Punt- en kleine mengeldichten(1837)–S.M. Coninckx– Auteursrechtvrij Vorige Volgende CCCLXXIV. Al te véel is zelden goed. Eer Simon tot dien overvloed Van land en renten was gekomen, Wist hy zyn driften in te toomen: Nu denkt hy niet op 't géen by doet. Doof aen Gods wet en aen de réden, Stort hy verblind zich in een vloed [pagina 118] [p. 118] Van lasters en baldadighéden. Al te véel is nimmer goed. Vorige Volgende