Yang. Jaargang 10(1974)– [tijdschrift] Yang– Auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 112] [p. 112] Zoeken mijn vriend die ik niet ken en ik nemen een taksi ergens heen mijn vriend kan niet betalen ik word die vriend ik kan dus niet betalen de taksichauffeur wordt kwaad hij zit achter me aan huis in huis uit van de ene flat langs een achtervensterbalkonnetje naar een andere flat overklauterend de taksichauffeur volgt me maar steeds elke keer wanneer hij me eindelijk heeft kunnen vastgrijpen laat hij me weer los ten slotte maken we er beiden een spelletje van en we lachen er mee Mijn hoofd is plastisch in mijn hersenen. Kvoel me voor een spiegelpaleis staan. Mijn kaken krijgen allerlei fluuberig bollige, bewe- gende, uitwassen. Langs twee tegenovergestelde zijden valt de hoofdpijn aan, deukt mijn slapen in, laat ze tot hun normale dimensie weerkeren. Kneem een poeder en de drukking ebt weg, zalig. Koffie. Twaalf sigaretten. De zalf. Alhoewel de wonde blijft. Eeuwig. Het park ademt een zomerse levensblijheid. Taterende wijfjes, kierflarden van voetbalkinderen. Het statige make-believe van de bourgeois, de cijferende joden.: [pagina 113] [p. 113] De terende ouwe vent op zijn herinneringsrantsoen. Een jonge man komt naar me toe en zegt dag, alhoewel ik hem niet ken. Hij zet een hoge borst op en fluistert, ik ben de dromenuitlegger. Ik draai hem mijn rug toe en slenter weg. Maar hij blijft achter me aan zitten. Volg me naar mijn flat, zegt hij. En vertel me je droom, ik zal het verklaren. Mijn vriend, die ik niet ken, en ik nemen een taksi ergens heen. Ik leg me op zijn psychologisch verantwoord bed en breng de droom voor de pinnen. Zijn pen zegt wat op papier, maar verklaart het niet. Leg je op je buik, fluistert hij zacht. Ik doe dat en tracht me te ontspannen. Ik voel een steek en gooi de vriend van me af. Ik ga weg en val de stad in. Van de ene sigaret naar de andere zit ik in een kroeg. Ik heb weer hoofdpijn. Een mokje zet zich recht tegenover me neer. Halloo, lipt ze, bied je me niks aan? Waarop ik de dienster roep. De meid drinkt martini. Van op haar rotsen, lorelei, wenkt ze me en kust me op de mond. Haar tong zegt dik, ik ben de dromenuitlegster. Ik wil weggaan maar haar mond zuigt zich aan me vast. Ik wil geen schandaal en daarom blijf ik wachten tot zij als eerste weggaat. Ze is wel heel mooi. En ze gaat niet weg. Kom mee, dringt ze aan, ik zal het verklaren. En ik neem haar hand die me meetrekt op haar fysisch verantwoord bed. Dat me op eentweedrie van alle spannende kleren bevrijdt. Relax, zegt ze. En ze kust me kleverig. Trekt me in haar, waar ik mijn droom verhaal. Ze ligt naast me op bed en wil een som geld van me die ik niet heb. [pagina 114] [p. 114] Ik kan dus niet betalen. Ze blijft me echter zowat overal kussen. Ze verklaart het echter niet en ik wil me uit de voeten maken. Ik reinig me op bepaalde plaatsen en poets mijn tanden. Maar het heeft geen zin, ze wil mijn verhemelte weer betongen. Ik trek mijn rits dicht en maak me weg. Ik vind de uitgang van de building echter niet. Ik ben zenuwachtig. En ze blijft maar aan me kleven. Ze zit achter me aan, huis in, huis uit, van de ene flat langs het achtervensterbalkonnetje naar een andere flat overklauterend. Plots sta ik op straat en ze durft me in haar naaktheid niet meer volgen. Bye. Ze is wel heel lief, maar ze kan het niet verklaren. Een boekenleurder klampt me vast. Ik wil echter niet voor zijn kommerciële brol bezwijken en stoot hem van me af. Hij blijft me echter tegenhouden. Elke keer wanneer hij me eindelijk heeft kunnen vastgrijpen, laat hij me weer los. Hij zegt met het vertrouwelijke van een vrienden- prijsjesventer, dit boek verklaart al uw dromen, gunstkoopje. En, hier wacht hij even, u mag het eerst een week bij u thuis op proef. Niet tevreden, terug aan de redaktie. Wel tevreden, hier heeft u onze postcheckrekening. Ik neem het boek dus mee naar huis, en doorblader het. De bladzijden zijn echter niet bedrukt, wit, en het verklaart niks. ik ga voor de spiegel staan. En mijn vriend, die ik niet ken, knipoogt naar me, ik ben jouw dromenverklaarder. Ik trek vieze snuiten naar hem, die hij prompt beantwoordt. Ten slotte maken we er beiden een spelletje van en we lachen er mee. Vorige Volgende