's ochtends wekken, omdat ik 's nachts nog weggeweest was, voor een bevalling, een spoedoperatie, een sterfgeval.
En dan zat de wachtkamer 's ochtends om half acht al vol met fondspatiënten. Om acht uur begon het. Onderzoeken, doorverwijzen naar specialisten, recepten schrijven... De ochtendvisites. Het middagspreekuur, als de rijke dames kwamen, die zich verveelden, en die zich vermaakten met hun pijntjes en hun kwalen... Ach, maar ik verveel u.’
‘Het moet een grote overgang geweest zijn voor u naar dit bestaan hier,’ zei ik.
Goffroy boog zich voorover op de rechte keukenstoel, zijn hoofd kwam vlak bij het mijne. ‘Ik zal u iets zeggen. Het is hier de hel. Gelooft u niet in de hel? Hier is hij. Als ik weg kon, dan ging ik meteen, maar het is onmogelijk.
Ach, ik word een oude man, die zich beklaagt over vroeger, toen alles beter was.’
Er viel een pijnlijke stilte.
Plotseling mengde Daphne, die tot nu toe had gezwegen, zich in het gesprek.
‘Uit Parijs moest hij weg voor een abortusschandaal. En later uit Marseille voor een morfineschandaal, dat moet u er wel bij weten,’ zei ze met zachte stem. ‘Hier is hij meer veearts dan arts, hoewel hij daar niet voor bevoegd is. Hij opereert varkens en ezels, en verlost schapen, nietwaar Georges.’
Goffroy was bleek geworden. ‘Je praat wartaal, Daphne,’ zei hij. ‘Je bent moe geworden. Ga naar je kamer. Ik zal zo bijje komen,’ eindigde hij dreigend.
Daphne stond op. ‘U moet ook weten dat hij mij slaat,’ zei ze, ‘als hij boos is, zoals nu, omdat ik iets heb gezegd wat hij niet wil horen, wat hij is vergeten.’
Goffroy was ook opgestaan. ‘Ga naar je kamer, Daphne!’ schreeuwde hij.
‘Kom Georges, beheers je nog even,’ zei ze, met een ironische blik naar mij.
Goffroy liep op haar toe en begon haar de kamer uit te duwen.