Van God en van de natuur(1921)–A. van Collem– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 52] [p. 52] XXXI De atmosfeer is God, hij is het Al, Hij is het onbegrepene alomme, Hij haast zich niet, want hij is overal, Hij is de eindelooze ruimtekomme. Al het tezaamgestelde is in hem, En wordt in hem vernield en weer geboren, In de oneindigheden van zijn stem - Gaan zon en maan en sterrenheir verloren. God is de atmosfeer, Gij ziet hem niet, Hij is het eeuwig stralend wonderbare, Dat op en om en in de dingen vliet, Het onzichtbare is hij en zichtbare. Alles is zijns, hij is een wolkenspel En 't lachen van de kinderlijke golven, Hij is de wind, het schuim, de bliksem fel, De nacht ligt in zijn ademtocht bedolven. Hij is een avond, als de blauwe haag Van den gebogen hemel loopt vol vegen, Dan stuurt hij schemeringen naar omlaag En duisternisse ligt op veld en wegen. Hij is een vlam, wanneer uit hem optrekt Het vonkend wijde lichaam van de zonne, [pagina 53] [p. 53] Hij is een veld, wanneer hij heeft gewekt De bloemen, die zijn adem had gesponnen. Terwijl hij nevelt wordt hij weder licht, Nooit rust hij uit of valt in zich te zamen, Hij wiegt zich tot een trillend evenwicht En legt de kleuren weg, die uit hem kwamen. Lichaam en geest is hij, hij is heelal Waarin de vormen drijven en uitkomen, Hij is de som, het eindeloos getal Van zoekende en dansende atomen, Hij is hun eeuwig ruim, hun atmosfeer, Hij jaagt ze op bij hun omhelzingen Waaruit geboren wordt de wolkenveer, De mensch, het dier, de zon, de manekringen. De boom staat in hem uit, hij is het ruim, Waarin de vogels aan hun vleugels drijven, Hij is het zachtgewelde gele schuim, Waarmee de wolken hun gestalten schrijven. Hij is d'alomme lucht, hij is de stof, Die elke vorm aanneemt van Uw verbeelden, Hij staat goudstralende of zilverdof, Al naar de kleuren zijn, die gij penceelde. Hij is de altijd willooze, die Gij Kunt naar het willen Uwer hand formeeren, [pagina 54] [p. 54] Want zijne vorming en boetseerderij Geschiedt uit vormen die in U verkeeren. God is de atmosfeer en anders niet, Hij geeft zich eindeloos aan Uwe vragen, Hij is een willige waar gij gebiedt, Wanneer gij hem omvat, zal hij U dragen. Hij is zooals gij hem met oogen ziet, Hij fluistert na de woorden Uwer droomen, Iets anders dan gij zelf zijt is hij niet, Hij is uit uw verbeelding voortgekomen. Vorige Volgende