Door zwarte eenzaamheid treedt hij
In een kring van licht:
Licht van boven, meegebracht in den eeuwigen nacht,
Niet hem begevend, niet hem alleen latend in het rijk van het Duister,
Hem teeder omzwevend als een beveiliging,
Een atmosfeer van hooger bestaan
In de eenzaamheid van verschrikking,
In de donkere ontzachlijkheid,
Niet te zien, niet te meten, toch te gissen, te voelen, aan alle zijden te weten als een wreede bedreiging
Voor den duiker,
Die daalde van 't schip, - het hoog-drijvende, veilige, zonlicht-omtintelde schip, met het anker, 't kompas en het roer, en den hoogopstrevenden masttop, -
Die daalde beneden de wild naar lucht snakkende golven,
Diep hi de duistere onmeetlijkheid:
Het rijk, van licht en van warmte verlaten, van liefde verlaten.
Hij treedt voorzichtig, betast met den voet den onzekeren bodem,
Ziet zoekend vóor zich, speurt om zich heen, tuurt naar het wrak, - poover doel van den tocht! - tuurt gestaag om zich heen, bukt zich laag op den bodem,
Richt zich op en ziet rond,
En schrikt....
Deinst ontzet terug voor wat geruischloos drong binnen zijn licht-huis.....
Wijd-open oogen van alle zijden,
Strak-wijd-open oogen van alle zijden,
Oogen in koppen van monsters, groote roerlooze monsters, - bolle puil-oogen,
Stier-onbeweeglijk als masker-oogen
Hem aanstarrend.....
Angst-zweet kilt op zijn voorhoofd...
Onbewegelijk blijft hij te midden dier gruwbre verschijning van rondsom,
Die onhoorbaar stil is aangezweefd uit de duisternis van mysterie, -
Staart ze tegen, die monsters,
Tracht te herkennen een vorm, tracht te benaadren een weten, een wetend herkennen,
Om van de ontroerde ziel te weren den ban der bangheid,
Der voor geheimenis huivrende bangheid.
Déze omzwerven dus wat vergaat op de wereld-zeëen.
Wat er schipbreuk lijdt en zinkt - zinkt! -
Wrakken en lijken omzwerven zij, azend met vratige kaken,
Levende mysteriën, nimmer door 't zonlicht gezien, schuil-zwemmend in zee-diepe spelonken,
Levende mysteriën geheimvol lokkende? - wat hoog is naar de diepte?
Bevingen wekkende nog in den dapperen duiker, die vorschende doordringt
Waar niemand hem vergezelt -
Levende waar nooit lente, nooit zomer is,