Wat wil men u doen vieren?
(1872)–J.A. Alberdingk Thijm–
[pagina 3]
| |
[Wat wil men u doen vieren op 1 april?]Niet om iemant het volbrengen van eenig besluit, welks vaststelling hem al moeite genoeg gekost kan hebben, minder aangenaam te maken, maar alleen ter verheldering van het bewustzijn, waarmeê men doen gaat wat men zijn plicht rekent, vat ik nog eenmaal de pen op. De Voorzienigheid heeft gewild, dat ik, nu bijna dertig jaar, in de nederlandsche pers een plaats zoû bekleeden, van waar, niet zonder vrucht, aan de leiding en opleiding eener vrij groote afdeeling van het volk van Nederland, kon worden meêgewerkt. Van der jeugd af in een kring levend, waar zelfstandige nasporing en nastreving van hetgeen men voor goed hield hooger gold dan blinde onderwerping aan heerschend gezach, is mij daar de volle erkenning der katholieke waarheid steeds het hoogste levensgeluk geweest: niet slechts door ‘errefleer’, maar ook door onophoudelijke toetsing en dagelijksche ervaring. Het beginsel der godsdienstwaarheid, waar ik voor geleefd heb en waarin ik, als het opperste goed dat mij ten deel kan vallen, wensch te sterven, is voor mij tevens de lichtfakkel, die ieder wetenschappelijk gebied bestraalt, waarop ik den voet zet. Mij dunkt, dat een mensch nog iets anders is dan een tooneelspeler; en ik acht het geen gebrek, dat, in welke hoedanigheid en kleedij de omstandigheden ons doen optre- | |
[pagina 4]
| |
den, de gestalte, de gewoonten, het charakter van onzen persoon steeds herkenbaar blijven. Wel laat de betrekking, die wij op een gegeven oogenblik bekleeden, soms eene handelwijze toe, die, in andere betrekking, ongepast zoû wezen; maar men behoort toch zoowel onder het glacee, waarmeê men den pols der vrouw omvat, die men uit een rijtuig helpt, als onder het gekussend zeemleêr, waarmeê men den fleuret hanteert, en door het bont van den reishandschoen heen, de zelfde mannenhand te-rug te vinden, die ginds het tafelmes, die hier de schrijfpen in beweging brengt. In vroeger tijd had men er geen denkbeeld van, dat iemant als staatkundige meende te kunnen goedkeuren, wat hij als zoon der Kerk verwierp. Intriganten, op groote schaal, die tot de hoogere klassen der maatschappij behoorden, lieten zich wel somtijds onder de Katholieken rekenen, al was hun openbaar leven een weefsel van leugen en onrecht; maar deze personen gaven er zich niet voor uit werkelijk op katholiek gebied te staan. Zij namen het niet naauw met de rechten der waarheid, en wilden eenvoudig (hoe ook!) hun doel bereiken. In onze dagen doet zich een ander verschijnsel voor. Men is katholiek, oprecht, goed, vroom katholiek in zijn hart, in zijn huis en in de kerk; maar men is ik weet niet wat in de wetenschap, in de politiek, in het maatschappelijk leven. Ik heb tijd noch lust hier de Geschiedenis der Nederl. Beroerten van mijn vriend Dr Nuyens en het XVIIe-eeuwsche boekjen van Pater van Teylingen te excerpeeren, om aan te toonen, dat men in Nederland van het begin der beroerten af tot den Munsterschen Vrede toe, in het wezen der zaak, een godsdienstoorlog gevoerd heeft: maar ik moet zeggen: dat de beeldstormers van 1566 en de watergeuzen van 1572 mij minder ergeren dan de gematigde liberalen, die ons verzekeren, dat wij met een heel gerust geweten kunnen roepen: ‘Vivent les gueux!’ Ik moet zeggen, dat de amsterdamsche Katholie- | |
[pagina 5]
| |
ken van het jaar des Heeren 1872, die, zoo als de Heer van Limburg Brouwer sommige anderen schildertGa naar voetnoot1), meenen dat ‘voor deze bijzondere gelegenheid wel een weinigje logica en gezond verstand kunnen opgeofferd worden’, zeer ongunstig afsteken bij hunne voorzaten, de kooplieden van de tweede helft der XVIe Eeuw, die, ondanks den drukkenden en vooral dreigenden 10n penning, van 1572 tot 1578 hebben volgehouden, dat het nog beter is verdrukt te worden door het despotisme van een Vorst, wien men het regeeren onmogelijk gemaakt had, dan door de revolutie, die geen enkelen wezenlijken waarborg van vrijheid aanbood. In hoe verre trouwens het den regeeringsformen van de XVIIe en XVIIIe Eeuw - zelfs in eene republiek als die der Vereenigde Provinciën - met de zaak der vrijheid en gelijkheid ooit ernst geweest is, blijkt wel uit de omwenteling van 1795, en de konstitutiën, die er uit voort zijn gekomen. Deze revolutie zullen de genen welke heden blijven beweeren, dat de grondslag onzer vrijheid en zelfstandigheid in 1572 gelegd is, toch wel dienen aan te nemen of af te wijzen. Wijzen zij haar af - dan kunnen de minderheden in ons vaderland zich voor gewaarschuwd houden; nemen zij haar aan: dan zullen ze, even als zeker staatsman in die dagen, een patriotsche kokarde aan hun hoed en een oranjestrik op hun borst te hechten hebben: beiden met de beteekenis, die ze niet nu hebben, maar die ze hadden in 1795. Het is betreurenswaardig - dat men, door verder te gaan dan waartoe onze staatsgeschiedenis der laatste 60 jaar aanleiding geeft, oude twisten en verdeeldheden weêr in het leven roept! Wij waren zoo gelukkig - spijt al wat ons onderscheidde - in onze nederlandsche, konstitutioneel-koninklijke eenheid. Waarom zoekt men tégen ons te exploiteeren, wat wij aan trouwe liefde voor het Koningshuis in ons hart | |
[pagina 6]
| |
dragen: wat wij het Koningshuis toedragen - niet óm 1572, maar des ondanks? Wat verstaat men toch door de ‘staatkundige vrijheid’, die de coup de main van Lumey en de zijnen ons zoû verworven hebben? Waren de Nederlanden in de XVIe Eeuw een provincie van een vreemd rijk? Waren de Stadhouders, die hier in 's Vorsten naam bevel voerden, Spanjaarden? Hebben Karel de Ve en Philips II ieder, op zekeren dag, tot zich-zelven gezegd: ‘Laat ons nu de Nederlanden een weinig gaan verdrukken!’ Onkunde en opgewondenheid razen nu al vele jaren tegen de bedaarde navorschers onzer XVIe-eeuwsche geschiedenis, en leggen hun het opzet ten laste den roem en de helden van het gezamendlijke vaderland te ‘verguizen’; onkunde en opgewondenheid maken desgelijks veelvoudig gebruik van het woord ‘spaansch juk’, zonder eigenlijk te weten, wat men er door te verstaan heeft. Dat ‘spaansche juk’ is in 50.000 nederlandsche schoolboekjens gestereotypeerd, en het volwassen publiek neemt er voortdurend genoegen meê. Maar zoû men waarlijk denken, indien de Kerkhervorming honderd jaar later ware ingetreden, dat dan de Vorsten, die zich aan hun eed tot handhaving der bestaande religie gebonden hebben gerekend, een spaansch leger naar Nederland zouden afgezonden hebben, niet om de vernieling van kerken en den doodslag van priesters te keer te gaan, maar om den baas te spelen, om vreedzame burgers met de spaansche pokken te begiftigen, en om den 10n penning uit hunne beurzen te persen? Staatkundige vrijheid? Zelfstandig volksbestaan? Is het tijdperk van Leycester de verwerkelijking daarvan geweest? Heeft Oldenbarnevelt ons die voorrechten willen verzekeren - ja of neen? Zoo ja - waarom heeft men hem dan onthoofd, en waarom richt men hem geen standbeeld op? Zoo neen - waarom zet gij hem dan niet aan de kaak - als | |
[pagina 7]
| |
een verrader en als een leugenaar? - Gij zijt der nagedachtenis van Prins Maurits die vergoeding wel schuldig. Weest toch oprecht, mijne Heeren! Was de staatkundige vrijheid in de XVIIIe Eeuw zoo veel achteruitgegaan? - Zoo ja, dan schijnt ze toch niet heel vast in den grond te hebben gezeten, ofschoon ze al 200 jaar wortel had geschoten: anders hadt ge immers de revolutie van 1795 niet noodig gehad. Maar wie heeft dan die staatkundige vrijheid eigenlijk aan het wankelen gebracht? - Is een nederlandsch volk niet vrij, wanneer het, gelijk Belgiën, door een Prins uit het Huis van Oostenrijk bestuurd wordt; wel vrij, wanneer het een Graaf uit het huis van Nassau tot 1n staatsdienaar en generalissimus heeft? - Ik juich met u, in ons Hollandsch bestuur van de XVIIe en XVIIIe Eeuwen: ik zoû met u mijne hoedanigheid van Noord-Nederlander, tijdens het Bestand, niet met die van onderdaan der Aartshertogen willen ruilen: want al sprak men in Den Haag aan het hof weinig Hollandsch - Frederick Henrick liet zich toch (zegt men) een treurspel van Vondel voorlezen; en de goede Isabella kende niet meer Vlaamsch dan zij noodig had om zich over de gedichten van Zevecotius te ergeren: maar wat heeft dat gemeen met den 1n April? Men heeft mij gezegd, dat het toch goed was een zeemanshuis te stichten. Ik vind het uitmuntend: maar laat men er geen plan voor ontwerpen, bij den rossen gloed van de tweedrachtsfakkel. Dat Den Briel zijn eigenaardig gemeenteleven leidt, wie zal het misduiden? wien zal het hinderen? Dat Den Briel nog eens weêr op feestelijke wijze de stelling wil verkondigen - dat er voor eene stad vreugde en roem in gelegen is, tegen zijn wensch, te worden verrast en gereduceerd: het komt mij alleszins verklaarbaar voor. Maar dat de geheele natie in die geestdrift deelen moet - is wat veel gevergd; en toch zoû | |
[pagina 8]
| |
ik mij liever met de eerzame Briellenaars wat gaan opwinden, dan mij te laten betooveren door de schoone oogen van de Heeren De Bosch Kemper, Jorissen en Hofdijk, die de kleurloosheid ten opschrift aan hun cirkulaire hebben gegeven: maar wier medestander, in deze, zijn moge wie er lust toe heeft!... Oneindig liever zat ik aan met de argeloze Briellenaars. Mijne bestrijders gedragen zich, alsof zij denken, dat ik tegen den 1n April te veld trok, wijl er ‘ongeregeldheden’ hebben plaats gehad! Welk eene taktiek! Neen, Heeren, het is doodeenvoudig - om dat het beginsel, hetwelk den 1n April getriomfeerd heeft, zich met mijne beginselen niet verstaan kan. De ‘staatkundige vrijheid’, waartoe de Watergeuzen den eersten steen zouden gelegd hebben, roerde ik boven reeds aan; en twijfel altijd nog, of zij, die den 1n April hare zon over Nederland wanen opgegaan, eigenlijk wel recht weten, wat zij met het woord bedoelen. Heeft men vrijheid van Vereeniging, vrijheid van het Woord, vrijheid van Drukpers, vrijheid van Godsdienst gekregen? Is bijna 100 jaar na dat die vrijheid verworven was, Spinoza het land niet uitgebannen? Moesten de boeken, die niet naar den zin der Overheid waren, niet met een valsch uitgevers-adres in het licht verschijnen, en snuffelde de kalvinistische inquizitie, zelfs te Amsterdam, niet nog in 1660 met fijne neus de kelders, zolders en binnenkamers op, waar men zich verstoutte de ‘paepsche Misse’ te lezen? Wij hebben een ‘zelfstandig volksbestaan’ verkregen. Ik kan begrijpen, dat mijne gewestgenoten, gedachtig onze macht, onzen rijkdom, onzen invloed, ter XVIIe en XVIIIn Eeuw, op het zelfstandig volksbestaan der Hollanders van de Republiek groot gaan. Maar mag ik vragen, denkt men er in de zuidelijke gewesten van ons Rijk desgelijks over? Vindt men het in Brabant en Limburg zoo vereerend een | |
[pagina 9]
| |
appendix van de Republiek geweest te zijn? Zien de oostelijke provinciën voorbij, dal hunne Ridderschappen juist niet het grootste gewicht in de schaal der XVIIe- en XVIIIe- eeuwsche staatkunde, wetenschap, neering en bedrijf hebben gelegd? en kan Friesland het ons zoo licht vergeven, dat we van zijne eigenaardige nationaliteit en eigen taal niet de minste notitie genomen hebben; maar ons hebben te-vrede-gesteld met, naar het oordeel van Europa, de intelligente krachten in ons Holland te hebben samengedrongen? 1o April heeft den grond gelegd voor de regeering van ons geëerbiedigd Koningshuis. Is de vergissing wel mogelijk? Die dezer dagen deze stelling het luidste verkondigen gelooven zich vol-bloed liberalen; het zijn personen, die stellig beweeren, dat de élite der natie van dit oogenblik in de XVIIe en XVIIIe Eeuwen zeer zeker tot de fierste republikeinen zoûde behoord hebben. Wij weten buitendien, dat er, ondanks het erfelijk, maar zeer geringe deel, dat aan Prins Willem den IVe in de soevereiniteit werd toegekend, toch in de vorige Eeuw nog niet van het bestaan eener Dynastie in Nederland sprake kan wezen. Deze in het leven te roepen, was een voorrecht dat voor de XIXe bewaard bleef; haar in het leven te houden zij den volgenden Eeuwen met warmte aanbevolen! Waar haalt men het van daan, een krijgsvoordeel, dat voor den Prins van Oranje, maar tegen zijn zin, in 1572 behaald werd, den eersten steen te noemen van een Dynastie, die pas 242 jaar later gevestigd is? Dat de groote hoop van vierkante cirkels droomt, van republieken, die zich in een bloeyende dynastie van regeerende Soevereinen verheugen, is niets bizonders; maar dat mannen als Prof. De Bosch Kemper zulken onzin in bescherming nemen, is meer dan ergerlijk. Ik erken, dat Prins Willem de Ie, als Baron van Breda, in Nederland een flinken pied à terre had; maar als men om die reden de Nassausche Graven den titel van Neder- | |
[pagina 10]
| |
landsche Dynasten geven wil, dan moet men niet den hoeksteen van het Stamhuis zoeken in den Briel, maar in Breda-zelf, en dan hebben de stichters der monumenten in de Bredasche hoofdkerk, Jan en Engelbert van Nassau, de oudste brieven. Het is jammer, dat men, in onze kritische tijd, zoo willends en wetends naast de bekende, maar niet altijd even sterk schitterende historie, eene mythologie blijft aanprijzen en ontginnen, wier tempeldienaars ook al, als de oude wichelaars, niet zelden achter de hand lachen, om het goede volk, dat zich, op hun aanstoken, zoo oprecht warm maakt. En waartoe? wat is het noodig? - Zijn we niet alle, met hart en ziel, aan de bestaande orde van zaken gehecht? Zoo er éene partij in het land is, die bij de andere in liefde tot ons Vorstenhuis achterstaat, is het dan de katholieke? - De Heeren weten wel beter. Waarom dus de zaken bedorven, door het brengen van vreemd vuur op het outer? Onze trouw, onze offervaardigheid kan met de beste wedijveren. Dat men dan het spreekwoord gedachtig bleef: Don't spur a willing horse. Eer ik deze bladzijden eindig, en aan de overweging mijner Kerkgenoten overlaat wat zij eigenlijk op 1o April zullen vieren, wensch ik, in andwoord op een mij gedaan verwijt, te betuigen, dat ik, evenmin als ik anderen gemachtigd heb in deze zaak voor mij te spreken, het woord heb gevoerd of genómen, in naam van anderen. Ik heb, op de laatste bladzijde van mijn vluchtschriftjen ‘Een misverstand’ alleen maar willen zeggen, waarom, naar mijne overtuiging, wij, Katholieken, ons heuschlijk moesten verschoonen van deelneming aan de feesten, die men gaat aanrichten. Heeft de Heer Mr F.Th. Westerwoudt (want het is dit verdienstlijk lid van Gedeputeerde Staten der Provincie N.-Holland, dien ik, onwillekeurig, in het harnas gejaagd heb) nooit een hoek gelezen, waarin stond: ‘Nous autres, Français’, of ‘Wir, Deutschen’, of | |
[pagina 11]
| |
meent hij dat de schrijver van zulk een boek dan bepaald van een prokuratie voorzien was, om aldus voor zijne landgenoten het woord op te nemen? Het is een zeer gebruikelijke manier van spreken. Ik zal, voor het overige, de brochure van den Heer Westerwoudt aan hare plaats laten. Er zijn nog al wat zaken in, die beschuldigingen tegen mij schijnen te behelzen: maar ik zoû mij aan smakeloosheid schuldig maken, indien ik ze releveerde, en ik ben het ook met den Heer Westerwoudt eens, dat hem niet veel ‘loftuitingen’ voor de hier door hem geleverde bladzijden behooren ten deel te vallen; men zoû daarmeê aan een achtenswaardig man en werkzaam lid onzer provinciale Regeering geen recht doen. Het is met dezen prozaschrijver een weinig, als met den rechtschapen dichter Chapelain, waarvan Boileau zegt: Il est vrai, s'il m'eût cru, il n'eût point fait de vers. Als wel-gekruide toegift laat ik hierachter volgen, 1o een stukjen, door een vriend onder het lezen van den Ned. Spectator ten papiere gebracht, 2o een woordtjen aan den Voorzitter der Amsterdamsche Kommissie, 3o een behartigenswaardig uittreksel van de Correspondance de Genève, een orgaan, waarvan men zegt, dat het niet bepaald anti-vatikaansch is. Dat de gebeurtenissen de waardeeringen, in de stukjens uitgesproken, vooruit zijn geloopen, is aan de schrijvers niet te wijten. Zij zijn kenmerkend voor het oogenblik, waarin zij geschreven werden. 15 Feb. |
|