gezeten. De woorden zijn je in zoo groot aantal
familjaar,Ga naar voetnoot42 dat het wel eens moeielijk zijn moet onder
zooveel bevrienden, den eenen vriend te vinden, dien je noodig hebt.
Je zult het publiek nog wel hier en daar aan het schrikken maken. Ik voor mij
vind, in een oordeel over je boek, de zedelijkheids-kwestie ondergeschikt. De
vraag is ook niet wat de menschen mooi vinden maar wat jij, de met het leven
dwepende V. Deyssel mooi vindt. Houd me ten goede dat ik je zaken geschreven
heb, waar je 't niet mee eens bent of die je al lang wist en geloof me
tt
Alb. V.
|
-
voetnoot35
- Op 22 november 1887 had Kloos Van Deyssel
nieuwsgierig gemaakt naar dit boek door te schrijven: ‘Doortje Vlas’ door
Bram van Dam? Ken je dat? 't Is in den trant van Netscher, maar veel zwakker, zonder artisticiteit, maar nog al
aardig in 't psychologische. De jonge schrijver is een auteur van eenigen
aanleg.’ Bram van Dam, zo zou naderhand blijken, was een der pseudoniemen
van Willem Carel Tengeler (1853-1911). Van Deyssels nieuwsgierigheid zal nog
zijn toegenomen door Kloos' bespreking van Doortje Vlas in
De Nieuwe Gids, derde jrg., deel I, aflev. 2, december 1887, p. 328-329;
voor de eerste maal herdrukt in Veertien jaar
literatuur-geschiedenis, dl. II, Amsterdam, 1896, p. 71-72.
-
voetnoot36
- Dat gaat voor bijna alle Tachtigers op.
Zie in dit verband het groot aantal plaatsen, met betrekking tot dwepen, dweper, dweepziek, bij elkaar gezet in: Harry G.M.
Prick, De Adriaantjes. Een onderzoek naar wording en
achtergronden van Van Deyssels Kind-leven, Amsterdam, 1977, p.
385-386; voortaan: De Adriaantjes.
-
voetnoot37
- Verwey citeert hier de door Van Deyssel
aan Willem Kloos opgedragen brochure Over literatuur, (De Heer F. Netscher), Amsterdam, 1886, p. 42: ‘Zijn kunst, dat is de kunst, de kunst,
die hij bemint met een forsche en jaloersche liefde.’
-
voetnoot38
- Onduidelijk welk citaat uit
Een Liefde
Verwey hier voor ogen staat, aangezien de ‘mooye handen’ van Jozef
van Wilden een aantal malen worden vernoemd, de eerste maal in deel I, p.
34: ‘Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee handen steunden
op zijn mooye linkerhand.’
-
voetnoot40
- Mathilde de Stuwen en Jozef van Wilden, de
hoofdfiguren uit de roman Een Liefde.
-
voetnoot41
- In 1916 zou Verwey daarover schrijven: ‘Van Deyssel was niet
enkel door zijn geest, maar ook door zijn ingeboren en aangekweekte
stijl-eigenschappen een bizondere verschijning. Hij sprak - van nature,
scheen wel - een voortreffelijk proza. De overgang van de indruk tot het
woord was bij hem onmiddellijk. En hij gaf die indruk niet om zijnszelfs
wil, maar met een verschuiving of onder een verlichting, die hem treffend en
bekoorlijk, die hem drager maakte van een verborgen gehouden gevoelsleven.
Bovendien was er, ondanks dat Van Deyssel door het opzettelijke en verzorgde
van zijn gedragingen en uitspraken soms het komedianten-wezen scheen te
willen benaderen, aan zijn diepere ernst niet te twijfelen. Wat daarom aan
zijn uiting het meest de aandacht trok, was haar tweezijdigheid. Ze was
oprecht, gevoeld, hartstochtelijk, en ze was tegelijk bewust, planmatig, ja
zelfs de klaarblijkelijke uitdrukking van een geest die bleek aangelegd op
het onderscheiden en indelen. De neiging tot “schematiseren” was hem
aangeboren.
Voor mij die het proza-schrijven had moeten aanleren als
het schaatsenrijden, die daarentegen sedert mijn vijftiende jaar verzen
geschreven, zelfs gesproken had; die mij mijn indrukken niet achteraf bewust
maakte, en ze ook dan niet uitte, maar ze hoogstens dienen deed tot het
uitdrukken van mijn verbeeldingen; die mij altijd zwak wist als mijn
aandoening twee zijden had, zodat ik liever zweeg dan een evenwicht te
handhaven, waarvan ik vermoedde dat het me beschamen zou, maar mij krachtig
voelde zodra maar de eenheid in me herwonnen was; voor mij moest een
persoonlijkheid als die van K.J.L. Alberdingk Thijm wel wonderlijk en
boeiend lijken’; geciteerd naar Mea Verwey, Albert Verwey over
Lodewijk van Deyssel, in De Nieuwe Taalgids, dl. 43 (1950), p.
193-202; a.w., p. 201. Aldaar ook (p. 201-202): ‘Het onderscheid tussen ons
beiden was klaarblijkelijk dat zijn [Van Deyssels] bewustzijn zich
tyranniserend tegen zijn gevoel wierp, bij wijze van net waar het doorheen
moest gaan, terwijl het mijne in de richting van mijn gevoel ging, het
hoogstens lichtelijk leidde. Maar dan was het gevoel toch ook anders: het
zijne verbonden aan de verschijnselen die het opwekten, het mijne los
daarvan en spoedig daarop vervangen door verbeeldingen die verder zowel het
gevoel als zijn oorzaak voor me vertegenwoordigden. Ik herkende hem dan als
een kunstenaar, niet van de waarneming die het erkennen is van de wereld als
buiten ons -, maar van de gewaarwording, die het erkennen is van onszelf,
zoals we door die wereld worden aangedaan.’ Reeds in een opstel over
L'Orientation de la littérature hollandaise, door
Albert Verwey bijgedragen aan de Mercure de France, no. 229, Tome LXV, 1er
Janvier 1907, p. 33-42, had hij (p. 41) terloops vastgesteld dat ‘Van
Deyssel a toujours cherché une expression immédiate de l'imaginé.’ Vgl. Vervlogen Jaren, p. 215: ‘Wij menschen van de laatste
veertig of vijftig jaar hebben in Nederland geen beteren prater gekend dan
Van Deyssel. Ik herinner mij, dat Kloos mij eens
zeide: “Als Karel wat vertelt, dan is het als een boek. Je zoudt het zóó
kunnen opschrijven.” En inderdaad, Karel hield den toehoorder vast geboeid,
hij liet hem niet los. Het was een spel van woorden, die ieder raak sloegen.
Men kon hem aanhooren een uur lang zonder de geringste verveling.’
-
voetnoot42
- Waarschijnlijk gaf het onder ogen
krijgen van deze vaststelling Van Deyssel aanleiding op 2 januari 1888 in
zijn dagboek te noteren: ‘Aan vader schrijven mij De Vries en Te Winkel te
sturen. Ten eerste voor de geslachten, ten tweede om de woorden
achter-mekaâr te lezen, zoodoende nieuwe woorden te vinden en met de klanken
familiaar te blijven.’
|