergen krijgen hun naam zelfs niet genoemd. Kapitein de Heraugières is terloops aangeduid als ‘het hoofd’. Het beraad van Maurits met Oldenbarneveld, waarover de geschiedschrijvers toch uitvoerig berichten, wordt door Hendrik Tollens als door Jacob Duym verzwegen. Zonder naamsvermelding bezingt hij omstandig het voorstel van de luitenant Matthijs Helt, die zich liever wil laten doden dan door gehoest zijn aanwezigheid te verraden. Tollens laat de zoldering in het wild rondspaanderen bij het ontschepen. | |
[pagina 146]
| |
In zijn romantische weergave, die nauwelijks nog op andere historie-bronnen teruggaat dan op populaire, grotendeels onnauwkeurige herinneringen, wordt de verrassing van Breda een historisch exempel, dat deel uitmaakt van een bemoedigende taferelen-galerij, opgericht in de franse tijd. De tijdgenoot vond het te weelderig gedetailleerd terwijl er ons de opzet in hindert om het volkskarakter te doen vertegenwoordigen door te schetsmatig uitgetekende figuren. Met Jan van Schaffelaar, Albrecht Beiling, Kenau Hasselaar en Herman de Ruiter wordt tijdens de overheersing de bemanning van het turfschip tot voorbeeld gesteld van een oprecht-vaderlandse onversaagdheid, die haar drijfkracht tot handelen vond bij de onverdraaglijkheid van de omstandigheden. Het tijdperk van de napoleontische onderdrukking begreep zonder zielkundige ontleding ‘de wonderdaden van het onverbasterd bloed’. Een toespraak van achtentwintig regels, door Maurits gericht tot de ‘heldenschaar, die 't land met eer ontzet’, behoefde niets anders te bevestigen dan dat het eindelijk uur en tijd was om afdoend de dwingelandij te verschalken. Volharding in onverkoelde trouw met de zekerheid van een gelukkige uitslag in het vooruitzicht hadden de landgenoten van de dichter nodig in de jaren, waarin hij zijn romance schreef. Deze begeerde hij hun bij te brengen en bij slaagde. Toen die doelmatigheid het dichtstuk niet meer steunde, toonde het pijnlijk een tekort aan kennis van het eigene der situatie. Toepasselijkheid verving indringendheid. Eigentijdse kritiek merkte reeds bij monde van G.D.J. Schotel de kleurloosheid op, waardoor de voorstellingswijze ‘toegang verkreeg tot ieder, van welke staatskundige partij hij ook ware’. Het onversaagde vaderlanderschap, dat Tollens aanprees in de jaren van zijn eerste succes, kan enkel als verzetsconstructie worden gewaardeerd. Het toont voor tijden van vrede te weinig nuances. Toch vertaalde nog in 1865 de te Breda bekende Didier Jacquet het dichtstuk in het Frans onder de titel Le Bateau de Tourbes. Zonder erom te denken, dat de morgen van Breda's bevrij- | |
[pagina 147]
| |
ding op een zondag viel, ontwierp Frouwkje Herbig (1781-1856) in De Verloren Zoon of Breda verrast een dramatische zedenschets waarin zij allerhande lievelingsgedachten uit de tijd van de Verlichting terugspiegelt op het jaar 1590. Wij worden de woonkamer binnengebracht van een gegoede koopman, de heer De Bruin te Breda, die een onbeduidende knorrepot is met een weldenkende echtgenote, een zwaartillende dochter en een luchthartige zoon. Een oomzegster, als weeskind opgenomen in dit huisgezin, beleeft er weinig vreugde. De minnemoeder van de kinderen is rooms en wordt door de luchthartige Adolf spinnig gemaakt met praatjes over heiligen. Nu oordeelt mevrouw de Bruin: ‘Het vereert Adolf geenszins iemand, wie het ook zij, om zijn geloof te hoonen: vooral betaamt dit niet jegens eene vrouw, aan wie hij achting en liefde verschuldigd is. Verdraagzaamheid in het stuk van Godsdienst veredelt onze gevoelens, terwijl verbittering en haat uit onverdraagzaamheid geboren worden; waarvan wij helaas! in ons vaderland de bloedige sporen bij elke schrede ontwaren. Mogten wij nog eens den dag beleven, dat niemand om zijne Godsdienstige denkwijze verontrust werd. Intusschen raad ik Adolf, om voorzigtig te zijn, met zijne spotternijen; hoe dikwijls hadden de wanden ooren?’ Dit soort besprekingen wordt onderbroken door het langzaam binnendringende bericht, dat troepen van Maurits onverwachts in de stad zijn gekomen, waarop de familie plundering ducht. ‘Ik denk altijd, die het land wint, wint mij mede’, bekent mevrouw De Bruin aan een van de drie soldaten, die haar huis bezoeken. Allereerst verneemt ze, dat er niet geplunderd worden zal, vervolgens dringt tot haar door, dat de derde soldaat haar eigen oudste zoon Gerbrand is, die, verliefd op het nichtje, het kantoor van zijn gemelijke vader ontvluchtte om dienst te nemen in de troepen van Leicester. Nu bemande hij mede het turfschip, wordt in het ouderlijk huis ter beloning van zijn heldenmoed tot hopman bevorderd en krijgt met zure instemming van zijn vader de hand van Sophie. Dit alles verloopt in proza en in vijf bedrijven. De krijgshande- | |
[pagina 148]
| |
lingen komen niet ten tonele, maar worden door de soldaten verteld. Adriaan van Bergen is de uitbroeder van het idee. De rol van Matthijs Helt wordt deze maal toebedeeld aan ‘de goede slokkert Jan Prik’! De weergekeerde zoon blijkt een dichter te zijn, die voor de binnenrukkende soldaten een victorielied opstelde en er tijdens de voortgang van de handeling enkele strofen aan toevoegt. Het nagemaakte volkslied is te onnozel om in zijn geheel te worden aangehaald, maar het bevat een paar profetische coupletten: Victoria! Victoria! de kruin van Adriaan,
Die 't turfschip, dat hier binnen vaart
Gelijk maakt aan 't Trojaansche paard
Victoria! Victoria! dient eik en lauwerblaan.
Victoria! Victoria! omkrans diens braven kruin
Eens praal het beeld van Adriaan,
Die voor de vrijheid pal bleef staan.
Victoria! Victoria! in marmer of arduin.
In hetzelfde jaar 1903, waarin te Leur een standbeeld voor Adriaan van Bergen werd opgericht, bewees Th. M. Roest van Limburg de grotere waarschijnlijkheid, dat diens oom of neef Willem van Bergen de eigenlijke ontwerper van de aanslag zou | |
9. BesluitBij Frouwkje Herbig treedt de verrassing van Breda een flets familiedrama binnen als vervangbaar historisch incident. Niets dwong haar, de datum van 4 maart 1590 te kiezen voor een handeling, die burgerlijke vooroordelen tegen een huwelijk met een arm nichtje opzij stellen moet, behalve de mogelijkheid om de verloren zoon eervol terug te voeren in het vaderhuis. Dit huis had in iedere stad van Nederland kunnen staan. Een voorbericht tracht de combinatie te rechtvaardigen van het huiskamertoneel met het historiespel, maar vindt alleen ver- | |
[pagina 149]
| |
antwoording bij het algemene nut van geschiedeniskennis; omdat ‘de lotgevallen van onzen geboortegrond...... eenen schat van de treffendste voorbeelden ter navolging opleveren’. Speels exempel der historie werd de turfschipgeschiedenis opnieuw in 1944, toen een anoniem gepubliceerd verzetslied van Yge Foppema bij de bevrijding van Breda door Canadezen en Polen, de kennis, die wij achteraf over de verrassing in 1590 bezitten als roemruchtig beginpunt tot een reeks overwinningen van Maurits, gebruikte om de landsdelen, waar de bezetter nog heerste, te bemoedigen: Was het niet zo: dat toen de ‘vuyle Specken’
de stad bezetten en hun euvelmoed
al jarenlang het ganse land zich strekken
Het onder Parma's ijzeren krijgersvoet,
opeens, toen bijna alles scheen verkeken,
Prins Maurits opstond en met wijze hst
soldaten zich in 't turfschip liet versteken,
en zo de stad Breda te nemen wist?
Men juichte daar, eerst om de goede turven,
en toen om wat de boot aan vrijheid borg.
Men prees Ulysses' oude Hst, zijn durven-
de brandstof niet, maar wel zijn wijzer zorg.
Daar volgden toen veel andere goede steden,
heel Brabant haast, en menig IJsselstad;
het grootste leed scheen toen welhaast geleden,
was 't eind ook ver waarvoor men streed en bad.
En nu opnieuw Breda is ingenomen
op vuiler broedsel dan ooit de Spanjool,
verraderlijk met veel geweld gekomen,
maar ras gevlucht voor Canadees en Pool -
Nu krijgt die stad ook weldra hout en kolen
en komt de turf de vrijheid achterna;
in vrijheid lag de warmte thans verscholen
die eens ontbrak in 't turfschip van Breda.
| |
[pagina 150]
| |
Doch in zulk speels exempel der historie
bleef één ding toch gelijk: hiermee begint
des vijands eind, daagt nogmaals Hollands glorie,
dat in zijn vrijheid al zijn warmte vindt.
Geen historie-stof wordt ongeschonden omgewerkt tot esthetisch motief. Tot zulke omwerking drijft altijd een drang naar verzinnebeelding de kunstenaars aan. Hiervan levert de dichterlijke behandeling van het turfschipverhaal een leerrijk voorbeeld. Ze volgt de stijl van eeuw na eeuw en toont aldus, dat het raadplegen van de poëzie nooit een ijdele bezigheid wordt voor de historicus, die zich bewust blijft, dat de kunst uit het totale aanbod van de werkelijkheid met eigen smaak het verrukkende afzondert en dit op de bruikbaarheid en toepasbaarheid voor haar eigen doeleinden toetst. Zulk een doeleinde kan de verheerlijking van God zijn of die van de landvorst, de kenschetsing van vaderlandse volkskracht, de bemoediging van onderdrukten of het onweerstaanbaar slaken van een bevrijdingskreet. Telkens trekt het dan de waarachtige feiten zo heftig naar zich toe, dat het meestal hun onderlinge samenhang verwringt. Dit proces moet de historicus niet zozeer volgen om een opnieuw geordende voorlichting over de beschreven feiten te krijgen als wel om te verstaan, hoe onder invloed van gemoedsbehoeften de gegevens worden verschoven. De historievorser mag de dichters niet blindelings geloven bij wat zij zeggen. Hij mag nog minder geloven, dat zij dit zeggen zouden zonder historische redenen. Zij verdampen in het vuur van hun geestdrift de onbruikbare elementen uit de werkelijkheid. De bruikbare smelten zij om tot roem. Hun is het blijkbaar dikwijls een behoefte, deze roem te zamelen naar een plaats, die ervoor ontvankelijk is. Verschillen zij hierin ernstig van geschiedenis-beschrijvers? Wie het relaas van Pieter Bor wil naslaan, struikelt in elke van diens lange zinnen ook tenminste eenmaal over de loffelijke vermelding van Zijne Excellentie. |
|