| |
| |
| |
Tussen Twee Gevels
1
‘Mijn moeye te Nyeumeghen, mijn oom te Venlo’. Dit is alle familie die Mariken van Nyeumeghen bezit. Uit zulke schrale gegevens mag misschien verondersteld worden dat zij een Nijmeegse van geboorte zou geweest zijn. Dit staat echter niet in de tekst! Wanneer het spel begint, woont zij niet te Nijmegen. Ze woont dan bij haar oom te Venlo.
Voor de dichter, die iemand uit Antwerpen was, ligt dit Venlo op ongeveer drie mijlen van Nijmegen. Hij preciseert: op drie uren gaans, zodat wij zijn mijlen ten hoogste met de marsuren van een leger kunnen gelijk stellen. De boze tante ziet Mariken liever op de bodem van de Maas dan in een bed bij zich aan huis rusten. Tekstverklaarders besluiten hieruit, dat de dichter met de ligging van Nijmegen weinig vertrouwd moet geweest zijn. Wil men toch zijn vergissing aangaande de Waal goedpraten, dan moet oom Ghijsbrecht, die zich inderdaad niet als een stedeling gedraagt, een dorpspastoor worden in het uiterste noorden van het Venlose land. De Maas moet dan niet bedoeld zijn als de rivier waaraan Nijmegen ligt, maar als de rivier die overgestoken dient te worden wil een reiziger uit Nijmegen het land van Venlo bereiken. Maar met al die verontschuldiging is het bewijs niet geleverd dat de dichter van het mirakelspel Nijmegen en omgeving goed zou hebben gekend!
Het valt integendeel op dat de moei, door burenruzie verhit, in haar verwijten de plaats niet noemt waar Mariken ‘menighen rey ghereyt’ zou hebben, noch het ‘iewers’ aanduidt, waar Mariken heimelijk zou hebben zitten drinken. Ook Moenen
| |
| |
weet te Nijmegen kwalijk de weg. Hij besluit Mariken torenhoog de lucht in te dragen, zonder die torenhoogte plaatselijk te bepalen. In Antwerpen brengt hij haar naar de herberg ‘De Gulden Boom’, waarschijnlijk als ‘De Gulden Bodem’ te verstaan, waar het gilde van de rederijkers kamert. De dichter van het spel kent het devies van de Violieren: ‘in ionste versamen’. Hij gebruikt een bescheidenheidsformule van Anna Bijns. Dit was een van de redenen waarom dr. J. van Mierlo s.j. hem met Anna Bijns vereenzelvigde.
De voortgaande handeling voert Mariken van Venlo naar Nijmegen, dan over 's-Hertogenbosch en Hoogstraten naar Antwerpen, vandaar naar Nijmegen terug, vervolgens naar Keulen en Rome, eindelijk naar Maastricht. Zou zij Mariken van Maastricht geheten hebben, dan behoefde ons daarin niets te verbazen. Maastricht bewaart volgens de tekst haar kenbaar graf. Oom Ghijsbrecht bidt niet tot Onze-Lieve-Vrouw van Nijmegen maar tot Onze-Lieve-Vrouw van Aken, naar wie hij jaarlijks een bedevaart onderneemt, en tot Sint Servaas, wiens heiligdom hij dan in het voorbijgaan te Maastricht begroet.
Hierbij staat vast dat Nijmegen in het begin van de zestiende eeuw, toen het spel geschreven werd, geen achterhaalbare herinnering bewaarde aan een meisje wier geschiedenis met die van Mariken overeenkomt. Weliswaar noemen wij het stuk gewoonlijk ‘een mirakelspel’ en heet de tekst een ‘wonderlijke historie’, maar wanneer men het levend neerkomen na de val uit de lucht voor een natuurlijk verklaarbaar verschijnsel aanziet, gebeurt het eigenlijke wonder, nl. het afvallen van de ijzeren boete-ringen, te Maastricht.
Zo blijft het een raadsel waarom Mariken van Nyeumeghen reeds op de titelpagina bepaald ‘van Nijmegen’ heet. De Antwerpse kunstenaar moet een wellicht naspeurbare reden hebben gehad om de handeling gedeeltelijk te Nijmegen te plaatsen en het hele drama daarnaar te betitelen. Enigszins maakt hij ons spoorwijs door de betrokkenheid van de moei in de partijschap- | |
| |
pen rondom Arent en Adolf van Gelder. Dit is een tamelijk ingrijpend bij-motief, omdat het de razende toorn van de tante aan het begin van Mariken's avontuur verklaart. Schijnbaar buiten de rest van de handeling om, krijgt dit bij-motief zijn eigen verloop in het tafereel, waar de tante zelfmoord pleegt als graaf Arent vrijgelaten is. De duivel zegt dan: ‘Partie ende nidicheit baet der hellen menich millioen van zielen’. Hiermee is, nog niet halverwege de tekst, dit onderdeel afgewikkeld, zonder dat er verder hoorbaar op gezinspeeld wordt.
Bestaat er tussen de politieke hartstocht bij de tante en het genaderijke verloop van de geschiedenis van Mariken geen ander verband dan dat die hartstocht de tante in verbittering doet razen op het ogenblik dat haar nicht onderdak bij haar zoekt? Dit zou een uiterst zwakke reden zijn om Nijmegen tot plaats van handeling te kiezen voor de verleiding en de bekering van Mariken! Het zelfmoordtafereel zou dan een intermezzo zijn om uit de handeling een persoon te verwijderen die, eenmaal opgetreden, hierna geen reden van voortbestaan meer bezit.
Nadenken over het vraagstuk krijgt weinig steun uit de archieven. Natuurlijk vindt men daar gegevens over de heftigheid van de tegenstelling tussen de aanhangers van Arent en die van Adolf, over het ingrijpen van Karel de Stoute en over het verzet van de gemeente Nijmegen tegen diens snel aanvaard gezag. Blijven dit echter geen onbelangrijke bijkomstigheden?
Er bestaan, dunkt rmj, twee mogelijkheden. Ofwel het stond tevoren vast dat de handeling in hoofdzaak te Nijmegen spelen moest. Dan maakte de dichter van de Nijmeegse burgertwisten in de Bourgondische tijd gebruik om een eerste aanleiding te vinden tot de losmaking van Mariken uit de beschermende voogdij van oom Ghijsbrecht. In dit geval speelt de Nijmeegse (en algemeen Gelderse) onenigheid van de burgers geen verdere rol. Ofwel de Antwerpse kunstenaar stelde de partijdigheid, die miljoenen zielen verloren deed gaan, op een of andere wijze centraal voor het waarnemingsvermogen van de tijdgenoot. Hij koos dan Nijmegen als een stad die door partijschappen scherp verdeeld werd. In zijn drama krijgt de boosaardigheid van de
| |
| |
tante dan iets anders te betekenen. Ze wordt méér dan een toevallige aanleiding, méér dan een verrassend bijmotief. Ze wordt dan de achtergrond van de demonische werking van Moenen, en tevens het gewenste tegenmotief tegen de beschermende vroomheid van oom Ghijsbrecht.
Het spel bezit in dit geval een andere strekking dan er gewoonlijk aan toegekend wordt. Levert Nijmegen niets op om deze andere strekking te bevestigen? Met historische feiten komt de onderzoeker niet ver. Ze worden in de tekst aangeduid, maar ze blijven vervangbaar. Niets dwong er toe, dat juist de partijschappen over Arent en Adolf de moei zouden maken tot de figuur die wij te zien krijgen.
Om achter de zin van het drama te komen, is een andere methode nodig. Herhaalde lezing en overweging moeten de samenhang onthullen van hetgeen op eerste aanblik toevalligheden lijken.
Die overweging werd mij opgedrongen door de onverdrijfbare gedachte aan een andere, schier legendarische Nijmegenaar, die ik voor mijn verbeelding gestalte trachtte te geven uit hetgeen er van zijn werk behouden bleef. Ik bedoel Meester Herman van Herengrave, de stadsarchitect van Nijmegen, die in 1544 de gevel van de Latijnse school heeft opgetrokken tegenover het zuiderportaal van de St.-Stevenskerk, en die in maart 1553 de nieuwe stadhuisgevel bouwde.
Over het persoonlijke leven van deze man is bijna niets bekend. De stadsrekeningen noemen hem bij name. Ze doen ons weten dat hij geregeld een twintigtal metselaars in dienst had, tenminste voor werk dat hij in opdracht van de gemeente uitvoerde. Hij moet dus in zijn rijpe jaren een vrij aanzienlijk burger geweest zijn, niettemin een ambachtsman, opgeleid in het vak en geoefend door ervaring. Min of meer een self-made man uit de roerige tijd waarin Nijmegen definitief in de Bourgondische Kreits werd getrokken. Voor zijn ambacht leverde die politieke verandering moeilijkheden op door de prijzenstijging, in 1543 als gevolg van de annexatie door Karel V begonnen. Ze
| |
| |
dwong hem uit te zien naar andere steenleveranciers voor alle drie de steensoorten die hij gebruikte: hardsteen, mergelsteen en baksteen.
Uit zulke economische strubbelingen zou weinig te besluiten zijn, wanneer de twee gevels duidelijk het karakter droegen van de architect die ze ontwierp. Dit doen ze echter niet. Ze vertonen opvallende tegenstrijdigheden, die mij telkens treffen als de uitdrukking van een onrustig tijdsbeeld. Herman van Herengrave, stel ik mij voor, zal steenhouwersleerling geweest zijn in de jaren dat de wonderlijke historie van Mariken van Nyeumeghen te Antwerpen geschreven werd.
| |
2
Door historie te heten, wijst dit spel naar het verleden terug, echter naar geen diep verleden, want onderlinge vergelijking van de genoemde feiten wijst uit dat Mariken haar zwerftocht met Moenen begon in 1467, dat de moei zich van kant maakte in 1471 en dat het wagenspel opgevoerd werd in 1474. Dit zal kort voor de kinderjaren van meester Herman geweest zijn. ‘Historie’ betekent altijd meer dan een terugwijzing in de tijd. Het is ook de verplaatsing naar een verbeeldingsveld, waar menselijke zielskrachten geheimzinnig op elkander inwerken.
Hoewel de literatuur tijdens de Bourgondiërs in ontwikkeling achterbleef bij de andere kunsten, spiegelt zij een gesteldheid van de geest die bijwijlen ook waarneembaar wordt in beelden of op schilderstukken. De suggestie, uitgaande van de titel die Nijmegen noemt, dwingt mij telkens stijlelementen van het drama terug te vinden in de gevelconstructies van bouwmeester Herman van Herengrave. Dit is (geef ik toe) een uiterst subjectieve grondslag van redenering. Voor de wetenschap bezit ze geen geldigheid. Toch kan zulk een aangevoelde overeenkomst van lijnenspel en handelingsverloop iemand zo gedurig bezighouden dat het, zijn inzicht ten spijt, de gedachte blijft richten naar
| |
| |
mogelijkheden, die nooit zo onbewijsbaar blijven of de verbeelding wil ze speels als werkelijkheden beleven.
Ik weet hoe gevaarlijk dit is. Te gemakkelijk wordt een inval tot werk-veronderstelling aangenomen, een gevolgtrekking uit onbewezen stellingen gemaakt. Maar een mens die kijkt, kan het moeilijk verhelpen als hij dingen ziet waarover hij zijns ondanks mijmeren moet.
De rustige, hoogstrevende gotische gevel van de Latijnse school met begrijpelijkerwijze nogal kleine vensters, werd door Herman van Herengrave opgetrokken in de wetenschap dat niet uitsluitend zijn werk het vóóraanzicht en hiermee het karakter van de school bepalen moest. Bij het bouwen bleef hij zich bewust te moeten samenwerken met een ander, in dat geval met Meester Willem, de stadsbeeldsnijder, die opdracht had de beelden van de twaalf apostelen in de gevel aan te brengen. De school was aan de twaalf apostelen toegewijd. Ze heet in de stadsstukken Apostelenschool, soms ook Apostolische School. De twaalf beelden zouden naast elkander komen staan boven de vensterhoogte en daar dus een horizontale lineatuur te voorschijn brengen, die bevreemden moest in de gotische constructie. Hier kwam nog iets bij. Voor de beelden van de vier kerkleraren ter zijde van de deurfries riep de stad de hulp in van de Utrechtse bouwmeester en beeldsnijder Meester Pieter. Het is mij niet duidelijk, waarom de apostelen door een Nijmegenaar, de kerkleraren door een Utrechtenaar vervaardigd dienden te worden. Zeker zocht het stadsbestuur uit die verscheidenheid van opdracht een afwisseling van aanzicht. Dit was nu juist hetgeen de architect het minst begeerde.
Het spel van twee tegenstrijdige opvattingen, waardoor een gotisch bouwwerk in renaissancestijl versierd moest worden, heeft meester Herman van Herengrave ongetwijfeld anders beraamd dan wij het gespeeld zien. Spelen lijkt soms bedenkelijk op vechten. Het loopt er menigmaal op uit! Er was wijs beleid nodig om de architectonische harmonie te verzekeren. Er was vermoedelijk nog wijzer beleid vereist om de menselijke eenstemmigheid van de werkers aan hetzelfde gebouw te bewaren.
| |
| |
Is hij hierin bij het op trekken van de Apostelengevel geslaagd, dan ondernam meester Herman een zonderling waagstuk toen het stadhuis moest worden vergroot. Het zal zijn advies aan het gemeentebestuur zijn geweest, de oorspronkelijke buitengevel als binnenmuur te laten staan en daarvoor een vestibulum te bouwen. Dit heeft tweeëndertig weken metselwerk gevraagd. Toen stond daar hoogoprijzend de nieuwe, wederom geheel gotische gevel. Het is een stevig stuk werk van toenmaals reeds ouderwetse degelijkheid, conservatief en eenvoudig, in feite zuiver middeleeuws. Had meester Herman niet in de gaten dat de middeleeuwen voorbij waren? Wilde hij het niet zien? Of hield hij aan de mening dat het nieuwe enkel gelden kan op grondslag van het oude? Staande voor het herstelde stadhuis, ziet een bezoeker de uitspringende tralieroosters met hun leliën en rozetten, de driekantige frontons en de renaissance-koppen, die daar zo schril, bijna brutaal, uit naar buiten steken. In horizontale lijn stonden de keizerbeelden, acht in getal, niet zozeer betuigingen van eerbied aan de opperste landsheren tussen Karel de Grote en Karel de Vijfde, als herinneringen aan de vrijheden, die deze keizers aan de burgerij hadden verleend. Het beeldwerk is van eigenlandse oorsprong, maar de medaillons; daarboven zijn uit Florence gekomen.
Ze stellen naast elkander de drie goddelijke en vier zedelijke deugden voor. De gewone volgorde van de goddelijke deugden is: geloof, hoop en liefde. Hier valt op dat de hoop aan de kant van de burcht is gezet, het geloof aan de kant van de kerk en de liefde, immers de grootste van de drie, in het midden.
De vier zedelijke deugden zijn: sterkte, rechtvaardigheid, beleid en matiging. Ze heten in het Latijn: fortitudo, iustitia, prudentia en temperantia. Van de vier vindt gij er te Nijmegen slechts drie. Temperantia is bij ons door concordia vervangen. Door te verrassen, geeft dit te denken. De prudentia van de renaissance moogt gij u niet als een bange dame voorstellen, die moeder van de porseleinkast wenst te blijven als het bommen en granaten regent. Prudentia was in die dagen krachtig vooruitstrevend. Haar naam mag in het Nederlands niet door ‘voorzichtigheid’
| |
| |
vertaald worden, tenzij gij menselijke voorzichtigheid op goddelijke voorzienigheid durft laten antwoorden. Ook is temperantia geen matigheid, maar matiging, d.w.z. voorbehoud ten opzichte van alle menselijk teveel. Te Nijmegen kon in het Bourgondische tijdperk die matiging vervangen worden door concordia. Gewoonlijk vertalen wij: eendracht, maar de betekenis gaat verder. Zij is letterlijk weer te geven door: ‘samenhartigheid’. Het hart wordt dan op zijn bijbels als het middelpunt van de levensbeweging, lichamelijk en geestelijk, opgevat.
De centraal-stelling van de charitas en de vervanging van de temperantia door de concordia zijn cultuurhistorische feiten, waarvoor de op gang gebrachte gedachte een verklaring zoekt. Nijmegen levert haar uit de burger-onenigheden, die in 1458 begonnen waren, toen het stadsbestuur op 14 september zijn geboekstaafde grieven tegen de hertog verzond. Ze waren niet geëindigd, ofschoon van onderwerp veranderd, toen meester Herman de stadhuisgevel neerzette. Bijna een eeuw gold Nijmegen in de andere Nederlandse steden als het meest afschrikwekkende voorbeeld van burgerverdeeldheid.
Uit de geschillen tot eenheid geraken, lijkt mij het verdraagzaam streven van meester Herman van Herengrave, die in dit geval artistieke tegenstrijdigheden tot evenwicht verzoende, als min of meer bewust zinneteken van de noodzakelijkheid om op school en stadhuis samen te voelen voor een hoger burger-ideaal dan de partijschappen verzekerden. Is dit zijn wens geweest, dan had hij die niet scherper verstaanbaar kunnen maken dan door concordia (als resultaat) op de plaats van temperantia (als oorzaak) te stellen. Ik neem aan dat hij toen bejaard en ervaren was, wijs geworden door het lange bezien van de wereld.
Zelf bleef hij een middeleeuwse bouwmeester, gotisch geschoold, solied van overtuiging maar, gelijk men dat noemt, met een open oog voor de toekomst. Hij besefte dat de tijd verandert. Opgeleid in het oude, trouw bovendien aan die vorming, gunde hij het nieuwe zijn rechten. Hij drukte deze gunst in spitsvondigheid uit door samenhartigheid als gevolg van matiging te verheerlijken op een gevel, waar gotiek en renaissance, tot op
| |
| |
de grens van tegenstrijdigheid speels, elkander hielpen om tot uitdrukking te brengen dat vrede de voorwaarde van vrijheid is.
Tussen de beide gevels ligt de markt. Hier speelde Albert van Dalsum het mirakelspel dat reeds bestond toen Herman van Herengrave de Apostelschool en de stadhuisgevel ontwierp.
| |
3
We hebben een omweg gemaakt om door te dringen tot de zin van het mirakelspel. Het was een omweg die de dichter zelf, wie hij ook was, niet maken kon. Maar het dunkt mij een omweg te zijn, die voor Nijmegenaars onvermijdelijk blijft. Zoeken zij de plaats waar Mariken het wagenspel zag en waar Moenen haar van een torenhoogte neerwierp, dan komen zij terecht tussen de school en het stadhuis.
Daar stond de vrome Ghijsbrecht in het volksgedrang aan de zijde van de burger die voor hem een weg banen zou naar het neergeworpen Mariken. Herkent hij haar, dan roept hij uit: ‘Och Antropos coem en doerschiet mi lichte’. Hij bedoelt, met een drukfout in haar naam, een van de drie gezusters: Clotho, Lachesis en Atropos, de Griekse schikgodinnen die wij herhaaldelijk ontmoeten in laat-Bourgondische doods-speculaties. Zij is de pijldragende Paree. Ze wordt ook bij Jan Baptist Houwaert, Jeronimus van de Voort, Jan Pertcheval, Colyn Caillieu als veroorzaakster van de dood opgevoerd, hoewel zij in Franse moraliteiten gewoonlijk doorging voor een duivelin.
De zetfout vermenselijkt voor onze ogen haar gestalte in een antropomorfisme, dat ook Satan ondergaat doordat hij zich als Moenen aan Mariken voorstelt. Dit is alweer niet de bedoeling van de kunstenaar geweest. Het is een van die opmerkingen, waarbij de gedachte van de lezer zich geprikkeld voelt tot verder strekkende conclusies. Ik kan het niet helpen, maar het verbaast mij dat de vrome priester, die Onze-Lieve-Vrouw van Aken en Sint Servaas van Maastricht aanroept als hij het meisje hoort
| |
| |
beschuldigen, zijn toevlucht neemt tot een heidense schikgodin op het ogenblik dat hij haar terugvindt. Is dit niet ineens van het humanisme teveel?
Hiermee worden wij in zijn rol twee heterogene trekken gewaar: een middeleeuws-devote levensopvatting en een bij overrompeling door de feiten te voorschijn gekomen, modernwereldse tendentie uit de rederijkerstaal.
Leeft er in deze heeroom niet iets soortgelijks als hetgeen ons verbaast in meester Herman van Herengrave? Hij was een gotische bouwmeester, die met renaissancesteensnijders werkte. Het lijdt geen twijfel, of de dichter van Mariken wilde oom Ghijsbrecht schilderen als een vrome priester. Hij schilderde hem zelfs als de belichaming van zijn eigen dichterlijk priesterideaal. Toch hindert iets aarzeiachtigs in het karakter van de bezorgde man. De wereld blijkt slechter dan zijn verbeeldingsruimte, maar zijn verstand is hierover weinig verbaasd. Hij stelt zich de godsdienst vooral voor als een zedelijke beschutting van de persoonlijkheid. Toch krijgt hij van zijn schampere zuster te horen: ‘Haddise in een cofferken ghesloten, so haddi moghen dit grief beweeren’. Hij heeft op Marikens zelfstandigheid vertrouwd, maar gaat haar, wanneer het te laat is, terugzoeken met een spreekwoord op de lippen: ‘Niemant en scheet gheerne van dat hi liefheeft’.
Vindt hij haar weerom, doch in stervensgevaar, dan is zijn eerste woord opnieuw een spreuk: ‘Ten es niemant verloren dan die hem verloren gheeft’. Die wijsheid, nogal menselijk, lijkt hem genoeg om niet in Marikens verdoemenis te geloven, ofschoon hij gruwt van hetgeen zij, zelfs tot verbazing van de paus, met Moenen ondernam.
De vraag komt op, wat deze brave geestelijke, die zelf niet te Nijmegen woonde, ook na zijn zusters dood nog naar de stad dreef om het wagenspel te zien. Wilt gij antwoorden dat dit spel vertoond werd op de processiedag, dus: dat Ghijsbrecht de plechtige omgang bij wonen wilde en dat hij de vertoning op de reis toe nam, mij goed! Doet zijn plotseling opkomende doodsverlangen bij de heftige schrik een beroep op Atropos, dan hoor
| |
| |
ik niettemin daarachter de tweede gesteldheid, die mij gemakkelijker zijn aanwezigheid bij de theatervertoning verklaart.
In zijn devotie nog volop middeleeuwer, laat hij zich hier kennen als een onverwacht, ik zou haast willen zeggen: een onderbewust humanist. Atropos past niet op de gevel van zijn huiskapel. Ze kwam er terecht uit een andere verbeeldingsruimte, die mede tot de wonderlijke historie behoort en die er niet van mag worden afgescheiden.
Noem haar voorlopig de wereld van de zeven vrije kunsten, toch voor het minst die van het trivium. Dit is de wereld waarin niet heeroom, doch de duivel Mariken inwijden zal. Toch noemt Emmeken tijdens haar omgang met de duivel, wanneer zij te Antwerpen optreedt in de rederijkersherberg, de retorijeke ‘een gave vanden heylighen Gheeste’.
Hier bestaan weer twee mogelijkheden van interpretatie. Zij noemt de retorica zo op duivelse inblazing, òf zij noemt de retorica zo krachtens de overtuiging van de maker van het spel. Van de keuze die iemand tussen deze twee mogelijkheden maakt, hangt af hoe hij het refrein zal verklaren dat Emmeken aanheft. Is zij, terwijl zij dit gedicht improviseert, een spreekbuis van Satan of van de dichter van het spel? De slotregels leiden naar de laatstgenoemde veronderstelling, al gaat er onmiddellijk aan vooraf, dat niemand met de kunst geboren wordt. Wij weten van wie Mariken de kunst leerde. ‘Maer tes alle constenaers een verseeren, dat d'onconstige die consten so luttel eeren’.
Dit klinkt scherper dan polemisch. Het klinkt ronduit partijdig. Door wie ook ingefluisterd, Emmeken zegt hier woorden van felle bitterheid tegen de ‘onkunstigen’. Zij bedoelt geen ongekunstelden, naar haters van de kunst.
De centrale gebeurtenis is haar bekering. Maar de bekering is niet het mirakel van het mirakelspel! Er is in het geheel niets wonderlijks aan het hoofdfeit uit de wonderlijke historie. Integendeel: dit hoofdfeit is een louter zielkundig feit. Mariken komt tot inkeer door het overwegen van Gods oneindige barmhartigheid en van de invloed, die de Moeder Gods hierop uitoefent. Deze overweging, zielkundig voorbereid door het ver- | |
| |
langen om haar verwanten terug te zien, wordt in haar bewerkt door het wagenspel, niet door een preek, noch door de ontmoeting met haar heeroom Ghijsbrecht. Maria's wonderen, het levensbehoud na de neerstorting en het afvallen van de boeteringen, volgen op de geestelijke omkeer. Ze zijn voorzeker veroorzaakt door woorden van Maria, echter door woorden gesproken in een toneelstuk!
De onkunstigen weigeren aan de retorica haar ware werking toe te kennen of te gunnen. Hierdoor gaat de kunst verloren. Maar de kunst mag niet verloren gaan! De kunst bezit een eigen taak in het maatschappelijk leven. Door uitbeelding van de waarheid brengt zij de mens tot inkeer. Dit toont het wagenspel.
| |
4
Nu komt de allesbeheersende vraag: wie zijn de ‘onkunstigen’? Op zichzelf genomen is de moei dit niet. Zij zegt grove woorden, echter geen woord tegen de kunst. Zij is een vertegenwoordigster van de politieke partijhaat. Die is in het drama nodig om de drift van de verdenkingen te verklaren, waardoor Mariken overstelpt en vereenzaamd wordt.
Zo zien wij twee krachten tegenover elkaar ontketend. Aan de ene zijde vroomheid, die met waarheidsliefde, menselijkheid en kunstwaardering samengaat; aan de andere kant partijschap, die tot ruwheid, leugenachtigheid en zielsverderf voert.
De moei zegt als laatste woord: ‘Paertiscap verdoempt menighe siele’, hetgeen de duivel bevestigt. Die zelfde duivel kan evenwel Mariken niet tot de uiterste wanhoop drijven, omdat de kunst haar toont hoe de Moeder Gods tot het uiterste barmhartigheid pleit, zelfs voor de verschrikkelijkste zondaars. De dood van de tante is geen intermezzo in het spel. Dit sterfgeval is een dramatisch wezensbestanddeel. Het vervolgt geen toevallig bij-motief, maar is een noodwendig tegenmotief.
Partijschap en kunsthaat sluiten de ziel af van de zaligheid,
| |
| |
doch vroomheid en kunstliefde houden haar ook in de afschuwelijkste situatie voor de werking van de genade open.
Aldus gelezen, krijgt de wonderlijke historie van Mariken van Nyeumeghen zijdelings een onweerstaanbare betoogkracht tegen de politiek, die geen zuivere kunstwaardering toelaat, daar zij de ziel verblindt. Ik herhaal dat dit een subjectieve interpretatie moet heten.
Toch is zij wellicht ergens dienstig toe. Zij kan helpen verklaren waarom Nijmegen de hoofdplaats van handeling werd. De Antwerpse schrijver kende, neem ik aan, Nijmegen niet of nauwelijks uit eigen aanschouwing. Hij kende de afstand tussen Nijmegen en Venlo niet. Hij was onnauwkeurig bekend met de loop van de Maas. Ook vond hij geen speciale reden bij reeds bestaande Marialegenden om over Mariken van Nyeumeghen te spreken. Dat hij niettemin Nijmegen koos, moet een andere oorzaak hebben gehad. Hij kende Nijmegen van reputatie als een stad die sedert lang door felle burgertwist vergiftigd was.
Deze dichter was een rederijker. Hij hield zich bezig met een vraag die ook andere rederijkers beroerde. Dit was, als gij haar zo noemen wilt, een sociaal-ethische vraag. Ze betrof de maatschappelijke waarde van het rederijkerswerk, ruimer gezegd: de maatschappelijke waarde van het literaire kunstwerk.
Terwijl volgens zijn opvatting alle politieke partijschap de levensliefde tegelijk met de waarheidsliefde aantast, achtte hij de kunst geroepen tot de uitbeelding van begrippen, die het vertrouwen in het leven waarborgen. Hij dichtte een apologie voor zijn kunst, die door ‘onkunstigen’ versmaad werd. Hij dichtte een ouderwets mirakelspel, even ouderwets als de gotische gevels van meester Herman van Herengrave, nog helemaal voortgekomen uit middeleeuwse begrippen van stijl.
Maar hij verzoende het middeleeuwse spel met moderne ideeën. Het werd als boek tweeslachtig. Mariken van Nyeumeghen is geen prozaverhaal, ook geen ondoorbroken drama, maar het levert vertelling en spel door elkaar. Op een grondslag van dramatiek geeft het een betogend getuigenis over de onmisbare aanwezigheid van de letterkunde als zuiverend element in de
| |
| |
samenleving. Het is eenzelfde tweeslachtigheid als die renaissancistische ingevingen van eigenwettelijke burgertrots deed aanbrengen op de gotische raadhuisgevel, waarachter oorspronkelijk vertegenwoordigers van het landsheerlijk gezag tezamen kwamen om recht te doen en de gemeente te besturen.
De kentering van de tijden wordt waarneembaar. Voor temperantia treedt concordia in de plaats: samenhartigheid in plaats van bezadigdheid. Het zelfbesef van de renaissancist, die het leven richt door het te verbeelden, zoekt evenwicht met de vrome deemoed van de middeleeuwer, die zich bewust blijft dat deze schuldverzoening een genadewonder is.
Twee vormen van hybris zien wij aan elkaar gemeten: de schijnbaar geringere verbijstering van de tante naast de verschrikkelijke vervoering van Mariken. Maar het mindere kwaad, of wat ons heden zo toeschijnt, is erger van uitwerking dan de geslachtelijke bandeloosheid. Zelfs aan de zijde van de duivel kan de kunstgevoelige een onbevangenheid openhouden waarvoor aan de zijde van een politieke drijver geen plaats in de ziel blijft.
Als Emmeken de retorica prijst door haar een gave te noemen van de Heilige Geest, is dit, bewust of onbewust, de eerste heenwijzing naar de komende omkeer. Haar ballade betekent dat zij, door Satan verdorven, niet geheel verloren is. Haar heimwee naar Nijmegen, uitgedrukt als een verlangen naar het weerzien van oom en tante, vertegenwoordigers van twee tegenstrijdige bestaanspolen, voert haar naar het wagenspel, waaruit zij leert dat er ontferming bestaat. Dit wagenspel redt haar.
Overschatte de dichter zijn kimst? Of kwamen de gedachten, die haar zo stellig verdedigen, zijns ondanks bij hem op terwijl hij niets anders bedoelde dan een exempel van vrome strekking dramatiserend te vertellen? Anders uitgedrukt: bestreed hij bepaalde ‘onkunstigen’ die de inwerking van de rederijkersspelen op het volksgemoed wilden tegengaan of beperken? Niets in zijn tekst dwingt ons tot dit inzicht. Hij gaf uitdrukking aan een algemeen en onbepaald vermoeden dat er in de politiek dingen op til waren die de taak van de kunst zouden belemmeren.
Wist Herman van Herengrave voor wat soort burgers hij een
| |
| |
nieuwe stadhuisgevel optrok? Aan de kant waar hij de hoop plaatste, op de burcht, nam geen volle twintig jaar later voor geruime tijd de hertog van Alva zijn intrek! En toch stond de hoop op haar plaats, gelijk in de ziel van Mariken. Er is een sociale samenhartigheid waarin het dichterschap zijn weerklank zoekt.
|
|