| |
| |
| |
| |
Boekbeoordelingen
Gijsbreght van Amstel, door der kinderen versierd.
Reeds een viertal opstellen, het een al groter dan 't ander, wijdde De Vlaamse School aan deze modeluitgaaf van de Haarlemse uitgeversfirma, de Erven F. Bohn. Tans dat de 12e aflevering het licht zag, waarmede de eigenlike tekst van het treurspel volledig is, weerstaan wij niet aan de lust, in deze kolommen even het woord te verlenen aan een zeer bevoegde beoordelaarster uit het Noorden, namelik aan Mej. Etha Fles. Ziehier de voornaamste gedeelten uit een uitvoerige bespreking, welke deze dame, zelf een talentvolle kunstenares, aan Der Kinderen's arbeid wijdde in Het algemeen Handelsblad.
‘In '94 scheen met de eerste aflevering van dit werk ingeluid te worden de herleving der boekkunst ten onzent, en hoeweel er verscheidene goed verzorgde boeken in die afgeloopen jaren het licht zagen, toch was er onder de versierders geen, die streng genoeg vasthield aan het princiep, dat bij Der Kinderen voorzit, die in de eerste plaats en te recht naar een stevig architecturaal verband zoekt tusschen letters en versiering, zoodat deze worden tot éen onafscheidelijk geheel, terwijl hij de constructie van de bladzijde zelve van het hoogste belang acht voor de schoonheid van het boek.
Al zijn nu wellicht enkele details hier nog niet gelukkig gekozen, al misstaan misschien de hakerige, gele lettertjes ietwat, terwijl ook de regelvullingen wat zwaar en vermoeiend bij het lezen mogen zijn, de geheele versiering is zoo weloverwogen en vol schoone inventies, dat deze jongste arbeid van Der Kinderen als een monumentaal kunstwerk geroemd mag worden.
En nu wil het ons schijnen, dat, waar Der Kinderen de taak was opgedragen, den tekst van Vondel's tragedie te versieren, hij met dezelfde zorgvuldigheid te werk ging, er op bedacht zijnde ook zijn figuren niet te vol en te los van den achtergrond te maken, en dit niet alleen opdat zij niet de aandacht te zeer zouden afleiden van des dichters woorden, maar om de hoofdpersonen van het treurspel vóor ons verbeelden te laten oprijzen meer als de statige schimmen uit vervlogen eeuwen dan als handelende figuren, een opvatting, wel strookend met Vondel's grootsche conceptie van het drama.
Zoo staat dan hier boven elk bedrijf in strakke onbewogenheid de vergeestelijkte gestalte van den persoon, die de komende handeling zal dragen. Eerst zien we den heldhaftigen, godvruchtigen Gijsbreght, dan den stouten Willem van Egmond; volgt de teere vrouwe Badeloch, wier innige liefde zulk een glanzend schijnsel over deze bloedige tooneelen werpt. Boven 't vierde bedrijf staat Gozewijn, de vrome martelaar, terwijl het vijfde door den engel Rafaël geopend wordt. Naast deze zeer onstoffelijke gestalten, die als tegen den wand met enkele kleuren gepenseeld schijnen, zien wij den achtergrond, waartegen voor ons verbeelden de handeling gebeurt.
Zoo bij Gijsbreght een veelhoofdige draak, die tusschen giftig gewas zich dreigend omhoog heft, om den reeds zich verlost wanende dood en verderf te brengen. Bij Egmond het rijsschip waaruit de welgeharnaste edelen aanstonds zullen te voorschijn springen, om de argelooze stad te vernielen, en naast Badeloch, deze lieflijke vrouwe met haren gemaal in de Amstelburcht gezeten, duif en doffer gemaald op het schild, dat hen verbindt, in tegenstelling met de boosaardige draken - de geest van het kwaad, loerend om de veste. Bij Gozewijn verrijst in 't verschiet het heilig altaar, waar de bisschop te midden van den ‘krans van rozen wit en rood’ geslacht zal worden, terwijl boven 't vijfde bedrijf naast den godsgezant het wapen van Amsterdam prijkt, een voorspellend teeken, dat de dierbare stad na haar verwoesting luisterrijk herrijzen zal.
Wordt zoo door zinrijke beelden elk bedrijf waardiglijk geopend, de sluitstukken der handelingen zijn niet minder opmerkenswaard, inzonderheid die aan 't slot, waar de dichter troont onder een gewelf, opgetrokken op de middeleeuwen ter eene, de Oudheid ter andere zijde.
Dan vinden wij in Vondel's spel aan het einde van elk bedrijf een ‘statigen lierzang, die, in verbeeldingen van Oud-Grieksche en Christelijke historiën of van de levende natuur geborgd, de stemmingen der voorafgaande gebeurtenissen zou samenvatten en uitdrukken’, en deze reien nu, werden bizonder fraai verlucht door den kunstenaar, wiens voornaam talent zich wel bij uitstek leent, om met diepen zin zulke zangen te versieren - getuige de wijze, waarop hij Diepenbrock's mis verluchtte, waarmede ons een meesterwerk van boekversiering geschonken werd.
Stellig niet minder schoon is hier dit reienvijftal uitgedost.
Allereerst die van de Amsterdamsche Maeghden, besloten door de verkondiging aan de herders, waarmede wij gemaand worden aan het naderende Kerstfeest, dat aanstonds blijde begroet zal worden; dan die der Edelinghen.
‘Waer 't Oosten wieroock offert, goud
En myr, tot 's levens onderhoud
Van hem, die neergedaelt van boven,
In 't arme Bethlem leit verschoven,
Hoewel hij alles heeft gebouwt.’
Maar mooier nog is de omlijsting van de eerste Rey der Klaerissen, waar de blanke nonnenfiguurtjes tegen den smaragdgroenen grond staan - en de rand, waarin de Bethlemsche kinder- | |
| |
moord verbeeld is, terwijl ook de volgende Rey der ter dood gewijde jonkvrouwen uitnemend schoon mag genoemd worden en ons laat navoelen, hoe des dichters katholieke sympathieën hem dreven, in deze tooneelen den stervensmoed van den priester en zijne getrouwen te verheerlijken. Waarlijk, geen ander dan Der Kinderen zou dan ook in staat geweest zijn, Vondel's Gijsbreght in zoo volmaakte harmonie met den dichter te versieren, dat, waar deze zijn hoogtepunt in zijn schepping bereikt, ook den kunstenaar de mooiste verbeelding heeft voorgezweefd.
Het gansche werk door vinden wij woord en beeld tot een edel architecturaal en symbolisch geheel samengesnoerd; der deugden zevental versiert de bladzijde, waarop wij lezen van ‘den muur der Godverloofde nonnen’, en Arend's doodstrijd wordt omlijst door koorknapen, die de zielmis lezen; ook zien we steeds tusschen den tekst de figuren uit Vergilius' treurspel, waarvan Vondel's helden de tegenhangers zijn - hier Aeneas, Simon ginder.
En ook nog buiten de genoemde versieringen bevatten treurspel, inleiding en voorspel een reeks zinrijke teekeningen, terwijl de opdracht aan den heer Huigh de Groot in haar geheel van bizondere schoonheid is, omdat hier de letters op het perkamentkleurige fon wel aangevuld worden door ornamenten, maar zonder dat ze te veel op den voorgrond treden; integendeel doet hier hun teer parelgrijs mooi op het geel en dragen zij er veel toe bij, om ons overtuigend te laten gevoelen, van hoe groote bekoring het is, wanneer de bladzijde op zichzelf een zoo streng en rhythmisch geconstrueerd geheel vormt.
Nu de versiering van het drama voltooid is, mogen wij weldra die van de muziek te gemoet zien - maar dit eerste deel, uit den aard der zaak ook het gewichtigste, vormt een op zichzelf staand kunstwerk van zóo zuivere stijlvolle schoonheid, dat wij gerust durven beweren, dat zijns gelijke in de boekkunst moeilijk aan te wijzen zal zijn.’
| |
Phantasus von Arno Holz. Berlin, Sassenbach, 1898. Erstes Heft. Georg Stolzenberg, neues Leben. Hidem, 1897.
Arno Holz stelt zich voor, de lieriese poëzie te hervormen. Waarin deze hervorming zou bestaan, veropenbaart hij in een uitvoerig krieties opstel, dat hij, naar aanleiding van deze eerste aflevering van zijn Phantasus, in nr 31, 30 April 1898, van het tijdschrift Zukunft, geschreven heeft.
Holz gaat uit van de stelling, dat de lieriese dichters er tot heden toe eenparig naar gestreefd hebben, aan hun ingevingen een vorm te geven, die misschien wel deze ingeving uitdrukt, maar daarnevens toch berekend is op het teweegbrengen van uiterlike effekten van klank en ritmus. Zij leggen er zich op toe, zegt hij, hun gedichten een ritmus bij te zetten, ‘der nicht nur durch Das lebt, was durch ihn zum Ausdruck ringt, sondern den daneben auch noch seine Existenz rein als solche freut.’ De ‘nieuwe’ lieriek nu, welke Holz wenst in te voeren, zou vrijwillig afstand doen van de even bedoelde uitwendige bekoorlikheden, in deze zin, altans, dat zij zich tevreden zou stellen met de maatbeweging, welke de woorden zelf, die op de natuurlikste, meest gewone en eenvoudige manier gevoel en gedachte uitspreken, aan deze uitspraak zelf verlenen. ‘Eine Lyrik,’ zegt hij, ‘die auf jede Musik durch Worte als Selbstzweck verzichtet und die, rein formal, lediglich durch einen Rhythmus getragen wird, der nur noch durch Das lebt, was durch ihn zum Ausdruck ringt.’
Wat ik van deze hervorming denk, wil ik zo bondig en duidelik, als het mij maar mogelik is, onder woorden brengen.
Ik begin met op de voorgrond te stellen, dat ik niet de minste grond zie, om aan een dichter het recht te ontzeggen, niet alleen zich met deze ene, door Holz aanvaarde ritmus, die, welke uit de noodzakelik te gebruiken woorden voortspruit, tevreden te stellen, evengoed als met de noch altijd prozodiese vrije ritmen of rapsodiese verzen, zoals Klopstock, Goethe, Heine, Hamerling, Vosmaer, van Beers, en anderen, die verstonden. Ik wil verder gaan en zeggen, dat ik er volstrekt niets heb tegen in te brengen, wanneer een dichter, lieries of niet, om 't even, - alleen maar niet die van een epos of een treurspel, - zijn stemmingen in eenvoudig proza belichaamt. Dit is immers al een hele eeuw en meer een ‘Ueberwundener Punkt!’
Een andere vraag is echter deze: zal de lieriek er bij winnen of zal zij er bij verliezen, wanneer men ze berooft van een gewaad, dat zeker wel oud is - maar dat toch zo weinig versleten lijkt, dat, ook op onze dagen, de voortreffelikste poëten er haar, en zeker niet tot haar nadeel, meê getooid hebben?
Ik geef toe - de prozodiese maat werkt eentonig, vermoeiend, vervelend..., maar toch zeker niet bij een heuse geboren dichter, die volkomen, ik zeg: volkomen, zó volkomen als men
| |
| |
terecht van een dichter, die eerbied heeft voor z'n kunst, kan eisen, meester is over de vorm. Ik geef toe, het rijm is, om met Verlaine te spreken, un joyau d'un sou, en het gaf, in de werken van de honderden noch uitverkoren noch geroepen dichtertjes, welke Duitsland in deze eeuw heeft opgeleverd, aanleiding tot een karrevracht gemeenplaatsen en banalieteiten; maar, in ernst, kan men loochenen, dat juist dat op zich zelf onnozele middeltje, meer noch, dat zelfs allieterasie, waar echte dichters er zich van bedienen, bijdraagt, machtig bijdraagt tot versterking van de indruk, die men wilde te weegbrengen? Eén van beide - ófwel ritmus, rijm en allieterasie zijn geheel overtollig, ófwel zij zijn heuse, en - zo niet onontbeerlike, dan toch wenselike sieraden van de poëzie. Dat zij dit zijn, om het te bewijzen wil ik slechts déze vraag stellen: zouden de lieriese meesterstukjes van Goethe, Uhland, Heine, Shelley, Keats, Swinburne, en, onder ons, Kloos, Perk, Iris, b.v., Swarth, van Eeden, Gorter, intensiever werken zo zij geschreven waren volgens de prinsiepen van Holz of van Walt Whitman? Is wel iemand naïef genoeg, om te geloven, dat b.v. de vers libres van om het even welke jongere Fransman onmiddelliker indruk maken dan die van Verlaine of zelfs van Leconte de Lisle of Hugo?
Ik houd staan - en niemand, niemand zal een enkel argument vinden om het tegendeel te bewijzen, - dat de wezenlike lieriese dichters, die schrijven in gewone, reeds door duizend andere vóor hen gebruikte verzen, in rijmende verzen bovendien, telkens, in die verzen een beweging weten te leggen, een golving, een rimpeling, die op z'n nauwst overeen komt met de beweging zelf, die zij wilden uitspreken. Alleen de zwakkere, de mindere, zal dat niet kunnen.
Laat men toch op z'n hoede wezen voor enge opvattingen en noch engere voorschriften!
Laat ieder, die het zó voelt, dichten zo als Holz, - maar ieder, die 't ánders voelt, dichten zo als Goethe, Heine, en Holz zelf in zijn eerste en wellicht niet slechtste verzen.
Na dit alles kom ik er gaarne rond voor uit, dat Holz' Phantasus, I, benevens stukjes van geringer waarde, meer dan éen gedicht bevat, dat ik genoten heb. Ik noem: Zwischen Graeben und grauen Hecken; Schoenes, gruenes, weiches Gras; Aus weissen Wolken; Ich bin der reichste Mann der Welt; In einen brennenden Abendhimmel; In meinem glühendsten Tulpenbaum; Aus einem Kornfeld; Aus schwerem Schlaf en Ich bin ein Stern.
Deze stukjes maakten ontegenzeggelik op mij een indruk van schoonheid. Ik voeg er echter dadelik bij - niet om of door de vorm. Ook zo Holz, in stede van de regels, als waren 't verzen, af te breken, ze zo maar als proza geschreven had, zouden ze mij - juist om de heel mooie inhoud, evenzeer bevallen hebben... En, dat zij dit minder zouden doen, zo Holz ze in werkelike ouderwetse (?) verzen had geschreven, kan ik ook niet snappen.
Een enkel voorbeeld.
‘Aus schwerem Schlaf plötzlich er-
wacht, - es ist noch Alles dunkel, ich
liege da - formt sich, in mir, langsam,
Ueber den Sternen haengt eine Harfe.
Selig sitzt die Nacht und singt. Singt,
dass die zitternden Herzen klopfen!
Aus den Saiten Sonnen tropfen.
Ueber den Sternen haengt eine Harfe,
selig sitzt die Nacht und singt.
Die Augen zu, die Zaehne zusammen,
dass ich nicht schluchze!’
Dat is mooi, zeg ik, dat is heel mooi.
Maar, mag ik de dichter even doen opmerken, dat van de veertien regels, die het gedichtje in zijn boek beslaat, negen, wellicht tien, werkelike ritmeverzen zijn?
Ueber den Sternen haengt eine Harfe.
Selig sitzt die Nacht und singt.
Singt, dass die zitternden Herzen
Aus den Saiten Sonnen tropfen.
En zelfs het rijm, ja, waarlik, het rijm, maakt er het stuk niet leliker op!
Och! Ook wel in meer dan éen van de andere, die ik mooi vind, komt echte prozodie en echte taalmuziek voor...
Ziet ge - ook hervormingen haben sua fata... Wat nu Neues Leben aangaat, met de beste wil van de wereld kan ik
| |
| |
er niet evenveel goeds van zeggen. Te veel, in dit boekje, is niets meer dan losse aantekeningen van op zich zelf wel mooie impressies, oorspronkelike gedachten en wat dies meer: eerste rudiementen zijn het, voorlopige kanefasjes voor gedichten, die noch moeten geschreven en noch moeten gemaakt worden.
lacht ueber das ganze Gesicht -
Wenn ich mit dieser Hand an etwas rühre,
die grosze violette Glockenkrone.
Leise wiegst du dich der Sonne nach.
Zijn dit gedichten, heuse, ware gedichten, ik zeg: kunstwerken?
Ik aarzel niet, beslist neen te zeggen. Het zijn nota's, nota's van een dichter, dit wil ik wel weten, maar tot gedichten zijn zij niet gegroeid.
Wat er aan ontbreekt, om dát te worden, - zal Holz zijn vriend Stolzenberg beter dan iemand weten diets te maken.
Ik vrees maar, dat Neues Leben al dadelik aan deze revolusie van de lieriek meer nadeel dan voordeel zal brengen.
P.d.M.
| |
The Dance of Death, by Hans Holbein, with an introductory note by Austin Dobson. London, George Bell and Sons, York Street, Covent Garden MDCCCXVIII.
Een boekje, dat geen bieblieofiel, geen liefhebber van oude en ware kunst zal nalaten zich aan te schaffen.
Het is een in elk opzicht welgeslaagde herdruk van het in 1538 te Lyon, in de drukkerij Soubs t'escu de Coloigne het allereerst verschenen werkje, Les Simulachres et historiées Faces de la Mort autant élégamment pourtraictées que artificiellement imaginées, - een klein kwartijntje, dat een en veertig houtsneden bevatte, waarvan elk voorzien was van een dubbele tekst, een aan de Latijnse Bijbel ontleend, en een in Franse verzen van zekere Gilles Corozet. Het werkje beleefde verscheiden herdrukken, o.a. in 1542, 1545, 1547, 1549, 1554, 1562. Die van de twee laatste jaren behelsden echter een bijvoegsel van acht plaatjes.
Men is het er vrij wel over eens, dat de oorspronkelike tekeningen, waarnaar de houtsneden voor de uitgaaf van 1538 vervaardigd werden, het werk zijn van niemand minder dan Hans Holbein, de Jongere. Men houdt het er voor, dat zelfs de houtsneden reeds een tien à elf jaar vóor de verschijning van de Simulachres bestonden, immers omdat er, in verscheiden openbare prentenverzamelingen, losse afdrukken van meer dan éen van deze platen voorhanden zijn, die al de kenmerken vertonen van proefdrukken van de oriezjienele houtblokken, en omdat er, te Berlijn, niet min dan 23 met Indiese inkt uitgevoerde, blijkbaar naar de houtsneden afgekeken en van 1527 gedateerde tekeningen van de voorstellingen uit het boekje voorhanden zijn.
Wat de houtsnijder betreft, deze was, volgens de voornaamste kenners, zekere Hans Lutzelburger, die in 1526 te Bazel, de vaderstad van de Holbeins, overleed, en met de Lyon'se firma, die het boekje in 1538 drukte, betrekkingen onderhield.
De platen, in de uitgaaf van de firma Bell voorhanden, zijn trouwe reproduksies van de in 1833 gegraveerde blokken voor Doucé's Holbein's Dance of Death. Betere navolgingen bestaan er van de oriezjienelen niet, en terecht zegt de schrijver van de inleiding, de heer Austin Dobson, ervan: they are honest attempts to repeat by the same method, - that is, in wood, the original and incomparable woodcuts of Hans Lutzelburger.
Het werk van Holbein-Lutzelburger hier te beoordelen, zou zeker misplaatst zijn. Het is immers wereldberoemd en evengoed verheven boven elke lof als bestand tegen elke krietiek. De Vlaamse School bepaalt er zich dan maar toe, als de allervoortreffelikste van de XLIV hier verzamelde plaatjes te noemen, De Keizer, De Kardienaal, De Bisschop,
| |
| |
De Hertog, De Abt, De Advokaat, De Non, De oude Vrouw, De Lansknecht, De Graaf, De oude Man, De edele Dame, De Hertogin, De Ploeger, Het Wapen van de Dood, De Gek, De Blinde, De Wagenaar.
Het boekje zij ten warmste aanbevolen.
| |
Bell's Cathedral series. I. Lichfield. by A.B. Clifton. 42 illustrations. II. Hereford. by A. Hugh Fisher 34 illustrations. III. Winchester. by P.W. Sergeant. 50 illustrations. IV. Exeter. by Percy Adleshaw. 35 illustrations. George Bell and Sons. 1898.
Deze vier delen behoren tot de aantrekkelikste van de gehele reeks. Niet alleen omdat zij vier van de allerschoonste en gedeeltelik ook oudste katedralen van Engeland behandelen, maar ook omdat zij, als monografieën, noch zaakrijker en vollediger schijnen dan verscheidene andere die wij al vroeger hebben doen kennen. Zo gunt ons III. een blik op de geschiedenis van de bischoppen, en op de grote inrichtingen, die in betrekking staan tot de katedraal van Winchester, en IV. een even belangwekkend kijkje op een paar andere historiese gebouwen van Exeter, namelik Rougemont Castle en de Guildhall.
Het lezen van al deze boeken vervult elke vriend van de kristelik-middeleeuwse bouwkunst, - de hoogste en volmaakste die ooit was -, bepaald met een onbegrensde eerbied voor Engeland, hetwelk zij ons doen kennen niet alleen als de klassieke bodem, waar de gotieke bouwtrant het grootste getal meesterstukken kan aanwijzen, maar ook als die, waar men die wonderen van kunst met de grootste liefde en de verlichtste zorg heeft weten te bewaren en te herstellen.
Vooral op de onvergelijkbaar schone Lichfield- en Exeter-katedralen roepen wij in het voorbijgaan de aandacht.
| |
Japanese Illustration, a history of the arts of wood-cutting and colourprinting in Japan. By Edward F. Strange, M.J.S. London, George Bell & Sons, York Street, Covent Garden, MDCCCXCVII.
Waarlik, een uitgevershuis als dat van George Bell & Sons te Londen mogen en moeten wel alle volken van het Europeese vasteland, en in de eerste plaats wij, Nederlanders, aan Engeland benijden. Het mag waar zijn, dat wij aan het verenigde Groot-Brittanje noch wel wat anders te benijden hebben, namelik juist datgene, wat het verlichte uitgevers als de bedoelden mogelik maakt, met sukses plannen door te zetten, waaraan men in menig ander land niet éens zou durven denken, - wij zeggen: een verlicht, geld-hebbend en gaarne geld-uitgevend publiek. Edoch, ook in een land, waar de lezerswereld niet bij enkele hoofden als in... België, niet éens bij honderden als in Noord-Nederland, maar bij duizenden geteld wordt, blijft het, menen wij, een niet gewone verdienste, wij zeggen niet, met uitgaven vóor de dag te komen die ‘aktuële onderwerpen’ behandelen, maar wel schrijvers te vinden, die dergelike onderwerpen zó volledig en boeiend weten te behandelen, en dan het werk van die schrijvers een zo passende, en daarbij artistieke uitwendige vorm te geven, dat al wie belang stelt in de kunst- of intellektuele beweging van onze tijd, het verschijnen van zulk een boek als een gebeurtenis, het boek zelf als een weldaad moet beschouwen.
Aan zulke uitgaven nu maakte niemand ons zo gewoon als Bell. Zijn uitgaaf van Decorative Illustration, door Walter Crane, zijn Picture Posters, door Hiatt, zijn Decorative Heraldry door G.W. Eve, - alle drie destijds in dit tijdschrift aanbevolen, zijn inderdaad wat men in het Duits pleegt te noemen mustergültig, d.w.z., ware modellen in het vak.
Het werk, dat wij heden aankondigen, en dat met de Picture Posters, pasgenoemd, Rosamond Marriot Watson's The Art of the House en Wheatley's Historical Portraits deel maakt van een afzonderlike reeks, ‘The Connoisseur Series’, onder de leiding van Gleeson
| |
| |
White, is, in een boekdeel van een 150, op stevig papier, met een grote, duidelike en vooral mooie letter gedrukte bladzijden, een in ieder opzicht uitstekende inleiding tot een inwijding in de studie en het begrip van een kunst, welke in de laatste 25 jaar een even grote als weinig voorziene invloed heeft geoefend op de schilder- en versierkunst van Europa.
In een tiental hoofdstukken bestudeert Strange de oudste geïllustreerde Japanse boeken, de eerste aanvang van de kleurendruk; dan de grote scholen van Harunobu, Shunshó en hun volgelingen, Utamaro, Toyokuni en Yeishi, Hokusai en zijn diesiepelen, Yeisen, Shunsen en hun tijdgenoten, de school van Osaka, het landschap, de eigenlike tekniek, en de meestgewone onderwerpen van de Japanse kunstenaars.
Een lijst van de artiestennamen, met, naast elk, de vertaling in Sieneese karakters, besluit het werk.
Ver van ons de verwaandheid, ons uit te geven voor beslagen Japoniezanten! Wij menen echter, niet alleen in Nederlandse, Engelse, Duitse en Franse muzeeën genoeg uitingen van Japanse kunst te hebben leren kennen en vooral een voldoende hoeveelheid werkelik mooie platen, gekleurde en ongekleurde, van Utamaro, Hokusai en Heroshige te hebben bestudeerd, om te durven zeggen, dat wij in Edward F. Strange waarderen een gids, die niet alleen de geschiedenis van de Japanse illustreerkunst volledig meester is, maar er tevens met ongemene helderen volkomen zekerheid van oordeel de eigenaardigheden van doet uitkomen.
Het boek is verrijkt met acht gekleurde en acht en tachtig wit en zwartplaten, alle even verstandig gekozen als uitstekend weergegeven, en - voor wie met het onderwerp minder bekend is, - een ware veropenbaring.
Van een enkele plaat voldoen de verhoudingen ons niet, - juist van een van de allermooiste, De Dood van Nitta Yoshisada, eigenlik samengesteld uit drie afzonderlike bladen of vellen, crépon of papier, om 't even. De reproduksie tegenover bl. 104 is veel, veel te klein, en bijgevolg te onduidelik.
Dit is echter ons enig, op zich zelf onbeduidend voorbehoud.
Is het dan noch wel nodig, het heerlike, kostelike boek uitdrukkelik aan te bevelen?
|
|