Wat wil men u doen vieren?
(1872)–J.A. Alberdingk Thijm–
[pagina 12]
| |
Toegift.‘Een der radikaalste en meest verspreide organen der periodieke pers ten onzent geeft zich in den laatsten tijd veel moeite om aan zijne lezers te beduiden hoe konsequent de Katholieken handelen met zich te onthouden van alle deelname aan het in aantogt zijnde April-feest en om hunne onthouding te kenschetsen als getuigende van allezins verklaarbare en moedige getrouwheid aan hunne geloofsovertuiging zoowel als aan hunne onwankelbare rechtsbegrippen. Dat die rechtvaardiging van der Katholieken houding vergezeld gaat van de gewone beschimpingen en verguizingen, die tegenwoordig bij zekere pers aan de orde van den dag zijn, spreekt van zelf. Niettemin achten wij ons tot dank jegens den Nederlandschen Spectator verplicht, daar hij zich niet ontziet de dingen bij hun naam te noemen en te vorderen dat aan het aanstaande herinneringsfeest zijn eigenaardig karakter gelaten worde. Daar zijn er, wien het daartoe aan de noodige flinkheid schijnt te ontbreken. Het April-feest zal, volgens hen, zijn “een nationaal feest ter herinnering aan de laatste drie-honderd jaren;” wat dan anderen weêr tot de erkenning noopt, dat “bij dit nationaal feest alle gezindten van het land zich kunnen aansluiten en wel niemand bezwaar zal hebben om dankbaar te gedenken den zegen, dien Nederland gedurende drie-honderd jaren genoten heeft.” Dat men met aan dit feest die kleur te willen geven door de beste bedoelingen geleid wordt, lijdt geen twijfel. Men doet daarmeê echter aan de waarheid geweld. En daarenboven verraadt het al zeer weinig menschenkennis, te gelooven dat het volk zal willen instemmen met die onjuiste voorstelling van de beteekenis van het veel besproken feest. Voor den eenen is het de herinnering aan den glorierijken zegepraal van Lumey en zijne watergeuzen, straks gevolgd door nog andere zegepralen, die den opstand tegen het toenmalig gezag bezegelden en aan de Hervorming gedurende meerdere eeuwen de overheersching verzekerden in dit land; voor den anderen is het onafscheidelijk verbonden met de herinnering aan priestermoord, aan vervolging der Katholieken en aan de rampzaligste opheffing van hunne eeredienst. Dat is voor elk en een iegelijk de eenig ware opvatting van het April feest, waaraan niets te veranderen valt. Elke andere voorstelling is in strijd zoowel met de geschiedenis als met het volksgevoel. Wat de een zich ten zege achtte, was het begin der verdrukking voor den anderen; eene verdrukking, die meer dan twee eeuwen voortge- | |
[pagina 13]
| |
duurd heeft en waaraan eerst door de Bataafsche Republiek in 1798 een einde is gemaakt. Onoprecht en lafhartig zou het dan ook van de Katholieken zijn, zoo redeneert de Nederlandsche Spectator, indien zij medejuichten bij het aanstaande feest. “Op nieuw, dus schrijft hij, is een storm van verontwaardiging tegen onze ultramontanen losgebarsten, sinds zij..... hun protest hebben bekend gemaakt tegen het feestelijk herdenken van de inneming van den Briel. Die toorn geeft reden tot verbazing. 't Heeft den schijn alsof men inderdaad verwacht had, dat genoemde Heeren zich met geestdrift bij de feestviering zouden aangesloten, of, wilden zij dit niet, voor 't minst er over gezwegen zouden hebben...... De onderstelling heeft bijkans iets beleedigends; en in elk geval, getuigt zij van een verbazende naïveteit...... Eene instemming, zij 't ook stilzwijgende, met het Brielsche feest ware hunnerzijds eene daad van lafhartigheid geweest...... En zoo zij nu toch inderdaad eens hadden meê willen doen aan het feest, en hunne bijdragen er voor ingezonden, dan ware er toch alle reden geweest om te zeggen: “Timeo Danaos et dona ferentes.” Niemand zou aan de oprechtheid der handeling een oogenblik geloof hebben gehecht.” Waarom? omdat men toch wel nooit van hen zou kunnen vergen “dat zij sympathie hadden voor een gewelddadig en tot het uiterste gedreven, daarenboven met schitterenden uitslag bekroond verzet tegin..... alles wat hun het heiligst en dierbaarst is! Tegen het vorstelijk en geestelijk gezag, tegen de heilige Kerk en haar leer!” Punctum, satis. Dat is trouwens ronde en eerlijke taal. En die nu nog omtrent de beteekenis van het April-feest zich zou kunnen vergissen, die moet wel ziende blind en hoorende doof zijn. Bij dat feest “vreugdebetoon aan den dag te leggen, zou alleen te verklaren zijn uit onze onkunde, uit onze onverschilligheid voor het tot onzer voorvaderen, of uit onze lafheid,” schreef de Heer Alberdingk Thijm met volle regt.’ | |
Om den eersten April Verloor menig de brilvan zijn scherp verstand namelijk. De Heer Jonkh. Mr J. de Bosch Kemper heeft ter aanbeveling eener algemeene viering van den 1n April, den gedenkdag der inneming van den Briel door de Watergeuzen, in het licht gesteldGa naar voetnoot1), dat er priesters gevangen genomen werden, maar dat de Prins al spoedig uit Dillenburg herwaarts kwam, om bevel te geven ‘dat de gevangen priesters zouden worden ontslagen’; de Prins gaf ook bevel, zegt de Heer D.B. Kemper, ‘dat aan elk vrijheid van godsdienst zou gegeven worden; maar de Prins was niet machtig genoeg zijne gematigde staatkunde te doen eerbiedigen’: vooral niet toen de ‘St. Bartholomeusnacht’ gekomen was, benevens het, ‘flit, dat vele Roomsche geestelijken door geschriften en gesprekken het volk tegen den Prins en de Staten zochten op te zetten.’ ‘Bij de misdaden door sommigen gepleegd, koesterde men argwaan tegen de Roomschen in het algemeen.’ ‘Daarbij vergete men niet, dat volkomen gelijkheid van godsdienst (lees: gelijkstelling der burgers voor de wet, ondanks verschil van godsdienst) in de xvie eeuw en | |
[pagina 14]
| |
later te veel streed met de begrippen die toen algemeen waren.’ Nu zoû men denken, dat op al deze gronden de Heer D.B. Kemper. zoû konkludeeren: dat zeker dus de herinnering van een tijd, waarin zij, met of zonder hunne schuld, bij de andere burgers werden achtergesteld, waarin al hunne priesters (indien zij zich priesters betoond en de Sakramenten bediend hadden) met bannissement en geeseling bedreigd werden, voor de Katholieken zeer onaangenaam moest zijn: dat op dien grond de Nederd. Hervormden, de eenigen die hunne vrijheid aan de omwenteling der XVIe Eeuw te danken hadden, zich zouden kunnen onthouden van in 1872 en volgende jaren feest te vieren: te meer daar openbare vermakelijkheden en gedenkdagen in 't algemeen niet zeer in de smaak der Dordtsche Vaders vielen. Maar neen! dat zoû wat kras wezen. Wat vraagt de Heer Kemper dan? - Dat de dissenters de feestviering der Nederl. Hervormden rustig aanzien? Dat zoû redelijk en gematigd zijn: maar daartoe kan de Heer D.B.K. zich niet beperken. Neen: hij vergt, dat de afstammelingen der dissenters, met name de Katholieken meê feestvieren! - Het eenige, dat hij toegeeft (en zulk eene grootmoedigheid teekent een heel charakter) is, den wensch te onderschrijven, dat de feestvierders ‘rustig en kalm mogen verdragen, dat een deel des volks het nationale feest van het 300-jarig volksbestaan (eufemisme voor: den gedenkdag der tooneelen van Den Briel en Gorkum) niet medeviert’. Ah, qu'il est bon, ce moshieu Nicolas, ah, qu'il est bon, ce mos'hhieu Nicolas! M.
‘On nous écrit de la Hollande: comme s'il n'y avait pas chez nous encore assez de motifs de désunion, les radicaux en ont fait naître dernièrement un nouveau d'un caractère assez grave pour que la Correspondance de Genève ne le passe pas sous silence. Ils se sont rappelé qu'il y aura trois siècles, au premier Avril prochain, que les gueux de mer, conduits par le féroce LumeyGa naar voetnoot1, ont pris la ville de Brielle et que de ce fait d'armes date la conquête de l'indépendance nationale et la proclamation de la prétendue liberté religieuse; ils ont décrété que toute la nation célébrera solennellement l'anniversaire de la mémorable prise de Brielle. Déjà les journaux y préparent “l'opinion publique” et partout se forment des comités dont l'objet est de généraliser la célébration de la fête commémorative. On n' ignore pas cependant que cette fête rappelle aux Catholiques les souvenirs les plus douloureux. La prise de Brielle, c'est pour eux la mort des martyrs de Gorcum, c'est la profanation et, bientôt après, la spoliation de leurs églises, c'est la confiscation de leurs biens ecclésiastiques et du patrimoine de leurs pauvres; c'est l'expulsion de leurs prêtres, et l'assassinat d'un grand nombre de ministres de l'autel et de fidèles; c'est leur arrêt de mort politique et civile, c'est, en un mot, la persécution la plus impitoyable, qui, après avoir sévi pendant deux siècles, ne leur accordait, pour toute grâce, que la tolérance sur le sol de leurs pères. Comprendrait-on que les Catholiques pussent en avoir perdu la mémoire et prendre part à des | |
[pagina 15]
| |
fêtes, dont ils doivent abhorrer et exécrer les motifs? Aussi s'en abstiendront ils soigneusement. Déjâ leurs organes se sont prononcé nettement à cet égard et pas un seul Catholique, digne de ce nom, ne consentirait à entrer dans un comité. Mais de là chez les radicaux redoublement de rage: les accès s'en font voir dans leurs journaux. Si les Catholiques s'abstiennent de participation aux fêtes décrétées, c'est qu'ils sont de mauvais patriotes, c'est qu'ils ne tiennent pas à l'indépendance nationale, c'est qu'ils ne connaissent pas l'amour de la patrie, c'est qu'ils n'ont qu'une seule patrie, la Rome des Papes: que ne méritent pas ces coeurs dénaturés! Voilà le langage des généreux apôtres de “la liberté religieuse” à la Lumey et voilà le prétexte tout trouvé pour une nouvelle série d'odieuses démonstrations et d'hostililés, qu'il n'est pas permis d'envisager avec indifférenee et contre les conséquences desquelles il convient de se prémunir en songeant à temps à s'organiser fortement et à resserrer nos rangs.’ (Correspondance de Genève, du 6 Janvier 1872, No 3.)
In den Tijd van 15 Februari leest men: Brussel, 14 Febr. (Part. telegr.) De orde der vrijmetselaars heeft aan een komitee, onder voorzitting van den grootmeester Mettepenningen, opgedragen, de hollandsche broeders te ondersteunen bij de organizatie van het April-feest. |
|