‘Probeert u eens een gedicht van u zelf dat u mooi vindt voor mij in het Frans te vertalen?’
‘Nu?’
‘Ja nu. Laat eens wat horen.’
Mamy schoof haar stoel dichterbij en keek mij vol verwachting aan.
‘Ik vind ze allemaal slecht, nu,’ zei ik.
‘Kom, u moet niet verlegen zijn.’
Hakkelend begon ik: ‘Les vergers du printemps/m'inondent avec leur effusion de sang/vert... Nee, het gaat niet. De klanken zijn niet mooi, in het Frans, en het rijmt te veel. Ik weet de goede vertaalwoorden niet.’
‘Het hindert niets,’ zei Mamy, beminnelijk lachend. ‘Probeert u het nog eens met een ander gedicht dat misschien gemakkelijker vertaalt.’
‘Tandis que tu t'inclinais au dessus... Nee, het gaat echt niet. Het spijt me.’
‘Laten we nog even naar buiten gaan,’ zei Mamy. ‘Het is nu koeler.’
Ze legde een hand op mijn schouder en ik liet mij naar de deur voeren.
‘Wat voor werk deed u vroeger?’ vroeg Mamy, toen we weer buiten zaten.
Zoals alle mensen die buiten het karrepad hebben gereden: zwervers, concentratiekampgevangenen, ontdekkers en uitvinders, zij die levenslang hebben gehad en gratie kregen, pedofielen en inbrekers, stichters van nieuwe religies, refugiés, emigranten, circusartiesten, mystici, verslaafden, guerilla's, contraspionnen, geniale wiskundigen, heiligen, psychotici, gouddelvers in Alaska, kon ik nooit iets aan anderen uitleggen van wat er vroeger was gebeurd.
Een beschrijving van onze geheime academie: plaats, lesrooster, selectie van leerlingen, positie van oudleerlingen, zou Mamy de indruk geven dat het om een goede eliteschool ging, in de