Van God en van de natuur(1921)–A. van Collem– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 50] [p. 50] XXX Nu nemen wij het Kruis van Jezus af En van den mensch d' aloude vloek en zonde, Er is geen kruis meer en daar is geen straf, Wij hebben 's levens heerlijkheid gevonden. Ons paradijs gaat open, wereldwijd Ligt het te nooden tot een fijn betreden. Wij lagen afgewenden, en verspreid Waren wij redeloosheid ingegleden. Daar wachtte ons de priester - met het licht, Zoo sprak hij, - van de hemelsche genade, Wij redeloozen zouden worden opgericht Door boetedoening naar de verre-paden, Die Hij, de priester, wees met handen aan, Zijn zoete stemme zou ons begeleiden, Wij leefden den gebenedijden waan, In God te aadmen en in Christus beide. Nu zijn wij opgestegen zonder U, O Priester, naar de hemelsche vertrekken, Waarin geen God woont, luisterend naar luw Gezang, dat engelen voor hem verwekken. Daar is geen God, en slechts de zang gaat om, Dien wij aan aarde, ster en zon verleenen, [pagina 51] [p. 51] Stierven wij uit, een stilte lag alom, Godheid en Engel waren in 't al verdwenen. Waren wij menschen niet, er was geen God, Want zijn gelaat is maaksel onzer handen, En wat van hem aan klank door d' eeuwen vlot, Vloog uit het snaartuig, dat de menschen spanden. Vorige Volgende