| |
XIII
Het was in de groote vacantie, toen de oude heer Van der Welcke op
een morgen zei tot zijn vrouw:
- Waarom zouden wij den kleinen jongen niet eens te logeeren
vragen...
Tusschen de oude menschen werd nooit veel gesproken, maar
stilzwijgend, of, uit een enkel woord, hoorden zij, wat er omging in elkanders
peinzend gemoed.
Eerst des avonds vroeg de oude dame:
| |
| |
- De kleine jongen alleen?
- Alleen... of met Henri...
Eerst twee dagen daarna, opperde de oude mevrouw:
- Zouden wij ze dan niet vragen... allen... Constance ook?
De oude man zeide niets, en las door, of hij niet had gehoord, en de
oude vrouw drong niet op antwoord aan. Maar des avonds, toen zij, in den
donkeren zomernacht, zaten te staren naar buiten, ieder gezeten aan een raam,
zei de oude heer Van der Welcke:
- Neen, ik hoû niet van die vrouw... Laat ons Henri vragen met
Adriaan...
Zij zeide niets. Zij was gewoon te gehoorzamen aan de wenschen van
haar man, en zoo, in der tijd, had zij ook Henri opgevoed, te gehoorzamen aan
de wenschen van zijne ouders. Zoo, gehoorzaam, had Henri zijn leven,
zichzelven, op hun bevel, gegeven aan die vrouw... Wie van beiden de meeste
schuld had gehad, wie de verleider, de verleideres was geweest, wisten zij niet
- wilden zij niet weten, omdat alle verleiding des duivels was... Maar Henri
was een man: op hèm, kwam dus de verantwoordelijkheid. Verantwoordelijk
hij, hadden zij hem bevolen, door zich op te offeren, | |
| |
zijn
misdaad te boeten, voor God en de menschen. Zoo, in der tijd, hadden zij het
begrepen, hadden zij het bevolen, was het gebeurd. Maar hij, de vader, had
verloren door dit bevel zijn zoon. En de spijt over het verlies, wrokte altijd
in hem na...
- Henri... met Adriaan alleen... herhaalde de oude man.
Nu hij herhaalde de weinige woorden, die hij sprak, wist zij, dat
zijn verlangen onherroepelijk was. Zij had er leed van; de stemmen die, nu en
dan, in de nachten, als woei de wind, tot haar spraken, hadden haar
langzamerhand in zachtere stemmingen kunnen brengen, als waren zij muziek, die
verteederenden invloed uitoefende op haar, naar die betoovering luisterende,
ziel. Die stemmen hadden haar gezegd te gaan naar Den Haag, en
daar, voor de tweede maal, had zij gezien die vrouw, dat noodlot voor hun leven
als ouders - en de moeder van die vrouw, en het was, of die ontmoeting van
moeder met moeder, een zachte weldaad geweest was, even zacht en weldadig als
de betooverende muziek van de stemmen... Een weldaad, die weeker stemde, die
meer deed begrijpen, die veel deed vergeven, in een geleidelijk naderen tot
verzoening, | |
| |
na zoo vele, vele triestige jaren van stillen wrok en
onverzoenlijkheid - die toch nooit goed had kunnen zijn. Bij haar, oude vrouw,
was de wrok als versmolten, sedert zij gelezen had in het vreemde boek, sedert
zij de stemmen had gehoord in de waaiende nachten, sedert zij de moeder van die
vrouw had gezien, en haar weemoed had aangevoeld. Bij de oude vrouw was een
zachte wensch, tot verzoenen niet alleen, maar tot pogen lief te krijgen die
vrouw - de vrouw van haar zoon, de moeder van haar kleinkind. Maar zij voelde,
dat er van zoo zachten wensch geen spoor was in het hart van haar man, en,
omdat zij alleen kon gehoorzamen, zeide zij niets, en slechts stilzwijgend,
zeide zij hem, dat zij niet dacht, als hij dacht.
Hij hoorde het haar zwijgend zeggen, maar hij gaf niet toe.
En toen zij naar bed gingen, sprak hij:
- Ik zal morgen aan Henri schrijven.
Hij schreef of Henri met Adriaan niet een week te
Driebergen zoû komen, vóór dat Adriaans school
weêr aanving. Van der Welcke voelde in de moeilijke woorden van dien
ouden man, die niet gewoon was te schrijven, dat zijn vader onverzoenlijk was
voor Constance; | |
| |
Constance voelde het en Addy ook. Maar zij zeiden
het elkander niet, en toen Addy zeide, onwillig, beleedigd in zijn moeder:
- U blijft dan zoo alleen achter, antwoordde zij:
- Het is toch beter, mijn jongen, dat je gaat met papa.
Zij dacht, dat het goed zoû zijn, als hij, de kleinzoon, als
hij, de erfgenaam, zijn grootvader niet vertoornde. Zij hechtte aan geld, voor
later, voor haar kind. Maar zij was nog nooit een week geweest zonder haar
zoon.
- Wat kan ik er aan doen, dacht zij. Hij wordt grooter, ouder...
Later zal ik nog meer hem missen...
Ja, hij was grooter geworden, ouder, hij was veertien jaar geworden.
Hij was breed, en zijn stem was zoo vreemd diep soms, sloeg over - maar voor
zijn leeftijd toch nog bleef hij klein. De roze kinderlijkheid van zijn vel
donsde zich met een waas als van blond fluweel, en boven zijn lip teekende
duidelijker die blonde fluweelen streep. Maar nog was hij kind in onschuldige
frischheid, die, niettegenstaande zijn ernst, uit geheel zijn wezen wademde als
een geur.
- Ik ga voor een week met papa naar Driebergen, zeide
hij tot Paul, tot Gerrit, tot | |
| |
Adeline. Ontfermt u zich wat over
mama die dagen, oom, tante?
Zij beloofden het hem, glimlachend. Constance hield zich kalm,
rustig. Na haar stemmingen van zacht geluk, was er nu, na den twist met Jaap
over den bijnaam, na wat uit dien twist verder gevolgd was - een
neêrslachtigheid in haar, die zij niet uitte, die stil wroette in haar.
Zij sprak er niet over, niet met Addy, niet met Paul, niet met Gerrit. Zij
besloot de neerslachtigheid diep in zich.
Vader en zoon gingen, en de grootouders vonden groot geworden den
kleinen jongen. De grootmoeder dacht, dat die kindertjes, van die villa daar
vlak bij, toch wat kinderachtig zouden zijn, als kameraadjes voor Adriaan. Zij
zeide het als een teleurstelling, maar ook als een verwondering, en een
bewondering, en hoewel Henri zei, dat Addy heel leuk spelen kon met het blonde
troepje van zijn zwager Gerrit - al was het dan ook nog al vaderlijk - zond de
oude vrouw toch maar geen boodschap naar de naburige villa.
Het was mooi in Driebergen en Zeist en Van der Welcke genoot er te
zijn en daar zij hunne fietsen hadden meêgenomen, maakten zij groote
tochten...
| |
| |
Alleen met zijn vader, sprak Van der Welcke zich meer en meer uit.
Hij sprak over vroeger, nederig, als vroeg hij vergeving nog eens, aan dien
strengen vader, hem, zoon, bijna bovenmenschelijk van zuivere deugd, van
blaamloozen levenswandel. Hij sprak over Rome, hij sprak zelfs over De
Staffelaer, die nog leefde op zijn buiten bij Haarlem - een man
zoo oud als zijn vader -; hij sprak over de laatste triestige jaren te
Brussel, over hun beider verlangen naar Hollandsche lucht en
Hollandsche menschen, naar hunne wederzijdsche familie vooral. Maar hij zeide
ook, dat, hoe blijde hij was weêr te zien zijne ouders, hij meende, dat
voor Constance dat terugzien der familie dikwijls eene teleurstelling was. Al
pratende voelde hij zich als de jongen, de student, de jonge man van vroeger,
die ook veel met zijn vader gesproken had, met zijn vader alleen - zooals Addy
nu sprak met hèm. Hij sprak van zijn kind en bekende, dat hij het
verafgoodde, dat zij het verafgoodden beiden. De oude man, rustig rookende zijn
pijp, luisterde toe, nieuw belang stellend in die jongere levens, de levens van
zijn zoon en kleinzoon. Hij voelde, de oude man, of hij iets terugvond van zijn
zoon, maar hij voelde hem ook heel ver van | |
| |
zich staan, zonder
liefde - en vreeze Gods.
Van der Welcke sprak door... En als van zelve, in deze biecht en
bekentenis van zijn leven en zijne gedachten en gevoelens, vertelde hij, dat
Addy getwist en gevochten had met zijn neef, van de praatjes in hun kring, en
van het verdriet, dat zijn kind geleden had. Van zelve vertelde hij toen de
weifeling, den strijd, de radeloosheid van Constance en van hemzelven, die hun
kind zagen vertreuren in dat verdriet. En als geleidelijkweg, van zelve,
bekende Van der Welcke eenvoudig, dat hij met zijn zoon gesproken had als met
een man en zijn zoon de waarheid gezegd had, omtrent het verleden zijner beide
ouders - opdat hij sterk kon staan, vooral, tegenover den laster der nijdige
menschen.
De oude man, rookende rustig, had rustig aangehoord, maar blij te
luisteren naar de vertellende stem van zijn zoon. Wat zijn zoon hem eerst had
verteld, was hem vreemd: gedachte, gevoelen, ervaring uit een leven heel
vreemd, en geheel van het zijne verschillend. Maar wat nu zijn zoon hem
vertelde, deed hem weifelen of hij goed had gehoord.
- Wat zeg je, zeide hij, meenende, dat hij hardhoorig was.
| |
| |
Van der Welcke herhaalde.
- Je hebt... verteld aan Adriaan... je verleden... van Rome en van
De Staffelaer...
- Ik heb, zonder in onnoodige détails te vervallen, en met
eerbied voor zijn jeugd, hem de waarheid, de geheele waarheid gezegd, ja. Hij
had verdriet, het kind, had leed, omdat hij niet wist, en sedert lijdt hij niet
meer...
De oude man schudde het hoofd, legde neêr zijn pijp.
- Ik begrijp je niet, zeide hij. Of ik hoor je verkeerd. Je hebt...
aan Adriaan... verteld...
Van der Welcke herhaalde, zacht glimlachende, ziende zijn vaders
verbazing.
De oude man begreep, dat hij zuiver gehoord had. Maar hij was zoo
geschokt, dat hij niet spreken kon.
Eerst den volgenden dag, vroeg hij:
- Hoe heb je dat aan Adriaan kunnen zeggen?
- Eenvoudigweg, zei Van der Welcke.
- Eenvoudigweg... herhaalde de oude man.
En dien avond eerst, terugkomende op wat hem in een nooit gevoelde
verbazing bezig hield uur aan uur, in die gesprekken met zijn zoon, vond hij
meerdere woorden, zeide hij:
| |
| |
- Neen, ik begrijp dat niet... Ik begrijp je niet, Henri. Ik voel,
dat er wel tusschen ons heen een heel, heel diepe kloof is. Ik voel wel, dat er
in je noch liefde-, noch vreeze Gods is. Dat geheel en al in je leven, met je
vrouw, met je kind, ontbreekt een godsdienstige richting. Het maakt me diep
bedroefd. Zóo had ik het me niet gedacht. Ik had nog wel gedacht, dat je
iederen dag God vergeving zoû vragen voor wat je eens hebt misdaan, aan
jezelven, aan je ouders, aan die vrouw, aan haar man, aan de wereld, aan God.
Zoo verstokt, zoo totaal berouwloos, zoo alleen betreurende je eigen geknakte
leven en geknakte carrière, had ik je... Henri... niet gedacht. Ik kan
alleen voor je bidden, en ik zàl voor je bidden, iederen dag... Maar
ongeloof begrijp ik nog... Wat ik echter niet begrijp is, dat je... je zoon,
een kind van veertien jaren, de ziel - eenvoudigweg - bederft door hem te
vertellen je misdaad - eenvoudigweg - om hem niet langer te laten lijden... Zoo
zijn je woorden, niet waar? Nu, als ik die woorden herhaal in mijzelven, en nog
eens herhaal, en ze bedenk en bepeins... dan... begrijp ik ze niet. Dan begrijp
ik je niet. Dan voel ik, dat je wel heel ver verwij- | |
| |
derd moet
zijn van elk moreel gevoel, van elk besef van verplichting tegenover je kind,
van alle vreeze Gods - om zoo te hebben kunnen doen, zoo te hebben kunnen
spreken met je zoon - om hem niet langer te laten lijden, eenvoudigweg, - en ik
vraag mij af: droom ik... waar ben ik... met wien spreek ik... Heb ik tegenover
me mijn zoon, mijn kind, opgevoed door mij, en is, wat hij mij zegt, de
waarheid, of een zinsbegoocheling... En als dan die zinsbegoocheling waarheid
is, Henri, als je zoo ver afgedwaald ben van elk besef van moraal en vaderlijke
verplichting - dan betreur ik dat diep, heel diep, dan staar ik daar in als in
een afgrond, een afschuwelijkheid, en dan beken ik, dat ik je niet begrijp - en
niets begrijp van deze wereld, dezen tijd, deze menschen, waarin en
waarmeê wij
NU
leven...
Langzaam, woord voor woord, had de oude man gesproken.
- Vader, zei Henri. Wij verschillen veel van elkaâr, en ik
begrijp het: u, in uw groote goedheid en uw zuiver plichtsbesef van ouden man,
kan niet begrijpen, hoe ik voel en denk en doe. Toch heb ik Addy niet in zijn
jeugd bezoedeld, geloof ik, en ik ben overtuigd, dat | |
| |
alleen een
goede gedachte Constance en mij heeft ingegeven aan ons kind ons verleden nu al
te zeggen en niet te wachten tot hij een paar jaar ouder is... Zeg mij, of u
vindt, dat hij er uitziet als een kind, wiens verbeelding bezoedeld is. Zeg
mij, of niet, integendeel, u gelooft, dat hij een jongen is met een krachtigen
geest, die alleen leed, omdat hij niet wist de waarheid, toen hij bespeurde den
laster van de menschen - en nu, in de waarheid, sterk is, en zijn beide ouders
lief heeft met zijn klare, open ziel, die niet weifelt meer, maar weet.
Langzaam schudde de oude man het hoofd met den hoogen, ivorigen
schedel, en de knokelige, groote handen beefden.
- Henri, dank God, als je kind, wiens zuiverheid je op zoo zware
proef hebt gesteld, die proef kuisch en zuiver te boven komt...
Van der Welcke zweeg, uit eerbied. Hij voelde zich zoo ver van dien
vader, dien hij toch liefhad, verwijderd, dat het hem angstig werd om het hart,
en hij dacht:
- Zal ooit... zal óoit... Addy... ook zoo ver... van
MIJ
komen te staan...
|
|