| |
| |
| |
| |
De Meester van 1480, of de Onbekende Meester van het Rijksprentenkabienet te Amsterdam
WIE is hij wel geweest, de grote onbekende, die alleen in ons Prentenkabienet, te Amsterdam, drie grote, uitslaande portefeuilles met 80 (1) van zijn sprookjes-mooie gravuren heeft gevuld?...
Was hij een Vlaming of een Noord-Nederlander, een Zwaab, een Rijnduitser of een Zwitser? Waar heeft hij geleefd? Waar is hij gestorven, en zijn er noch andere, grotere werken wellicht, - gravuren of schilderijen - van zijn hand bekend?
Duchesne, Passavant, Max Lehr, Eduard Flechsig en zovele anderen hebben zich m.i. vergeefs ingespannen, om met zekerheid ook maar zijn nasieonalieteit, ook maar de juiste tijd en plaats van zijn werkzaamheid te bepalen, terwijl zijn naam zeker wel altijd zal blijven slapen in die reinwazige sluiers van een nederigheid, die hem, als zovele andere kunstenaars onder de Gotieken, zelfs het ondertekenen van zijn werk verbood, al was het dan maar met een kruisje, een omgekeerde letter,.. een slangetje, een draakje of een vis.
Hij heeft geleefd als in een sprookje; hij is als een droom voorbij gegaan, en evenals de tovergodin in de Duitse wonderverhalen, liet hij als enige herinnering aan zijn verblijf hier op aarde, die juweeltjes na van zijn goddelike kunst.
Toen loste zijn schone ziel zich weer op in de ziel van alle schoon, en als wij hier in het Prentenkabienet die schat van zijn gravuren niet bewaarden, als een heel zeldzaam, een heel kostelik kleinood, dan zou het zijn als was hij niet geweest......
Want die 80 gravuren, in drie portefeuilles verdeeld, eerst sedert 1806 in het bezit van het Muzeum en op last van koning Lodewijk Bonaparte, stichter van het Prentenkabienet, aangekocht op de veiling van de baron van Leyden, zijn vrij wel unika in hun soort, en waren slechts in zeer klein aantal - alleen de zes eksemplaren, die in het bezit zijn van de Wener hofbieblieoteek, aan Bartsch bekend, die de
| |
| |
kunstenaar slechts als terloops behandelt, als een der anoniemen van de vijftiende eeuw. - (2)
Waar zijn nu al die andere afdrukken van de overige 83 gravuren gebleven? Want, al zegt Friedländer nu ook in het Repertorium für Kunstwissenschaft, dat de grote zeldzaamheid van de plaatsnijdingen ‘zuzuschreiben sei an der seichten Behandlung des Stechers, die von Haus aus nur wenig Abdrücke lieferten’..., het schijnt toch bijna onmogelik, dat er van de meeste platen slechts die éne niet eens altijd geheel volmaakte afdruk, die het Amsterdammer Prentenkabienet bezit, zou bestaan....
Waar bevinden zich dus al de overige? Hoe kwam de baron van Leyden in hun bezit? Tot welke school behoorde de graveur? Wie waren zijn leermeesters? - Waar was zijn land?...
Er zijn vertogen en noch eens vertogen, lange verhandelingen, boekdelen vol bijna, door geleerden en ongeleerden, door ingewijden en leken, tot beantwoording van deze vragen geschreven en toch weten wij tot nu toe het rechte niet...
Passavant hield de meester voor een Vlaming uit de school van van Eyck, en voor zover mij, met mijn uiterst geringe kennis van de gotiese kunst, een oordeel voegt, zou ik geneigd zijn mij hierin bij hém aan te sluiten.
Want, hoe ik ook onmogelik de gevestigde opienie van Max Lehr geheel kan tegenspreken, die deze meester voor dezelfde van het ‘Mittelalterliches Hausbuch,’ - en van Ed. Flechsig, die hem behalve dit voor de auteur van de Verkündiging (Museum Darmstadt), Petrus en Paulus (ibidem), Liebespaar, (Museum Gotha), Heimsuchung (Mainz, Städtische Galerie), en de Geburt Christi in hetzelfde Muzeum houdt - hij is voor mij geen Zuid-Duitser, geen Zwaab, geen Rijn-Duitser zelfs. Hij móet, dunkt mij bijna, een Nederlander en wel een Zuid-Nederlander zijn geweest. (3)
Hoewel veel realistieser in de opvatting, veel minder gekuist ook in de vorm, veel naïever, kinderliker in de voorstelling, doet hij mij toch hier en daar, vooral in de minusieuse afwerking van de détails, aan de heel groten, aan Memlinc en aan de van Eycken denken. - Ik heb hier vooral het oog op No 21, waarvan de afdruk in Max Lehr's ‘der Meister des Amsterdammer-Cabinets’ Berlin, Amsler en Ruthardt, slechts een flauwe indruk geeft van het wondermooie oriezjieneel.
Een zeer, zeer schone en oorspronkelike opvatting van de vader, die de geest van de zoon ontvangt in zijn uitgespreide armen, terwijl de engelen in scharen achter hem liggen geknield. (4) Vooral de gezichten van de vader zelf en van de zoon zijn verwonderlik schoon en de afdruk is onberispelik.
Overigens, weinig invloeden van vreemden heeft de meester ondergaan, behalve wellicht die van ‘de Meester met de banderollen’, met wie hij door enkelen is verward...
In zijn Maria-Magdalena, (5) alleen gekleed door haar eigen haren en ten hemel gevoerd door de engelen, en misschien in 49, waar
| |
| |

De Onbekende Meester van 1480
ARISTOTELES EN PHYLLIS.
| |
| |
hetzelfde onderwerp, maar veel ruwer en minder geasjeveerd, wordt behandeld, herken ik de invloed van deze meester, een invloed, die trouwens ook door Max Lehr is opgemerkt, hoewel ook hij toegeeft, dat de onbekende overigens weinig of geen invloed van anderen, zelfs niet die van Martin Schongauer, aan wiens machtige persoonlikheid zelfs de grootsten, Holbein en Dürer, zich niet geheel konden onttrekken, heeft ondergaan.
Hier en daar, bijv. in Salomo afgoderij bedrijvend met een van zijn vrouwen 7 en in Aristoteles en Phyllis 54 doet hij mij zelfs enigsins aan Lukas van Leyden denken... Men lette eens op het leuke gezichtje van het jonge meisje, dat op de rug van de Griekse wijsgeer zit en de grappige uitdrukking op het gelaat van Aristoteles, ‘der einem Weibe zu Lieb' zum Narren wird. (6)
Over het geheel merk ik in hem op een allerliefste mengeling van naïeveteit, realisme en fantazie.
Naïef is hij vooral in zijn voorstelling van God de vader en God de zoon 21, waar hij als de meester W.A. (7) en zovele anderen van dat tijdvak, de vader groter geschilderd heeft dan de zoon, en bij St. Anna Selbdritt, 30 waar de Heilige Anna, met een overigens schone beweging van de beschermend omvangende armen, de- in vergelijking met haar, naïef kleine maagd omvat....
Realisties is hij overal, in zijn weergeven van de natuur, in zijn studie van het mensengelaat, bij emosie en in rust, in vreugd en in lijden... Vooral gelukkig is hij, zoals Max Lehr, Flechsig, Passavant en anderen terecht hebben opgemerkt, in het afbeelden van dieren, behalve van paarden, waarvan de koppen meestal mistekend zijn 2 34, 38, 41, 72 enz., en van leeuwen, (3) die hij waarschijnlik nooit in de werkelikheid zag, en die hij zich klaarblijkelik als grote erfhonden, met schapekoppen heeft gedacht.... Maar zie eens, zie toch eens het allerliefste smousleeuwtje bij de Offerende Salomo- 7. Is het niet een schoothondje, zoals men ze bij honderden noch in Holland vindt, met een zwart of roze puntneusje tussen lieve, zachte, zijige haren en diepe, bruine, verstandige ogen, en dan het nuffige hazewindje 43, zo sierlik, zo koket, welk een listig loze uitdrukking ligt er op zijn hondengezichtje; alsof hij alles van het bedriegerig spelletje van de mensjes achter hem begreep! En hij luistert, luistert met zijn teruggetrokken oortjes, als kon hij het fluisteren van het verliefde paartje verstaan.
En dan de valken op de Auszug zur Jagd 72. Zie toch eens naar die valken, hoe ze daar zitten, zo rustig en zo vroom, op de gehandschoende hand van de schildknaap op het paard... En dan het lammetje naast de maagd op de rots 34 en de eendjes achter de heilige Kristoforus 32 in het water.
Vooral munt de kunstenaar uit in het afbeelden van honden, van boven op de rug gezien en in het verkort, 57, 67, 70, 71, 72, 78, en in het weergeven van allerlei inheemse planten: dulen, rozen, wegekruid, anjelieren (8) en de honderden grassoorten, varens en
| |
| |
sprietjes, zoals men ze alle zomers vindt in de lieve, lage landen aan de Schelde en aan de Maas.
Inderdaad, die planten niet alleen, maar over het algemeen het gehele landschap, zouden mij aanleiding geven om te denken, dat Passavant toch gelijk heeft gehad en dat de kunstenaar een Nederlander, - een Nederlander van Zuid of Noord, moet zijn geweest.
Die plantengroei is bij ons inheems; wij zien ze jaarlijks groeien, die dulen en die irissen, het broodkruid en de rozemarijn, en ze groeien op die prenten, zoals ze groeien bij óns, aan de lage, vochtige kanten van meersen en sloten, niet zoals de veel tengerder soorten, veel schoner en eleganter misschien, zoals ik ze in Engeland en Duitsland zag... En let eens op die rozen op de ‘Heilige familie 28 met de rozenstok (9)’; zijn het geen echte boerenrozen zoals we ze als kind in de zomer hebben geplukt, in gloeiende warmte van Juliezon, in kleine, nette boerentuintjes in Oost- of West-Vlaanderen, in Noord-Holland en Zeeland, in Overijssel en in Drenthe? Rozen zo groot als pioenen met grote, bolle bloesems en harten van vuur!
Gewoonlik maakt de kunstenaar op zijn meeste prenten weinig werk van het landschap, van de entoerazje; een lijntje hier, een streep daar, met wat gras, met wat bloemen, geeft meestal voldoende zijn voor- en achtergrond aan; hierin vooral verschilt hij met de Meester W.A. en met de Meester met de banderollen. Maar soms ook, zoals op de beide voorstellingen van St. Joris met de Draak, 33 en 34, of van Christoforus die het Christuskindje draagt, 31 en 32, is het een rotslandschap met een hoog kasteel, of een stadsgezichtje met lage wallen of engeltjes, die knielen tussen de wolken 39 of een dennenbos op lage heuvelen 67.
En alles herinnert mij zo aan ons eigen land, ons land van Vlaanderen en van Utrecht en de Betuwe, een land van velden en weiden en duinen, van zandige wegen en hakhout en bos. En niet aan Duitsland in Zuid of Noord, en niet aan Zwaben en niet aan de Rijn. En waar de kunstenaar werkelik bergen afbeeldt en rotsen, zoals in De struikelende Christus 13 of op de achtergrond van St. Anna Selbdritt 29 daar toont hij m.i. dat hij maar uiterst zelden bergen, maar zelden een rotsenlandschap heeft gezien... Wel kan men niet zeggen, dat een berglandschap zo niet zijn kán, want men ziet zovele vreemde vormen van bergen, maar toch, ze zijn maar zelden zó..
En wat nu zijn fantazie betreft, de meeste van zijn, hoezeer ook overigens entoesiaste bewonderaars, zoals Lehr, Friedländer en Essenwein, beschouwen deze juist als zijn zwakke zijde.
Maar kan men hen hierin onvoorwaardelik gelijk geven?
Al neemt zijn verbeelding, zoals bij de heel groten, bij Dürer en Memlink, bij Metsys en Holbein, bij Cranach en Botticelli, niet de hoge, niet de allerhoogste vlucht, al waagt ze maar zelden, zoals in De Heilige Drievuldigheid 21 en De Man van Smarten 14 en 15 zich in te denken in de allerheìligste mysteriën, - in het lijden van de Zoon en in de smart van God, - er is daarom toch fantazie - en al is 't
| |
| |

De Onbekende Meester van 1480
KRISTUS AAN HET KRUIS.
| |
| |
een gewone, ik zou bijna zeggen enigsins alledaagse, - ze is er toch - ze bestaat.
Hij tekent, zoals bijna alle gotieken, waarvan hij overigens in enkele opzichten afwijkt, sprookjes, sprookjes in het harde koper, met zijn fijn-subtiele, teergevoelige naald, en zijn sprookjes zijn sprookjes van dieren en feeën, mensen en engelen, draken, kabouters en duiveltjes, zoals 't echte sprookje, dat wandelt langs bergen en heuvelen, langs weiden en bos.
Zie toch de allerkostelikst naïeve voorstelling van de reeds dikwijls gemelde St. Joris die de Draak verslaat. Hebt ge ooit bij alle weergaven van middeneeuwse draken en griffieoenen, ondieren en duivelen, zo'n allerplezierigst leuke afbeelding van een bezwijkende, bezwijmende draak gezien 33?
Het monster ligt met nonsjalante elegansie achterover op zijn schubbige rug, vóor de ingang van zijn rotsenpaleis, met de staart, een heuse slangestaart, sierlik gedrapeerd over zijn rechterpoot.
Let vooral op het goedige gezicht van de draak! Hij lijkt iets op een oude vrouw met een wijde mummelmond en iets op een reuzengrote hagedis. Vóor hem staat een ridder - een plezierig gewone ridder, - geen kwestie van een heilige en geen kwestie van een held, die hem met de minusieuze voorzichtigheid van een operateur het zwaard stoot in de rimpelige strot. Terzij van de ridder, meer op de achtergrond, tegen een landschap van bergen, staat een zeer schone jonkvrouw bij het paard van de redder, die haar verlossen zal, met een gezicht of het gehele geval haar eigenlik niet aangaat.
Aristoteles en Phyllis heb ik ook reeds genoemd, maar nooit ook zie ik te veel dit allerliefst eenvoudig dichterlike toneeltje, waarvan hier bij de platen een afbeelding is gevoegd. Ik houd het voor een van de meest volmaakte van de gehele cyclus, waar vooral de techniek van de kunstenaar haar grootste hoogte in bereikt.
In De Struikelende Christus onder het kruis 13 krijgt zijn fantazie hogere ruimte, een meer dichterlike vlucht, en het gelaat en de houding van de Lijder zijn hier inderdaad zeer schoon. Onze meester bracht hier weer, zoals hij zo gaarne deed, 13, 10, een achtergrond aan, gevuld met ruiters, die speren dragen, en langzaam te voorschijn komen uit een holle weg. De tiepen van de mannen, die de gevallen ‘Dulder’ omringen, zijn over het algemeen tamelik vulgeer, maar de wenende vrouwen, de hen ondersteunen, de Apostel en de Christus zelf zijn werkelik aangrijpend schoon. (10)
Wat is er nu waar van het in de laatste jaren vrij algemeen aangenomen beweren, dat de auteur van de prenten in het rijksmuzeum en die van het zo even aangehaalde ‘Mittelalterliches Hausbuch’ éen en dezelfde zou zijn geweest?
De vorstelike (fürstliche) familie van Waldburg-Wolfegg, is sedert eeuwen in het bezit van een hoogst merkwaardig boek, een soort van famielieboek, gedeeltelik in Oostindiese, gedeeltelik in gewone inkt,
| |
| |
gedeeltelik neutraal getint en gedeeltelik, ten minste in de aanvang, gekleurd, dat jaren geleden door de overleden vorst Frederik in bruikleen en ter kopie aan het Germaanse muzeum te Nuremberg werd afgestaan.... ‘So dass dieses (het Muzeum) die Bilder durch Kupferstecher Petersen facsimiliren lassen, und unter dem Titel ‘Mittelalterliches Hausbuch veröffentlichen konnte.’
En zo werd het in het jaar 1866 voor het eerst gepublieseerd.
De eerste oplaag van het werk bestond slechts uit weinige eksemplaren en geraakte dan ook weldra uitgeput, zodat reeds lang geleden de wens naar een nieuwe ediesie ontstond, die dan ook al spoedig, maar alleen in gedeelten, en onder toezicht van Dr. A. Essenwein, Direktor des Germanischen National Museums, het licht zou zien, en onder de tietel ‘Tableaux de la vie seigneuriale en Allemagne, dans la dernière période du moyen-âge, bij A Quantin te Parijs verscheen.
Later, in 1887, werd het noch eens uitgegeven, onder de tietel ‘Mittelalterliches Hausbuch, Bilderhandschrift des 15ten Jahrhunderts, mit vollständigem Text und facsimilirten Abbildungen mit einem Vorwort von Dr. A. Essenwein, Frankfurt a/M, bei Heinrich Keller.
Dikwijls, als bij onze onbekende, werd de vraag gedaan, wie de vervaardiger van deze 21 allerliefste, kostelik dichterlike, kinderlik naïeve, minusieus zorgvuldige pentekeningen was. (11)
Bij de eerste uitgaaf werd gezegd dat de tekeningen klaarblijkelik van verschillende meesters waren, terwijl men de beste, de meest geasjeveerde, waarschijnlik die van blz. 19b 20a 20b 21a en de leuke voorstelling op bladz. 3a voor het werk van Bartholomeus Zeitblom hield. A. van Wurzbach daarentegen schreef ze aan Erwein von Stegel toe.
Retberg wees het eerst op de gelijkenis tussen de gravuren en die van onze grote onbekende, de zogenoemde meester van 1480. Max Lehr zegt in zijn ‘Aeltesten Spielkarten’: ‘dass die Figuren der mimirten Blätter des Hausbuches, meist von Spielkarten und andern Stichen, des Meisters E.S., genommen sind.’
Of het boek, zoals de inleiding van de eerste oplaag vermoedt, langzamerhand is ontstaan, weten wij niet, in ieder geval is het niet bewezen.
Ongetwijfeld was het oorspronkelik plan geweest, om de verschillende pentekeningen te kleuren en bij enkelen is hiermee, zoals ik zei, reeds een begin gemaakt.
Verder oppert Essenwein het vermoeden, of de vervaardiger wellicht ook een goudsmid en tegelijk graveur zou zijn geweest, omdat de goudsmeden van die dagen zeer goed tekenden en hierin dikwijls met de eerste artiesten konden wedijveren.
Het handschrift bestaat uit 63 bladen perkament in klein folio van 126 bladzijden, waaronder drie dubbele bladen... 59 Bladzijden zijn betekend met de pen of met Oostindiese inkt, 41 hebben tekst in vroeg-gotiese karakters en zeer gemakkelik leesbare, Duitse
| |
| |

De Onbekende Meester van 1480
St. MAARTEN.
| |
| |
woorden, de overige zijn leeg gebleven. Het geheel is gebonden in omslag van donker kastanjebruin leder... ‘Auf einem Papierstreifen des Rückens, sowie wiederholtauf der inneren Pergamentdecke, kommt die Bezeichnung vor.’ Op bladzij 4 staat de bibliotheek-stempel van Wolfegg.
Niemand echter weet, hoe het boek in het bezit van die famielie gekomen is, welke avonturen het vroeger heeft gehad, voor wie het oorspronkelik werd vervaardigd. Wellicht werd het voor een lid van de famielie Goldast gemaakt en ontstond het in Konstanz.
Bladzij I is uitgesneden.
Bladzij II heeft een zeer schoon, in mienieatuur vervaardigd tietelwapen: ‘Armoiries de la famille Goldast de Constance.’ De behandeling doet weinig aan de grote onbekende denken, hoe schoon het geheel ook is uitgevoerd. Een gouden tak onder een helm met een arend als helmteken. (12)
Men vergelijke hiermee nu eens de wapens van onze onbekende, die wellicht door hem nooit als echte wapens zijn bedoeld en alleen als verdichtseltjes van zijn weelderig ondeugende fantazie zijn ontstaan.
Op pag. 79 vinden we het eerste wapen. Als helmteken een zittende boer met in de armen een dubbelschild, op het oorspronkelik ledig gebleven vlak een klimmende leeuw, die er klaarblijkelik later door een andere, zeer onbedreven hand met inkt is opgetekend. No 80 is blank, No 81 vertoont een getande sikkel, 82, 83 zijn blank, 84, 85 resp. een raap of radys en een ui (13) 86, de letters op twee schilden, 87 een spinnend vrouwtje, 88 twee vechtende mannetjes en als helmteken een mannetje dat op het hoofd staat, en duikelende mannetjes op het voorplan. En 't is of de artiest een studie over toenmaalse sport heeft willen leveren! 89 weer een op 't hoofd staand mannetje en als helmteken een vrouw met een spinrokken in de hand, die op de rug zit van een kruipende man..., een pendant van Aristoteles en Phyllis?
En dat is al. Waar blijft nu het Hanauer wapen, dat der Werdensteins en Eppsteins?...
Op sommige zijn de schilden zelf leêg gelaten, maar nergens ontdek ik enige gelijkenis met het echt heraldiese wapen in het midden-eeuwse handboek van de famielie Goldast te Konstanz.
Op éen grote overeenkomst tussen de meester van het Huisboek en onze onbekende moet ik echter wijzen, namelik op iets heel prozaïes, op de behandeling van het schoeisel, stevels, laarzen en pantoffeltjes, bij mannen en vrouwen, maar vooral bij de mannen. Natuurlik droeg men hetzelfde schoeisel in die dagen overal, maar toch zal er toen, evenals nu, tussen een schoenmaker aan de Rijn en een aan de Maas of Schelde, wel enig verschil hebben bestaan. Van waar dan deze grote, en niet te lochenen overeenkomst, hoewel we bij de onbekende meer blote voeten dan bij de vervaardiger van het
| |
| |
Huisboek opmerken! Zouden Max Lehr en de anderen am Ende toch gelijk hebben gehad?
In het Huisboek zijn vooral de afbeeldingen van het leven en bedrijf op de verschillende planeten, met hun attributen: de stier, de waterman, de kreeft, de tweling, de ram, enz. allerliefst, maar toch het kan aan mij liggen, maar het valt mij zo heel moeilik om er de onbekende in te herkennen.
Zich aansluitend aan de mening van Harze, Max Lehr, Essenwein en von Retberg, wat betreft de iedentieteit van de vervaardiger van het Hausbuch, met de anoniemus van het Prentenkabienet te Amsterdam, zegt Ed. Flechsig in zijn belangrijk artiekel in de Oktober- en Desembernummers van het Zeitschrift für bildende Kunst, E.A. Seemann, Leipzig: ‘Der Meister des Hausbuches als Maler’, dat hij dezelfde methode, dezelfde bewerking, dezelfde beminnelike, dichterlik-naïeve eenvoudigheid, die hém zo heel aantrekkelik maken, bij onze onbekende heeft menen terug te vinden, in een reeks van schilderijen, die hij op een kunstreis door hem in 1893, voor zijn grote krietiese arbeid over Cranach en zijn school ondernomen, in de muzea van Gotha, Ments, Darmstadt, Aschaffenburg, Wolfskehlen, Schleissheim enz. aangetroffen had.
‘Gemälde, die mit der Sächsischen Schule, überaus nichts zu thun hatten’.
Allereerst vond hij in het Muzeum te Gotha de afbeelding van een ‘Liebespaar’, in halffieguren, volgens hem een van de allerschoonste oud-duitse schilderijen van de laatste helft van de vijftiende of het allervroegste begin der zestiende eeuw. Was 't van Wolgemuth? 't Had een zeer geringe overeenkomst met het werk van deze meester. Was 't van Schuchlin, ‘an dem Scheibler gedacht hatte?’ Vielleicht, doch wir kennen zu wenig von ihm, und das wenige sieht auch anders aus...... Vom Meister des Hausbuches also! Dieselbe Lieblichkeit, dieselbe Anmut... Ik voor mij vind dit ‘also’ wel enigsins ‘jumping at conclusions’ en houd dit schilderij niet voor een van de hand van de onbekende, wellicht wel van die van 't Huisboek.
Een sterke, sterke overeenkomst ja! vooral in de val van de gewaden en in de détails, maar én de meester van het Huisboek en de onbekende, die volgens mijn bescheiden mening noch volstrekt niet éen en dezelfde waren, zijn voor mij minder geasjeveerd.
De schilderijen, die Ed. Flechsig sieteert, Heimsuchung (Ments), Geburt Christi, (Ments, Städtische Galerie), Verkündigung (Darmstadt), gelijken hem zeker in enkele onderdelen. Vooral op de Geburt Christi zijn het leuke ezeltje en het lachende osje, die wij ook op nummer 10 van de meester van 1480 weervinden, zeker wel aan onze onbekende ontleend. Maar zijn de vervaardiger van dit schilderij en die van de 80 plaatsnijdingen in het Prentenkabinet te Amsterdam daarom éen en dezelfde?
In de Verkündigung vooral, waarvan ik hier ter staving van mijn bewering zo gaarne een reproduksie zou voegen, zie ik weinig of geen overeenkomst met de behandeling van hetzelfde onderwerp op No 8
| |
| |

De Onbekende Meester van 1480
HEIMSUCHUNG.
| |
| |
van de onbekende. Hoe voortreffelik deze ook zijn, dit schilderij is veel, veel schoner noch dan een van onze gravures. Het Gothase schilderij, waarover ik trouwens alleen naar een overigens zeer goed geslaagde afbeelding in het Zeitschrift für bildende Kunst kan oordelen, móet een volmaakt juweeltje zijn... De gravuren zijn niet volmaakt. Men zou het willen zien, niet in de harde, vale tinten van een fotogravure, maar in de warme, vuurgloeiende kleurenzangen der Gotieken.... Maar is 't van de Onbekende?
Mij doet het noch veel sterker aan Hans Memlink en soms aan de van Eycken denken. Van de eerste dezelfde hoogheid, dezelfde adel, dezelfde reinheid in de onberispelik regelmatige trekken, van de ander hetzelfde afgerond minusieuse in de uiterst artistiek bewerkte détails.
Paulus met het zwaard en Petrus met de sleutels in het Darmstaedter muzeum, komen daarentegen met de gewone manier van onze kunstenaar overeen, hoewel ze mij toch weinig aan hem doen denken. Het smeedwerk boven hunnen hoofden bijv., dat Flechsig als een bijna onwederlegbaar bewijst aanvoert (14), is op geheel andere wijze behandeld dan dit bij de anoniemus is geschied. Men kan dit natuurlik gedeeltelik aan het verschillende procédé toeschrijven, maar toch de gelijkenis is voor mij zéer twijfelachtig.
De enige schilderijen, waarin ik inderdaad een zeer sterke overeenkomst met onze meester vind, zijn de Heimsuchung en vooral in de Geburt Christi te Ments in de Städtische Galerie. Hier zijn het osje en het ezeltje wel zeker, zoals ik reeds zei aan onze meester ontleend, hoewel ze op de gravure bij Max Lehr, 10, presies aan de andere zijde van het schilderij en dus rechts van de toeschouwer staan. Ook het stroodak herinnert, zoals Flechsig terecht opmerkt, aan het dak op de Aanbidding der koningen bij Max Lehr, terwijl we hier in de rechterhoek ook de ingang naar het keldergewelf vinden, die bij de onbekende in de linker, meer in het midden staat.
Maar zie toch ook eens, bij hoeveel gelijkenis, hoeveel verschil! De behandeling van de entoerazje, van de gewelven, tussen de zuilen, van de achtergrond en van de détails is heel anders op het schilderij dan op de gravure. Hier zijn het de herders die aanbidden, dáar koningen, terwijl de aanbiddende koningen ware tiepen van Hollanders (noch niet eens Vlamingen!) en de herders daarentegen echte Duitsers zijn.....
De Heimsuchung herinnert in de groepering van de hoofdfieguren, ook wel iets aan onze meester, maar toch, bij hoeveel overeenkomst ook weer hoeveel verschil! Zeker, wanneer men de ogen half sluit en de beide voorstellingen door de oogharen beziet, zou men ze voor twee reproduksies van dezelfde plaat kunnen houden, maar nu opent men weer de wimpers en dan valt dadelik in het oog het grote verschil; - Allereerst tussen de vier gegloriede vrouwefieguren - bij onze meester tiepen van Vlaamse, eigenlik noch meer van Hollandse vrouwtjes. (Want de Vlaamse vrouwen zijn schoner dan de onze en schoon zijn deze vrouwen niet!) Anna is natuurlik een tiepe van een bejaarde
| |
| |

De Onbekende Meester van 1480
ST-SEBASTIAAN
vrouw, ‘runzelig alt und kalt,’ zoals ze in alle landen, ten minste bij de volken der Germanen, wel allen van een en hetzelde tiepe zullen zijn, maar de Maagd! - de maagd, een echt - echt Hollands vrouwtje met gebombeerd voorhoofd, zinnelik mondje, met behaagziek lachje en een wijkend kinnetje, zoals ik ze bij dozijnen en noch eens dozijnen tussen mijn landgenoten en onder mijn kennissen vind, en vergelijk dit nu met het echt Duitse tiepetje bij de afbeelding van de Heimsuchung, die Flechsig bij zijn artiekel heeft gevoegd - kan het Duitser zijn dan dit? - ook heeft ons Hollands maagdetje schone, losse, langvlietende haren, de Duitse daarentegen draagt het gebogen hoofdje zedig met een doek bedekt.
Zie nu noch de afbeelding van de Verkündigung bij Flechsig, pag. 66.
‘Wir sehen in ein bürgerliches Wohn und Schlafgemach. Maria kniet rechts vor einem Pulte, im Begriff, ein Blatt ihres Gebetbuches umzuschlagen. Sie wendet den Kopf etwas nach dem Engel, die rechte hat sie, wie in plötzlichem Schreck erhoben. Ueber ihr schwebt die Taube. Gabriel ist von links herangekommen, beugt das Knie und spricht zu Maria mit erhobenem Zeigefinger der Rechten. Die linke hält den Stab und das Ende des Spruchbandes, auf dem in Antiquabuchstaben, die noch mit einigen gotischen typen vermischt sind, die
| |
| |
worte stehen: ‘Ave Gracia plena dominus tecum’. Der Fuszboden ist mit Steinfliesen belegt. Ueber der Thür befindet sich eine Tafel mit der Jahreszahl 1505 und einer sonst unleserlichen Inschrift. Im Hintergrunde das Bett, links neben ihm ein Schrank mit blinkendem Waschgeschir, dann ein Handtuch an der Wand, ein Tisch mit ‘Gefäszen, u.a.’
Zie nu de behandeling van hetzelfde onderwerp bij de onbekende. Men zou een afbeelding van de beide Aankondigingen naast elkaar moeten leggen om het grote verschil, hier zonder enige overeenkomst bijna, tussen de twee te doen zien. In de hoek rechts, naast het venster, een ledikant, een echt hollands ledikant, met een vierkant hemeltje en opengeschoven gordijnen en een peluw met geruite tijk! Al kan ik ook hier de kleur niet zien, het is rood geruite tijk, zoals men het nu noch in Friesland en in Noord-Holland gebruikt. Om het kussen alleen is een sloopje getrokken, ook al ‘tout comme chez nous,’ in Drenthe, Friesland en Overijssel. De Maagd, die de zeer schoon gevormde handen op het gebedenboek gevouwen houdt, vertoont hetzelfde tiepe, hoewel minder aantrekkelik, van de maagd op 9, ze ziet er nóch een beetje zinneliker en ook wel een beetje huichelachtig uit. De geknielde engel met een staf met een onbeschreven banderol in de hand, doet mij eveneens sterk aan een Hollander denken - ik wil niet zéggen aan een Hollandse boer! - de handen vooral zijn zeer schoon geschilderd. Ook de grote, uitgespreide vleugelen, die hij bijna zichtbaar klapwiekend beweegt... De gehele entoerazje, de houte deur, de in lood gezette ruitjes, het verhoogde zoldertje onder het bed kan het alles Nederlandser zijn?
Inderdaad, zouden we het nu maar niet opgeven dat zoeken, dat niet rusten eer we de nasieonalieteit hebben bepaald van deze grote, deze heel hoge? Is het zo nodig dat wij weten welk land hem geboren zag worden, zolang wij ons kunnen verkwikken aan zijn goddelike kunst, die dan toch zonder eenige twijfel, een Duitse of Dietse, wil men liever Germaanse kunst is geweest.
De kunstenaar, hij zij dan Engelsman of Duitser, Vlaming of Waal, is een wezen staande tussen de godheid en de mensen, vormgevend aan kleuren en beelden en klanken, - aan dromen, gedachten en viezieoenen van God.... Is het nu van zo'n groot belang, van het allergrootste belang in de ogen van zovelen, dat men kenne het land waar de kunstenaar geboren werd, de stad waar hij leefde, het uur toen hij stierf, - waar het vaderland van alle kunst, van alle mooi is, bij God? (15)
A.W. Sanders van Loo,
Amsterdam.
| |
| |
| |
Aantekeningen
over de onbekende meester van 1480
(1) Heinecken kannte sechs Blatt des Meisters, von denen er vier unter den Anonymen, eines unter den Monogrammisten und eines im Werk des Israhel von Meckenen beschrieb. Im Xten Band von Bartsch, peintre-graveur, befinden sich acht Blatt unter den Anonymen. Duchesne, der dem Künstler Zuerst den Namen des Meisters von 1480 gab, kannte ihrer zehn. Die Aufstellung eines förmlichen Werkes, versuchte Zuerst H.A. Klinkhamer, auf Grund des amsterdammer Bestandes.
Er schreibt die Blätter der Hand eines einzigen Meisters oder seiner Schule zu und zählt ausser den von Bartsch beschrichenen Stichen ihrer 42 auf, von denen jedoch no 37 von der Hand eines andern anonymen Stechers, no 42 von Meisters der Liebesgärten und no 61 von Wenzel von Olmütz herrühren.
Nach ihm unternahm es Ernst Harzen in Naumann's Archiv ein vollständiges Verzeichniss aller Stiche des Hausbuchsmeisters su veröffentlichen, den er für den bekannten Ulmer Maler, Bartholomäus Zeitblom hielt. Er brachte seinen Katalog auf 158 Nummern, rechnet aber dazu die 49 Blätter des Monogrammisten 6 (× 8, welche zwar grösztentheils Copiën nach dem Hausbuchmeister, aber nicht von diesem selbst gefertigt sind; 20 Blatt gehören andern Stechern an, so dass also 89 als eigenhändige Arbeiten des Meisters übrig bleiben,
Passavant bringt das werk des Hausbuchmeisters nur auf 62 Nummern, von welchen aber drei, andern Stechern angehören.
Er beschreibt zwei Blätter beim Meister der Liebesgärten und 25 unter den sogenannten Anonymen der Schule van Eyck. Ihm waren also 84 Blätter bekannt. Zu diesen kommen noch zwei, von Wiltshire beschriebene Stiche und ein unbeschriebener, den ich in der Sammlung Malzan zu Militsch in Schlesiën fand.
‘Der Deutsche und Niederländische Kupferstich des 15ten Jahrhunderts i.d. kleineren Sammlungen von Max Lehr in het Repertorium für Kunstwissenschaft’.
(2) Max Lehr zegt verder van hem in zijn ‘Deutsche und Niederländische Kupferstich’.
Von den 80 Stichen dieses Meisters sind 59 Unica, fünf von ihnen fanden sich auch in Coburg, je vier in der Albertina und Hofbibliothek zu Wien, wie auch im British Museum, drei in Oxford, je zwei in Berlin, Hamburg, Paris und in der Sammlung Malzan zu Militsch in Schlesiën, je eines in Basel, Dresden, Düsseldorf, Paris, Sammlung Rothschild, Stutgart und Wolfegg.
(3) Passavant in zijn: Graveurs Néerlandais du XV siècle noemt de grote onbekende:
Le maître de l'école de van Eyck, nommé aussi le maître de 1480, en zegt verder, Tome I page 254.
‘Aucune des gravures de cet excellent maître ne porte, soit un monogramme, soit une date et nous ne possédons aucun renseignement ou document qui puisse nous apprendre quelque chose sur son compte, quoiqu'il ait été un graveur très productif, si nous en jugeons par le nombre d'estampes, se réduisant pour la plupart à un exemplaire chacune, que nous possédons de lui, et la quantité de copies que Israhel van Mechenen et Barthel Schön, exécutèrent d'après ses ouvrages, nous montre combien il était estimé de son temps.... Il tomba plus tard tellement dans l'oubli et ses gravures étaient devenues si rares en Allemagne que Bartsch lui-même n'en avait connu que huit...
Leur exécution ne laisse aucun doute qu'elles appartiennent à quelque peintre distingué de l'école de van Eyck vers les dernièrs vingt-cinq années du XVe siècle... Dans la longueur de ses hâchures et dans le fondu du ton, il laisse beaucoup en arrière tous les graveurs de l'époque.
Duchesne dans son Voyage d'un Yconophile page 77, dit qu'il a raison de croire que ce maître est Hollandais et de placer sa période d'activité vers 1480.
Nous avons déjà vu j'usqu'à quel point cette attribution est hasardée. S'il nous est permis d'exprimer une opinion, quant au lieu d'activité de l'artiste, nous ne pouvons admettre que le fait d'avoir trouvé la plupart de ses gravures dans le
| |
| |

De Onbekende Meester van 1480
KRUISDRAGENDE KRISTUS.
| |
| |
cabinet d'Amsterdam soit une raison suffisante pour le croire Hollandais, puisqu'elles n'ont été acquises pour cette collection que très récemment en 1806, à la vente du baron de Leyde.
(4) Vooral de behandeling van de vleugels van de engelen herinnert mij aan Memlinc. Maar het kan zeer goed zijn dat ik niet juist heb gezien.
Max Lehr zegt noch in zijn ‘Meister der Liebesgärten’.
Dresden, Bruno Schulze 1893.
Passsavant rechnet zu den Niederländischen Stechern den Meister der Liebesgärten, den Meister des Hausbuches, den Meister der Boccaccio Illustrationen, den Meister W.A. Alart Duhameel, sowie verschiedene Monogrammisten und Anonyme. Von diesen Meistern sind nach dem heutigen Stande der Forschung der Meister des Hausbuches und der Meister L.W. der oberdeutschen Stecherschule zugehörig. Die Monogrammisten S.M. und p. sind Stecher vom Anfang des sechszehnten Jahrhunderts und das Monogramm S.W. bezeichnet eine Fälschung.
Enkele van deze ‘Liebesgärten’ zijn allerliefst, vooral geven ze blijk van een zeer rijke, zeer dichterlike fantazie maar toch het gaat niet aan om ze voor het werk van onze anonymus te houden, zij verraden een veel minder ervaren hand.
Tot de meester met de banderollen, (Zie hierover het interessante boek van Max Lehr van die naam, 1806. Wilhelm Hoffmann Dresden), die men ook al voor de auteur van de 89 gravuren heeft gehouden, staat op een veel lager trap van ontwikkeling dan hij, en bovendien zijn de banderollen bij hem altijd, bij de onbekende nooit beschreven.
Behalve al de reeds genoemde, verscheen er ook noch van Dr Carl Hachmeister, Mayer und Müller Berlin, 1897, een uiterst lezenswaardig brosjuurtje, over dit, het schijnt wel onuitputtelik onderwerp.
Max Lehr zegt:
(5) Allein auf einem einzigen Stich, der von Engelen gen Himmel geführten Maria-Magdalena no 50 scheint er sich dem Eindrucke der weit verbreiteten ältern Darstellung des Meisters E.S.P. (de meester met de banderollen) nicht völlig haben entziehen zu können.
Ook bespeurt hij, in tegenspraak met Passavant en Harze, weinig van de invloed van de school van van Eyck.
(Der Meister mit den Banderollen) Max Lehr bei Wilhelm Hoffmann.
Dresden 1886.
(6) Beispiel von einer den Weibern zu Liebe begangene Thorheit des weisen Mannes. De wijze Aristoteles draagt als een paardje, het mooie, jonge meisje op zijn rug, dat hem regeert met teugel en zweep.
De voorstelling is allerplezierigst en zeer goed en mienusieus; tot in alle détails zorgvuldig, - uitgevoerd, vooral in de beweging van de voortreffelik geschilderde handen.
(7) Max Lehr zegt over deze meester in zijn: Der Meister W.A. Druck und Verlag von Wilhelm Hoffmann, Dresden, 1895:
‘Unter den Kupferstechern des XV Jahrhunderts, deren Niederländische Herkunft bereits durch Passavant festgestellt wurde, nimmt der Meister W.A. künstlerisch unstreitig den ersten Platz ein, während er zeitlich den Meister der Liebesgärten folgt’ en verder ‘Passavant schliezt auf seine Niederländische Abkunft nur aus zwei Gründen: I das Verkommen des wortes ‘kraeck’ auf dem schiffe no 30, und dem Wasserzeichen des gothischen P mit der Blume, welches sich in dem Berliner Exemplar des Schiffes no 33 findet’.
Passavant zegt echter volgens M.L. niets van het versje op plaat 7, no 19, onder de voorstelling van de armen en de heilige maarschalk-martelaar Sint Quirinus, dat de kunstenaar zonder enige twijfel tot een Nederlander zou maken als de tiepen van de hem omringende bedelaars het niet reeds deden!
O, maerscalc Sancte Quiryn, martelaer groot
Bescermt ons voer den haestighen ga̅ doot
Over pestilenci e̅n va̅ ix plaghe̅ sekerlick
Als hoeftmarscalc van godswege va̅ hemelric.
| |
| |
Waarschijnlijk was deze meester een Vlaming, getuige het Burgondiese wapen in het Wener eksemplaar van 54 en het door Passavant niet erkende feit dat de meester W.A. ook de graveur van het grote wapen van Karel de Stoute, no 44 is... ‘und dasz wir für die Kriegs und Lagerscenen no 22-29, die Vorbilder im Heer dieses kriegerischen und prunkliebenden Fürsten zu suchen haben, dessen Flotte höchstwahrscheinlich, die ebenfalls aus 8 Blättern bestehende Folge der Seeschiffe no 30-37 veranschanlicht. Waarschijnlik behoorde hij dus tot de schaar van kunstenaars, die aan het hof van Karel de Grote leefden en die de krijgsroem van deze kunstlievende vorst in beeld brachten. Zeker is hij niet dezelfde als onze grote anonymus, hoewel er tussen de tiepen, die hij gebruikte en die van de meester van het huisboek, zeker, hier en daar, enige overeenstemming is. Zie no 19 plaat 7 van Meester W.A., 17a van Huisboek en 13 van de Onbekende. Het is echter weer tamelik wel een gezochte gelijkenis, zoals ze alle gezocht zijn.
(8) Zie vooral de anjelieren op het Liebespaar 75, de voorgrond en de bomen op 9, de dulen op 41, de anjers en het vruchtenkorfje op 48, de bomen op de overigens vrij wel mislukte afbeelding van Maria Magdalena op 49, de struikjes en bomen bij Aristoteles en Phyllis 54, en de klokjes en varens bij de zuigeling en de grijsaard, 58.
(9) Deze prent vooral is zeer schoon en naïef. Een voorstelling van Jozef en de Heilige Maagd, beiden spelend met het Kindje. Jammer, zeer jammer is het, dat Jozef zo'n ontzettend lelik boers tiepe vertoont en dat het voorhoofd, beide van de Maagd en van het kind, op de schromelikste wijze zijn mistekend - de houding, - de haren, - de kleding zijn echter overschoon.
De maagd zit op een laag muurtje met gras en plantjes begroeid, en Jozef speelt achter het muurtje, kiekeboe met het kindje en rolt een appel toe naar het grijpende handje. De achtergrond wordt gevormd door een struik boerenrozen en een stadsgezichtje met poorten en torens.
(10) Het voor de christus gebruikte tiepe, herinnert hier aan de bladen 12a 14a 15a 16a en vooral aan de Amazone heilige 17a van het ‘Mittelalterliches Hausbuch’.
(11) Ik heb hier alleen gerekend de 21 bepaalde tekeningen, de planeten, legerkampen, krijgstaferelen enz: met de allerliefste eerste tekening, de geillustreerde letter L, de jongen die met de steen gooit en de pronkende pauw op 16b. De overige zoals ik ze tel, 17 afbeeldingen van het huis, krijgs en akkermansbedrijf, die mij, wat de werktuigen betreft vooral, van een andere hand schijnen te zijn, telde ik hier niet bij.
(12) Op het voorbeeld van Retberg en Harzen, en op grond van het wapen, dat in het huisboek voorkomt, was men vrij wel overeengekomen om hem voor een Zuidduitser - een Zwaab te houden - maar toch behoren de wapens, die deze vraag moeten beslissen, niet tot een geslacht van de midden-Rijn, maar van Rijn-Pruisen... Wij vinden dit wapen op bladzij 34b. (Huisboek) tweemaal op de legertent s. 53. Het wapen, dat het meest in het huisboek voorkomt, is het wapen met de drie sparren. Wij vonden het op bladzij 24 op de windwijzer, dan op bl. 52a op het vaandeltje van een der wapens, eindelik zevenmaal aan de tenten in het leger, bl. 52.
De meester moet dus bizonder enge betrekkingen hebben onderhouden, met het geslacht dat dit wapen voert; Retberg heeft gemeend daarin het blazoen der von Werdesteins te herkennen en alle hebben het hem nageschreven. Diese Angabe ist aber falsch, wie sich jeder nachschlagen kann, wenn er im Sibmacherschen Wappenbuch nachsucht.
In Betracht kommen noch nur zwei Rheinfränkische Geschlechter, die überdies mit einander verwant waren, die Grafen von Hanau - drei rote Sparren in Gold, und die Herren von Eppstein drei rote Sparren in Silber. ‘Für einen Grafen von Hanau malte unser Meister das Liebespaar in Gotha (Zeitschrift fûr bildende Kunst’ der Meister des Hausbuches als Maler) wie das Wappen auf dem Bilde beweist. Maar daar de wapens niet gekleurd zijn, laat zich niet bewijzen, welk geslacht daar is bedoeld. Volgens de tegenwoordige beschildering, die waarschijnlik wel onder een latere bezitter van het huisboek is aangebracht, behoren
| |
| |
al deze wapens aan de Eppsteiners.. Diese müsste man auch ohne dies, als Inhaber der beiden groszen zelte, ganz rechts unten annehmen, die ausser dem Wappen mit den drei Sparren, noch das Württenbergische tragen, ein Umstand der auf eine engere Verbinding zwischen beiden Geschlechtern schlieszen lässt. Thatsächlich war Philip von Eppstein mit Margaretha von Würtenberg verheirathet. Diese starb am 21 April 1470.
Ed. Fleching, ‘der Meister des Hausbuches als Maler’.
(13) Harzen glaubt in dem jüngling mit dem Knoblauchwappen dasjenige der Frankfurter Patrizierfamilie Knoblauch zu erkennen, wohl nur weil er den Stecher mit dem Monogrammisten 6 (× 8, identificirt, der bekanntlich zwei andere Frankfurter Familiën wappen, die der Rohrbach und Holzhaus gestochen hat.
Max Lehr, Der Deutsche und Niederländische Kupferstich des 15ten jahrhunderts in den kleinen Sammlungen.
Die Lokaliesirung von Harzen, werd eerst door von Retberg en later door Robert Visscher nagevolgd, ‘der in seiner Studië zur Kunstgeschichte’ den Meister des Amsterdammer kabinets für einen Rheinschwaben erklärte und auf die genaue übereinstimmung der Kostümen in seinen Stichen mit denen auf Wolgemuts Doppelbildniss von 1473 in Dessau, aufmerksam machte... Für die Zugehörigkeit des Meisters zur Schwäbischen Schule, spricht nicht nur die stilistische Eigenart seiner Kunstweise, sondern auch das für die Süddeutsche Familie der Goldast gefertigte Hausbuch, in welchem wiederholt, die Württembergischen Hirschgeweihe und die Wappenzeichen der Werdenstein und Erbach vorkommen.
(14) Men vergelijke het slechts even met het Liebespaar op 75. De bloemenbladen, krullen enz., zijn op geheel andere wijze behandeld dan dit o.a. bij Petrus en Paulus is geschied.
(15) Max Lehr. Meister des Amsterdamer Cabinet.
Alle späteren Ikonographen, Nagler, Passavant, Klinkhamer, Renouvier, Kramm, Wiltshire und Lütnitz hielten an der Niederländischen Herkunft des Meisters fest, und Renouvier versuchte sogar selbst auch mit allem Vorbehalt ihn mit einem der in den Registern der Burgondischen Künstler aufgcführten Meister: Bestelmens oder Gillekin van Overheet zu identifizieren.
Max J. Friedländer zegt in zijn artikel Zum Meister des Amsterdamer Cabinets: in het Repertorium für Kunstwissenschaft XVII Band. 4 Heft.
Hier ist alles merkwürdig. Sogleich die beispiellose Seltenheit der Abdrücke. Bartsch hatte von diesem Stecher keine rechte Vorstellung und nannte nur wenige seiner Arbeiten, die er hie und da in öffentlichen Sammlungen zerstreut fand.
Dann sah man im Kupferstichcabinet zu Amsterdam, wo Bartsch nicht gesucht hatte, fast alle Arbeiten des Meisters beisammen. Duchesne und Andere, die zu ihrem Erstaunen auf die neue und starke Individualität stiessen, setzten die Thätigkeit des sehr malerisch gravierenden Künstlers in das classische Land malerischer Kunst, nach Holland, und fühlten dabei um so weniger Bedenken, wie sie eine bestimmte Vorstellung von der Holländischen Stechkunst des 15ten Jahrhunderts nicht haben konnten.
Man taufte den Meister nach dem Orte, wo seine Schöpfungen gefunden worden waren. Duchesne schlug den namen ‘Meister von 1480’ vor, mit der Angabe, auf einem der Blätter sei dieses Datum handschriftlich vermerkt. Die Zahl ist jetzt jedoch nirgends zu finden. Die Localisirung des Meisters in Holland liess sich nicht halten. Harzen schrieb ihm mitt vollkommenem Recht das in Wolfegg befindliche sog. Mittelalterliche Hausbuch zu, das für die Konstanzer Familie Goldast geschaffen ist. Die Forschung wurde nun geneigt, den Stecher für einen Rheinschwaben zu halten, und Meister des Hausbuches zu taufen, nachdem der auf irrthümliche Voraussetzungen gebaute Versuch Harzens, ihn mit Zeitblom zu identificiren, misglückt war’...
De ruimte ontbreekt mij hier om aan dit overigens zeer lezenswaardig artikel, noch verdere aanhalingen te ontlenen... Op pag. 271, oppert de schrijver
| |
| |
het vermoeden of de onbekendene Holbein wellicht ook één en dezelfde zijn geweest, en eindelik op pag 273. eindigt hij met deze woorden:
‘Im städtischen Museum zu Mainz, ist eine Bilderfolge des Marienlebens (no 299-307) von einem oberrheinischen Maler. Ludwig Scheibler hat auf den nicht verächtlichen Meister zuerst aufmerksam gemacht und einige Arbeiten seiner Hand zusammengestellt (Katalog von Sigmaringen, sub no 18) Der Maler erscheint recht selbständig und ziemlich unabhängig von Martin Schongauer, als dessen Nachfolger er hingestellt wird. Mir ist im Gebiete der oberdeutschen Malerei nichts aufgestossen, wasdem Stile nach den Schöpfungen des Meisters des Hausbuchesso nah verwandt wäre, wie diese, von 1505 datirte Bilderfolge. Vielleicht ergibt sich hieraus ein zweiter Anhaltspunkt zur Localisirung des anonymen Stechers neben den, von Lippmann betonten, unleugbar vorhandenen Beziehungen zu der Schwabischen Sypik, die in Augsburg zu Tage tritt.
|
|