Yang. Jaargang 10(1974)– [tijdschrift] Yang– Auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 226] [p. 226] Voor Luc Peire Geen uitgestorven klanken wegvloeiend in beken holen vogelnesten nergens meren bergen lavastromen zwijgend en gedoemd (de havik ken ik niet eens toch is zijn naam de mijne: neerstrijkend neerdalend en weer opstijgend niet door duisternis geschrokken) Het water onder mij (diep? ondiep?) met een ongrijpbaar bodemloos verleden geen gebaren van de vleugel slechts de onverdeelbare oneindigheid van het begin tot aan geen einde doorgetrokken Er is geen weg terug: van aangezicht tot aangezicht ontga je niet de angst van het verpletterend bewustworden maar opgevangen (bloedend snavelsnikkend) in een zandloze woestijn: de ruimte bijtend in je vlees en kruipend loerend - wonderbaar zo licht De eerste aarzeling houdt je nog vast aan bomen graszoden en rusteloze insecten dan hoor je geen geluiden meer volledig opgenomen met alleen de smaak van water GUY VAN HOOF Vorige Volgende