De Gids. Jaargang 15
(1851)– [tijdschrift] Gids, De– Auteursrechtvrij
[pagina 370]
| |
Bibliographisch Album.Het Evangelie van Johannes, in deszelfs schoonheid beschouwd. Voor beschaafde Bijbellezers. Door C.H. van Herwerden, C. Hz., Theol. Doct. en Pred. te Groningen. Eerste Stuk. Nieuwe Uitgave. Te Groningen, bij W. van Boekeren, mdcccxlviii. Tweede Stuk, bij denzelfden en in hetzelfde jaar.De uitgave van dit werk behoort niet tot de gelukkigste ondernemingen. Bijna zestien jaren zijn verloopen, sinds het eerste stuk in het licht verscheenGa naar voetnoot1. Eerst in 1848 kon de schrijver daarop het tweede doen volgen. En nu is het nog zeer de vraag, of de drie overige stukken, waarmede deze arbeid zou voltooid zijn, wel ter perse zullen worden gelegd. Indien wij wèl onderrigt zijn, is het werk reeds geheel in handschrift voorhanden, maar is de aftrek van de uitgegevene stukken niet groot genoeg, om de uitgave der andere zonder schade te kunnen ondernemen. Doch misschien staat de zaak minder ongunstig dan men vreest. Althans uit de omstandigheid, dat de uitgever het werk thans nog ter beoordeeling aan de Redactie van ‘de Gids’ gezonden heeft, gelooven wij te mogen opmaken, dat hij de hoop om het verder te kunnen uitgeven nog niet geheel heeft laten varen. En wat ons betreft, van ganscher harte hopen wij, dat hij daarin niet teleurgesteld mag worden. Het zou, naar onze overtuiging, zeer te bejammeren zijn, als de rest van het werk moest achterblijven. Vóór de Redactie van ‘de Gids’ het ons ter beoordeeling toezond, kenden wij, gelijk velen, er slechts den titel van; want hoewel de schriften van Johannes, en dus ook het vierde Evangelie, in de laatste jaren het middenpunt onzer studiën hadden uitgemaakt, zoo meenden wij toch, bij den rijken voorraad van Godgeleerde geschriften, die daarover bestaan, het niet bepaald Godgeleerde, en dus ook het werk van van Herwerden, dat voor beschaafde Bijbellezers geschreven is, ter zijde te kunnen laten. Doch thans oordeelen wij geheel anders. Dit werk bevat uitnemend veel goeds en bruikbaars ook voor godgeleerden ex professo. Het is op de studeertafel van den predikant alles behalve misplaatst, en zal hem zelfs | |
[pagina 371]
| |
dikwijls van meer dienst kunnen zijn, dan de beste zoogenaamde Kommentaren. Ook hier vindt men eene doorloopende verklaring van het behandelde Bijbelboek, maar het is eene aesthetische. Zij maakt op de schoonheid, op de uitnemende waardij van het vierde Evangelie opmerkzaam. Zij leert het waarderen, hoogschatten, liefkrijgen. Met fijnen blik en zuiveren smaak begaafd, gaat de schrijver u voor, als een gids, die voor zijne taak ten volle berekend is. Hij neemt u als het ware met zich op eene wandeling door een oord, dat voor zuiver gevoel en warmen godsdienstzin eene zóó oneindige reeks van schoonheden ontsluit, dat zij u ligtelijk zou bedwelmen en overstelpen; maar aan zijne hand en bij zijne voorlichting gaat gij van stap tot stap voort, komt er orde en licht in alles, en overziet gij eindelijk met helderen blik het geheele tooneel. Wij, schoon met dat gebied tamelijk vertrouwd, hebben het ons geenszins beklaagd, dat wij ons nog eens aan zijn geleide hebben aangesloten, en zouden het een waar verlies voor ons zelven rekenen, als wij, door gebrek aan belangstelling van het Vaderlandsch publiek in zijnen arbeid, verstoken bleven van de gelegenheid om verder met zijn geleide ons voordeel te doen. Het zou een betreurenswaardig verschijnsel onzes tijds zijn, wanneer de uitgave van zulk een degelijk en met zorg bearbeid werk om die reden moest gestaakt worden. Doch wij meenen ook onze bezwaren en bedenkingen tegen het een en ander niet te mogen terughouden. De schrijver had, onzes inziens, beter gedaan, als hij het vierde Evangelie op eene minder breede schaal bearbeid had, dan hij gedaan heeft. Misschien is de uitgebreidheid van zijnen arbeid wel de hoofdreden, dat hij minder belangstelling vindt, dan hij verdient. Werken van zoo langen adem vallen zelden in den smaak van het groote publiek, vooral als zij tot de godsdienstige literatuur behooren. Ook kwam het ons voor, dat er iets langzaams, iets schwerfälligs is in de wijze, waarop de schrijver zijnen weg voortzet, dat hij wat te veel in het minutieuse afdaalt, te lang stilstaat bij vele bijzonderheden, en zich overgeeft aan uitweidingen, die, schoon op zich zelve lezenswaardig, hier, waar het te doen is om het Evangelie in zijne schoonheid te leeren kennen, den gang der beschouwing stremmen. - Bovendien zouden wij wel willen vragen, of het eigenlijke doel, de aanwijzing der schoonheid van het Evangelie, niet wel eens door den schrijver is voorbijgezien, of soms niet alles, wat hij aanmerkt, nederkomt op eene gewone populaire paraphrastische verklaring, waarbij de aesthetiek ten eenemale zwijgt? Wij weten zeer goed, dat er juist niet overal schoonheden zijn op te merken, en wij gelooven zelfs, dat de schrijver nu en dan schoonheden, of eigenaardige beteekenisvolle partijen vindt, waar zij niet voorhanden zijn (bijv. I, bl. 37 het: Johannes antwoordde, zeggende; bl. 68 het vinden van Simon; bl. 161, de benaming de Heer, Joh. IV: 1; II, bl. 217, het staan en roepen van Jezus). Maar juist daarom moest hij, dunkt ons, ook niet zulk eene doorloopende, bij alles stilstaande verklaring geleverd hebben. Naar ons gevoel had er voor eene aesthetische beschouwing van Johannes' Evangelie een betere vorm gekozen kunnen worden, en moest de schrijver begonnen hebben met eene beschouwing van het geheele plan des Evangelies, en vervolgens zijne schoonheden tot eenige rubrieken hebben gebragt en in afzonderlijke schetsen voorgedragen. Dan had hij van zelf ook het matte vermeden, dat bijna allen Kommentaren aankleeft, en deze soort van schriften gewoonlijk tot de minst boeijende lektuur maakt. - Ook vroegen wij wel eens bij de lezing, of de schrijver niet somwijlen vergeet, dat hij eene aesthetiek van het Evangelie van Johannes, van het geschrift heeft te leveren, en niet van 's Heiland daden en redenen op zich zelve. Bij bijzonderheden, waarop de vorm der mededeeling van den Evangelist geenerlei invloed kon uitoefenen, wordt evenzeer over het schoone uitgeweid, als waar er | |
[pagina 372]
| |
van die mededeeling zelve sprake is. Soms scheen het ons zelfs toe, dat de schrijver, om den Evangelist te verheffen, hem eenen invloed op het medegedeelde toekende, waarbij de strikte geloofwaardigheid van zijne berigten in gevaar komt. - Eindelijk moesten wij ten aanzien van onderscheidene bijzonderheden van den schrijver verschillen. Zoo gelooven wij vastelijk, dat hij (met velen) Johannes op een te pneumatisch, te zeer veredeld standpunt plaatst, vooral daardoor, dat hij alle sporen eener zinnelijke, oud-Christelijke eschatologie bij hem wegredeneert. Het is voor mijn gevoel onwedersprekelijk, dat die plaatsen uit het Evangelie, welke de Hoogleeraar Scholten in den laatsten tijd er uit heeft willen verwijderen, een iegelijk, die haar niet aan het snoeimes der kritiek kan prijs geven, noodzaken, zich den Evangelist voor te stellen, als in het genoemde opzigt nog eenigzins door het zinnelijke joodsch-christelijke standpunt geinfluenceerd. Dit, dunkt ons, volgt uit de keurige exegetische opmerkingen van den Hoogleeraar Scholten onmiskenbaar. - Het doopen in eenen Heiligen Geest, Johann. I, 33, I. bl. 50, wordt door eene goede exegese gewraakt, die, dewijl het doopen in het element des Heiligen Geestes, tegen het doopen in water overstaat, slechts de vertaling doopen in Heiligen Geest kan toelaten. - Dat de Heer ‘der Joden vaders nooit zijne vaders, hunne wet nooit zijne wet noemt, en het altijd: uwe vaders, uwe wet is’, bijv. Joh. VI: 50, omdat ‘Hij van zin en geest mensch, geheel en al mensch is,’ bl. 131, moeten wij weêrspreken. Hij vereenzelvigt zich, Joh. IV: 22b: ‘Wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden,’ wel degelijk met dat volk, maar daar, waar Hij tegenover de Joden stond, vloeide het uit het standpunt, waarop hij zich bevond, van zelf voort, dat Hij uitdrukkingen koos, waarbij geene punten van aanraking, die Hij met hen had, in het oog vielen. Ook volgde dit reeds daaruit, dat Hij de stichter was eener nieuwe bedeeling. - Dat het Betanië aan de Jordaan eene stad kan genoemd worden, I, bl. 41, betwijfelen wij zeer. - In des schrijvers begrip van den Logos, vonden wij mede ons zelven geenszins terug. - Ook tegen de verklaring van het opklimmen en nederdalen der engelen Gods, Johann. I: 91, hebben wij bezwaar. Doch waartoe zou het dienen, alles, wat wij niet kunnen onderschrijven, hier op te zamelen? Zoo willen wij alleen nog zeggen, dat de reeks van zulke bijzonderheden vrij wat korter zou zijn, dan van die punten, waarbij wij ons gaarne aan des schrijvers zijde stellen; dat wij, van onze feilbaarheid overtuigd, weten, dat, waar wij afkeuren, de schrijver ligtelijk tegenover ons regt hebben kon; dat wij, in weerwil van alles, wat wij anders wenschten, het werk, gelijk het daar ligt, eene schoone parel noemen aan onze Godgeleerde letterkunde, en dat wij alle beschaafde en verlichte Bijbellezers met aandrang raden, zich dit werk aan te schaffen.
A. NIERMEYER. | |
[pagina 373]
| |
Abu'l-Fath' Muh'ammad asch-Schahrastâni's ‘Religionspartheien und Philosophen-Schulen.’ Zum ersten Male vollständig aus dem Arabischen übersetzt und mit erklärenden Anmerkungen versehen von Dr. Theodor Haarbrücker, Privatdocent der orientalischen Literatur an der Universität Halle, Mitglied d.D.M. Gesellschaft. Erster Theil. Die muh'ammedanischen, jüdischen, christlichen und dualistischen. Religionspartheien. Halle, C.A. Schwetschke u. Sohn. 1850. 8o.Onder de vertalingen van Oostersche werken, welke in den laatst verloopen tijd zijn uitgegeven, bekleedt de bovengenoemde eene voorname plaats. Hen, die zich aan de beoefening der Arabische letterkunde niet opzettelijk wijden, en nogthans in de geschiedenis van de geestelijke ontwikkeling des menschdoms belangstellen, stelt zij in staat te vernemen, wat een geleerde Muzelman der 11de eeuw onzer jaartelling van den Islām, het Jodenen Christendom, het Dualisme en Sabéïsme, zoowel als van de Wijsbegeerte der Grieken, de eeredienst der oude Arabieren en Indiërs, zelf waargenomen en gehoord, of in vele werken, waarvan sommige nu verloren zijn, gelezen had. Hij werd geboren in het jaar der Hedjra 479 (1086 na Christus) te Schahrastān in Khorāsān, hoorde er eenige beroemde mannen, begaf zich later naar Naisāboer en Bagdād, en stierf in zijne geboortestad in 548 (1153) of in het volgende jaar. Behalve het hierboven vermelde werk, schreef hij nog eenige andere, tot nu toe minder bekend, en waarschijnlijk niet van zooveel belang, als dat, welks vertaling nu ondernomen is. Met regt werd het onder de Muzelmannen hooggeschat en vlijtig gebruikt, en daardoor spoedig aan de Europesche geleerden bekend. Tot toelichting van de gevoelens der Mosleemsche secten werd het reeds met vrucht geraadpleegd door Ed. Pococke, ‘Spec. Hist. Arab., 1649’, door Abraham Ecchellensis in zijn geschrift tegen Seldenus, en door Hyde, ‘Hist. rel. vet. Pers., 1700.’ Van hunne berigten bedienden zich vervolgens Maracci in zijn ‘Prodromus ad refutationem Alcorani’, en Sale, in de inleiding zijner vertaling ‘the Koran, Lond. 1734.’ Later gaf de Sacy, ‘Chr. Ar. I, bl. 360 en volgg.’ een nog onbekend brokstuk van dien schrijver uit, handelende over de Joden, en na hem werd zijn werk gebezigd door Schmölders, ‘Essai sur les écoles philosophiques chez les Arabes, Paris 1842’, en door von Hammer Purgstall, bij zijne optelling der Islamitische secten, ‘Wien. Jahrb. 1843, Hft. 1’. Cureton leverde eerst den Arabischen tekst in zijn geheel, en slaagde daarbij uitnemend. Het werk had tot titel: ‘Book of religious and philosophical sects, by Muhammad Al-Shahrastáni. Now first edited from the collation of several mss. by the Rev. William Cureton. London: printed for the society for the publication of oriental texts.’ Het 1ste deel daarvan zag in 1842, het 2de in 1846 het licht, met eene aankondiging, dat men van diezelfde hand eene Engelsche vertaling te verwachten had. | |
[pagina 374]
| |
Hoe gaarne men die belofte spoedig had vervuld gezien, is zij echter tot nu toe niet verwezenlijkt. En echter zal niemand zich daarover verwonderen, noch den wakkeren man van ijverloosheid beschuldigen, die bekend is met de tot onzen tijd toe onuitgegevene Syrische werken, waarmede hij in de laatste jaren de Semitische letterkunde, zoowel als de studie der Patristiek verrijkte. Bij de blijvende behoefte eener vertolking van bovengenoemd werk, moest dus het berigt, dat een Duitsch geleerde, een man reeds met grooten lof bekend, en voor zulk eene onderneming bevoegd, die zware taak op zich nam, aan ieder hoogst welkom zijn. Aanvankelijk stond hem daartoe alleen ter dienste de nu uitgegeven Arabische tekst, doch ontbrak hem tot juiste verklaring van plaatsen, die hij niet volkomen verstond, de vergelijking der variae lectiones, welke Cureton besloten had eerst met zijne vertaling mede te deelen. Deze echter vergoedde hem dit gemis door de edelmoedige toezending van zijn HS. v.h. Britsch Museum, waarop hij de varianten had aangeteekend. Vervolgens erkent de vertaler veel verschuldigd te zijn aan de mededeeling der kritische opmerkingen van Prof. Fleischer op den Ar. tekst, en de medewerking, die hij in het volbrengen zijner taak van Prof. Rödiger steeds ondervonden heeft. Door Dr. Schwetschke, den schrijver van den ‘öst-westlicher Diwan,’ zijn de aangehaalde verzen in het oorspronkelijk metrum overgebragt. Geeft reeds het gezegde een goeden waarborg voor de deugdelijkheid dezer vertaling, hare inzage zal die gunstige verwachting niet te leur stellen. Zij is niet, gelijk zoo menig stuk van dien aard, vlugtig bewerkt, maar na met vlijt en zorgvuldigheid voltooid te zijn, eenigen tijd daarna nog eens naauwgezet herzien. Zooveel het Hoogd. taaleigen toelaat, is zij woordelijk, en geeft den zin getrouw en juist terug. Op plaatsen, waar hem dit minder gelukte, wil de vertaler zelf in het vervolg terugkomen. Waar de woorden van den schrijver eenige opheldering vorderen, zijn er korte noten onder den tekst geplaatst. Om deze echter zooveel mogelijk te bekorten, heeft de vert zich voorgenomen afzonderlijke aanmerkingen bij het 2de en laatste deel te voegen, in welke hij van elders en vooral uit den ‘Mawākif,’ door Soerensen in 1848 te Leipzig uitgegeven, omtrent zaken en personen datgene zal medepeelen, wat door den schrijver niet vermeld wordt, en tot opheldering van het daar gezegde onmisbaar is. Tot beter overzigt van het geheel, heeft de vert. te regt het werk in deelen, boeken, afdeelingen en hoofdstukken gesplitst, die echter in de HSS. ontbreken, en daarom ook in de Arab. uitgave niet vermeld zijn. Hoe de Arabische namen in het Hoogd. zijn teruggegeven, wordt in het Vorwort vermeld, met bijvoeging der belofte, dat het 2de deel spoedig volgen zal, begeleid met een Register van namen en zaken, en de reeds vermelde aanmerkingen, waarbij de 5de zoo gekunstelde voorrede des schrijvers niet ontbreken zal. Wij wenschen voor dit werk ook in ons Vaderland eene goede opname. Men kan zich verzekerd houden hier niet slechts voor de geschiedenis van den Islām hoogstbelangrijke bijdragen te zullen aantreffen, maar ook, om van andere zaken niet te gewagen, veel te vinden wat Christenen en Israëliten meer van nabij betreft. Onder zonderlinge voorstellingen, gelijk men die van een Muzelman verwachten kan, ontmoet men menigmaal wenken, die der behartiging waardig zijn, en berigten, welke bij Westersche schrijvers ontbreken. Onder deze laatste verdient de vermelding der Joodsche sekten, die onder den invloed van het Islamisme zich vormden, eene bijzondere opmerking.
T.W.J. JUYNBOLL. | |
[pagina 375]
| |
Handboek der Pharmakognosie, door Dr. A. Wiggers. Naar de tweede Hoogduitsche uitgave voor Nederlanders bewerkt, door D.J. Coster, M.S. Met eene Voorrede van F.A.W. Miquel, M.D., Hoogleeraar in de Genees- en Plantenkunde te Amsterdam. - Amsterdam, M.H. Binger, 1849.Het lijvige boekdeel, dat vóor ons ligt, is eene overzetting der tweede uitgave van den Privaatdocent te Göttingen, Dr. A. Wiggers', ‘Grundriss der Pharmakognosie’, die in 1847, de eerste van 1840 was opgevolgd. Het oordeel, dat deskundigen van 't binnen- en buitenland over dit werk uitspraken en de praktische nuttigheid, waardoor 't zich ruimschoots wist aan te bevelen, deden bij den Heer Coster het denkbeeld ontstaan, 't gevierde Handboek in onze taal weder te geven, met zoodanige bijvoegselen en wijzigingen, als hij voor 't Nederlandsch publiek nuttig en oirbaar achtte. Dr. Miquel heeft, met eene kleine Voorrede, de overzetting bij den Lezer willen inleiden. De verschijning van een Handboek, zoo geschikt als het onderhavige, mag gewis van bijzonder belang worden beschouwd voor de wetenschap der Pharmakognosie of Waren-kennis, die ten onzent, maar ten onregte! gewoonlijk dor en vervelend gescholden en slechts zooveel beoefend wordt, als noodig is, om den aanstaanden geneeskundige, den pharmaceut of droogist door zijn examen heên te helpen. Zulke scheeve opvatting en misduiding der waarde en nuttigheid van dezen tak van wetenschap, ligt gedeeltelijk aan de beperktheid van het terrein, dat de studie der Pharmakognosie zich scheen af te bakenen, omdat er weinig werd aangedrongen op de grondige beoefening eener reeks van hulpwetenschappen, die met haar éen geheel moeten vormen en leven en bezieling schenken aan eene studie, welke zich maar al te dikwerf bepaalt tot eene dorre nomenclatuur of de opsomming van onderscheidende kenmerken, waaraan de band ontbrak, die ze bij éen moest houden en ordenen. Bij de meer algemeene beoefening der natuurwetenschappen, door zoo velen als die eertijds met geringschatting behandelden, moet de waarde en beteekening der Pharmakognosie, in 't oog harer adepten, grooter worden, en gewis heeft menigéen, ter eigen onderrigt, verlangend uitgezien naar een leiddraad, die hem, langs de baan der nieuwer ontwikkeling, tot kennis voeren zou. Zulk een leiddraad wordt u door Dr. Wiggers' Handboek aangeboden. Het werk is ingerigt naar 't volgend schema: I. Inleiding (blz. 1-15), die tevens eene tamelijk volledige Literatuur bevat, waarin de Nederlandsche werken niet vergeten zijn. Daarop volgt: II. Pharmakognosie des Plantenrijks - een zeer uitvoerig hoofdstuk (bldz. 16-652), dat de aan het plantenrijk ontleende geneesmiddelen behandelt, in eene rangschikking, gebouwd op 't Bartling'sche systeemGa naar voetnoot1. Dr. Wiggers koos deze, omdat hij iedere andere rangschikking als onwetenschappelijk of ondoelmatig meende te moeten verwerpen. Bij de streng alphabeti- | |
[pagina 376]
| |
sche bijv., vormt ieder vegetabilium een op zich zelf staand lid, dat met bet groot geheel volstrekt niet schijnt zamen te hangen; daardoor wordt de Pharmakognosie niets meer dan eene verzameling van beschrijvingen en herhalingen even vermoeijend voor 't geheugen als afstompend voor den geest. Een tweede rangschikking der vegetabiliën in groepen, gevormd volgens de gewigtigste deelen der plant, zoo als wortels, schorsen, zaden, e.z.v., wordt gewoonlijk gebruikt, maar is daarom niet meer wetenschappelijk, en wordt verre overtroffen door de derde en hier gevolgde wijze van rangschikking, de grondvesting der Pharmakognosie op de stelsels der Botanie, zoodat ze eene onmiddelijke voortzetting der zuiver kruidkundige beschouwingen vormt en tot de Botanie ongeveer in dezelfde verhouding staat als de Pharmacie tot de Scheikunde. 't Valt in het oog, dat deze laatste manier van ordening verreweg de voorkeur verdient, maar omdat het Linneaansch systeem aan alle verhoudingen niet genoegzaam voldoet, koos men het natuurlijk stelsel, dat, in ieder opzigt, geschikt is om voor de Pharmakognosie tot basis te strekken. De klassen en orden van het Linne'sche Sexuaalstelsel, zijn bij ieder geslacht met een Romeinsch en Arabiesch getalmerk aangegeven. III. Pharmakognosie des Dierenrijks (bldz. 653-723). De beschouwing van de artsenijmiddelen uit het Dierenrijk is ingerigt op dezelfde wijze als, ín 't voorgaande Hoofdstuk, geschiedde ten opzigte der geneesmiddelen uit het Plantenrijk; ze is op 't Zoölogiesch stelsel van Cuvier gegrond en derhalve in vier hoofdgroepen en negentien klassen verdeeld. IV. Pharmakognosie des Delfstoffenrijks (bldz. 724-732). Dit hoofdstuk, 't geen echt stiefmoederlijk bedeeld is, kon gevoegelijk uit ons Handboek worden gemist, dat daardoor in ronding en éenheid zou gewonnen hebben. Dr. Wiggers zelf erkent, dat dit gedeelte der Pharmakognosie zijne vroegere beteekenis verloren heeft, omdat de mineralogie, chemie en pharmacie zich grootendeels hebben toegeeigend, wat vroeger tot de artsenijwarenkennis van het Delfstoffenrijk gebragt werd. Hij vermeldde het hier opgegevene dan ook alléen, ‘om 't niet met stilzwijgen voorbij te gaan.’ Een uitvoerig Register (blz. 733-807) en een Aanhangsel van Synonymen (blz. 807-844) besluiten het Handboek. De Vertaler, van wiens ijver en naauwgezetheid de overzetting talrijke sporen draagt, heeft het oorspronkelijke in doorgaans zuiver Hollandsch weêrgegeven, dat maar hier en daar zijn Hoogduitschen oorsprong verraadt. De tusschen [ ] geplaatste bijvoegselen, zijn meestal verrijkingen van den tekst, en de aanwijzing der nederduitsche literatuur over de behandelde onderwerpen zal den landgenoot gewis hoogst welkom wezen. Wij meenen vrijheid te hebben dit ‘Handboek der Pharmakognosie’ ruimschoots aan te bevelen, en de meening uit te spreken, dat door de uitgave van dit werk eene bestaande behoefte doelmatig is vervuld. - De Heer Binger heeft gezorgd voor goed papier en een helderen, roijalen druk, die de uitvoering der Hoogduitsche uitgave verre overtreft. 't Moge een drangreden te meer wezen, om de verspreiding van dit nuttige boek te ondersteunen en te bevorderen.
1850. R. | |
[pagina 377]
| |
De Grondslag van de Maatschappij der Toekomst. Eene voorlezing door J.P. Heije. (Uitgegeven ten voordeele van het Volks-Zangonderwijs te Amsterdam.) Amsterdam. J.H. en G. van Heteren. 1850.Op éenen dag zond mij de redaktie van den Gids bovengenoemd opstel ter recensie, en die van het, sedert met den Recensent gehuwd, Letterlievend Maandschrift - de brochure van Dr. van Osenbruggen, over ‘de eenzijdige rigting van onzen tijd.’ ‘Décidément,’ zeide ik, ‘men heeft het er op toegelegd, om van mij de oplossing van het sociaal problema te vernemen......’ Jammer maar, dat al hetgeen er vleiends in dien toeleg, maar dan ook aanmatigends in de ontdekking mag wezen, zijn gewicht verliest, sints aan allen, ‘die van goeden wille zijn’ de ‘vrede op aarde’ werd aangezegd, en sints de ‘Blijde Boodschap’ in alle waerelddeelen hare verkondigers had. De laatste aanmerking spreekt het voorbehoud uit van den lof, aan Dr. Heijes verhandeling te geven. Die Heije noemt - noemt een leven van orde, van arbeid, van opoffering; noemt een charakter, dat rechtschapenheid en menschenliefde aan edele formen paart; noemt een hart, ontvankelijk evenzeer voor al wat zedelijk goed als wat aesthetiesch bekoorlijk is; een verstand, even begeerig om te kennen als vaardig om te verwerken; een wil, ieder oogenblik bereid om de rezultaten van waarneming en studie met onverbiddelijke konsequentie en onvermoeiden ijver in het praktiesch leven over te brengen. Heijes deugden zijn de zijne; de feilen, die hij begaat (wij spreken altijd van den publieken mensch), moeten aan de omstandigheden geweten worden, onder wier invloed hij leeft. ‘De grondslag van de maatschappij der toekomst...... Alwederom,’ zegt de gewone lezer, ‘een wijsgeer, die ons wil doen gelooven, dat de menschenwaereld 6000 jaar om haar as gedraaid en, op verschillende tijdstippen, meer dan 6000 wijsgeeren voortgebracht heeft, om ten zoo-veelsten male iemant het woord te gunnen, die het recht heeft te zeggen: noch Mozes, noch Confucius - noch Plato, noch Aristoteles - noch Bernardus, noch Abailard - noch Kant, noch Hegel - noch Lamennais, noch Lacordaire - noch éen van allen had de waarheid - maar zie ze hier! Mijner is het wapen der studie, waarmeê thánds eerst het hoofd van den Oppergod gekloofd is, om de ware Minerva aan het licht te brengen. Zes-duizend jaar heeft men gebeuzeld, niet wetende “van waar”, noch “waarheen” - intusschen zijn er honderd-duizenden redelijke wezens opgekomen en vergaan - die geen deel aan de waarheid konden hebben, wijl ze nog niet geboren was - mais, la voici!’ Wat er miskennends voor Dr. Heije in die beoordeeling gelegen moog zijn - ik mag niet verbergen, dat hij er, naar mijn oordeel, aanleiding toe geeft. | |
[pagina 378]
| |
De grondslag van de maatschappij der toekomst: dat moet iets nieuws, iets nog onbeproefds, geheel een voortbrengsel van het heden zijn. Inderdaad, tot dus verre, en ‘te lang’, zegt de Schrijver, heeft men zich, ‘bijna onbewust’ (sic), ‘laten voortstuwen door de aandrift van [het] gemoed, om tranen te droogen, leed te verzachten, dorstenden te laven, hongerigen te spijzen en wel te doen zonder om te zien. De tijd, waarin wij leven, doet een ernstiger eisch.’ Wat zal de grondslag van de Maatschappij der Toekomst zijn? ‘De Liefde’. Hoor ik wel? - Ja zeker, de edeldenkende Schrijver zegt te zullen spreken over ‘Liefde, als de voorwaarde, het karakter en den grondslag van het toekomstig geluk des menschelijken geslachts.’ Goede God! is het zóo ver met de maatschappij gekomen, dat een zulke stelling met het accent der nieuwheid, ja zelfs eenigermate met dat eener schuchterheid, die meent verschooning te moeten vragen, in een kring van Christenen vooruit wordt gezet? Luister hoe de Schrijver, die ter katheder van het Nut van 't Algemeen zijne redevoering uitsprak, voortgaat: ‘Belangstelling daarvoor te vragen behoef ik zeker niet in eene Maatschappij, welker zinspreuk die voorwaarde in zich bevat, welker innigste wezen dat karaktermerk draagt, welker onvermoeid en veelzijdig streven, sinds meer dan eene halve eeuw, op dien grondslag berust.’ Om dat dan, voor meer dan een halve eeuw (!), de stichting van Jan Nieuwenhuyzen tot stand kwam, en het Nut van 't Algemeen in haar fronton schreef - daarom-alleen, of althands voornamelijk daarom, zegt men, bij wijze van verschooning, dat men eenigen moed op de belangstelling van Christenen heeft, als men raadt en spoort tot Liefde. Maar, hoe veel eeuwen was de Liefde reeds een Goddelijk voorschrift geweest, alvorens eene menschelijke raadgeving te worden! Ziet gij dien boom met fierheid en schijnbaar in vollen bloei de kruin ten hemel heffen? Zóo prijkte de boom der welvaart van de europeesche maatschappij, tot voor twee, drie jaren. Kort geleden brak de storm los dien gij hebt hooren uitbarsten, ‘en de trotsche boom stortte neder met een' slag, waarvan aarde en hemel daverden, en die alles wijd om zich nederplofte en verpletterde.’ 't Was, dat sints lang een onaanzienlijke worm, die zich vermenigvuldigde tot duizendtallen, aan den wortel had geknaagd. ‘Tusschen schors en stam slopen zij verder en verder, tot in de fijnste takken, en verteerden het merg en de sappen.’ In den boezem van die fiere gestalte was een verborgen kanker ontkiemd, en ‘greep meer en meer om zich heen, vergiftigde het bloed tot in de teederste vaten, tastte de edelste deelen aan en vernielde het beginsel des levens.’ ‘Die worm, die kanker was: de Armoede.’ Daar gaapt een afgrond voor onze voeten. Toen wij begonnen zijn ze te bemerken, hebben wij, ter demping, er in geworpen wat wij hadden, wat ons het eerst ontbeerbaar scheen; de diepte verzwolg het al, en gaapte al wijder en wijder; geld en goed werpen wij er in - wat zal ons voor morgen tot offer overblijven? ‘Ieder stuk gouds of zilver doet in het vallen iets van haren rand afbrokkelen,’ vreeslijker gaapt telkens de donkre kolk ons aan - ‘ook de plek, waar gij op staat, waggelt reeds...... Waar is uitkomst, waar is redding?’ Volk van Nederland! tenzij gij, als die romeinsche jongeling, u-zelven ‘in de volledige wapenrusting des ligchaams en des geestes’ in de diepte werpt - kan zij niet gedempt worden. Maar doet gij dit - hebt gij moeds genoeg tot opoffering van u-zelven, ‘met al de hulpmiddelen, waarover gij beschikken kunt, met al de wijsheid des verstands, maar meest met uw | |
[pagina 379]
| |
hart, met heel uw liefde’ - dan zal de klove zich sluiten ‘en bloemen en vruchten uit haren gevulden schoot voortbrengen.’ O dat ik een waardige, welverdiende, hulde kon brengen aan het vurig gemoed, dat in een schildering, waarvan ik maar een enkelen voortreflijken trek heb aangeduid, de noodzakelijkheid betoogt van een algemeener en meer ingrijpende toepassing van het gebod der liefde! Is dit mijn zwakken krachten ontzegd - ik zal mogelijk eenigen balsem kunnen gieten in de wonde, welke de edelste deernis in dat gemoed geslagen heeft. Want ja, het is bij den schrijver, wiens voorlezing wij beoordeelen, deernis, diepe deernis, warm en innig medelijden, dat bereid schijnt in eene heldhaftige zelfopoffering over te gaan, die hem deze sombere en (waarom het verbloemd?), deze vreesaanjagende tafreelen deed ophangen. Hij-zelf, wij gelooven het oprecht, is niet door de vrees bekropen geworden, waarmeê hij de ziel zijner hoorders en lezers in de engte brengt. Hij heeft zich slechts van die vreeswekking als van een middel bediend, om te doen aanvullen, wat het vruchtbaar en werkzaam medelijden, wat de heldhaftige liefde ongedaan mocht laten. Wij keuren dat middel niet af - al schijnen ons de weldaden, die het baren zal, minder verheven dan de vruchten der zuivere, der belangeloze liefde. Wij mogen intusschen de schildering-zelve niet van overdrijving vrijpleiten, en moeten er een oogenblik bij stilstaan, om dat eene miskenning van den normalen toestand der maatschappij, die er in voorkomt, leiden kon tot eene verkeerde aanwending van de werken der liefde, en onmisbare te-leur-stelling harer uitzichten. De armen zijn er altoos geweest - en wij zullen ze altoos met ons hebben. Dit schijnt de Schr. een weinig uit het oog te hebben verloren. De Schr. schijnt te vergeten, of te ontkennen, dat de armen een noodzakelijk bestanddeel van het menschdom uitmaken, gelijk het leeft in eene christelijke maatschappij. De armoede - de deugdzame behoeftigen kunnen ze even min missen als de weldadigen. Waar zou de liefde, de eerste der christelijke deugden, waar zou ons levensdoel, waar zou ons werk en ons loon heen - zoo er geen armoede ware; zoo de menschheid inziende, dat zij door den afgrond van het Pauperisme verzwolgen stond te worden, uit welbegrepen eigenbelang eene gelijkere verdeeling van bezittingen ondernam, en uit zucht tot maatschappelijke orde en zelfbehoud, naar vaste tabellen, alom in alle stoffelijke en geestelijke behoeften voorzag? ‘Maar wilt gij dan de armoede organizeeren?’ vraagt men mij wellicht. ‘Wilt gij eene nooddruft bijna kunstmatig in stand houden, opdat eene deugd gelegenheid vinde in uitoefening te worden gebracht?’ Dat wil ik niet - en het is er ver van daan, dat, ten spijt van de vorderingen der économie, de nooddruft door dwangmiddelen zou behooren in 't leven geroepen te worden: maar ik wensch, dat men de armoede niet afschildere als iets absoluut kwaads en vreeselijks, als een ‘kanker’, die knaagt aan de maatschappij. Die denkbeelden zijn althands niet te putten uit de leer van Hem, die ook door Heije onze ‘Goddelijke Heiland’ wordt genoemd, en op Wien ook in zijn opstel wordt gewezen als op ons hoogste voorbeeld der liefde. Ik wensch, dat men, hen die met geestelijke en stoffelijke krachten gezegend zijn opwekkende tot helpen en weldoen - tevens, bij het charakterizeeren der Armoede als verschijnsel, zal wijzen op het geluk, dat er in gelegen is arm te zijn, wanneer men zich kinderlijk onderwerpt aan Gods beschikkingen; ik wensch, dat men recht zal doen aan de vreugde des behoeftigen, die zich door zijn lijden, zijn hongeren en dorsten, groote schatten in den Hemel vergaderd heeft; ik wensch, dat men het waardeere, hoe veel lichter het den arme, den kleine, zal vallen Daarboven binnen te gaan, dan | |
[pagina 380]
| |
den rijke, wien het zoo bezwaarlijk zal zijn als den kemel te geraken door het oog eener naalde. En dan - wanneer men de armoede niet in zich als een kwaad is gaan beschouwen - wanneer men de overtuiging gekregen heeft, dat zij een middel tot veredeling onzer ziel en verzekering eener zalige toekomst kan zijn: dan zal men ook niet uitsluitend trachten de armen tot zich op te heffen. De zaak, die men met het woord Patronaat aanduidt, is een schoone en heerlijke zaak, die alom verdiend geprezen en in uitvoering gebracht te wordenGa naar voetnoot1; zij is dan ook niet van heden of gister. Zie de Kerk in alle eeuwen: hoe zij iederen mensch, bij het doopen in den naam van God en met den naam eens Heiligen, meer bijzonder onder des laatsten bescherming en onder den invloed van zijn voorbeeld stelt; hoe zij hem een Engel-bewaarder toekent, en hem, ook op aarde, in den Biechtvader, den vriend, den beschermer geeft, dien men zoo menig maal behoeft. Zie hoe de Kerk jongelingen en jongedochters op het tederst tot zich neemt, hen opvoedt, hen vormt; en vaak de verworpelingen der aarde tot uitdeelers der goddelijke gaven zalft, tot leeraars der onwetenden, tot bezoekers der gevangenen, tot spijzigers der nooddruftigen, tot verzorgers der zieken. Ziet die kloosters, die broederschappen, bij honderden in alle landen verspreid, en alléen gewijd aan het plegen van liefdewerken! Beschouw met onvooringenomenheid het beginsel, het moederdenkbeeld dier stichtingen - wijt aan dit niet de ongeoorloofde afwijkingen en misbruiken, die op sommige tijdstippen ook dáar getuigenis van het menschelijk onvolkomene hebben afgelegd - en zeg mij, of de moderne filanthropie iets anders is dan een gebrekkig plagiaat uit het liefdeboek der middeleeuwen. Die kloosters - ze voorzagen zelfs in veel, wat de hedendaagsche filanthropie over het hoofd ziet. Ik spreek niet alleen van een diep ingrijpende Godsdienstige opvoeding der beschermden; maar ik wil op die stichtingen gewezen hebben, waar de vindingrijkheid der liefde, bij het onvermogen om alle vernedering op te beuren, om in alle gebrek te voorzien, om alle doornen op den levensweg der beschermden uit te rukken, den liefderijke zich deed afstorten van den vaak hoogen maatschappelijken trap, waarop hij stond - om zijn schitterend riddergewaad met het aschgraauw kleed der vernedering te verwisselen, om zich-zelven klein te maken bij de kleinen, vrijwillig den bedelstaf ter hand te nemen, en den even armen maar minder moedigen broeder (zijn beschermde) toe te roepen: ‘Beminnen wij elkander, broedertjen! laat ons Gods Rijk zoeken, en al het overige zal ons toegeworpen worden - want het woord Gods is waarachtig.’ En dan gaf een derde zijn aalmoes, en zij-beiden droegen hun gebeden en zegeningen voor den liefderijken naaste aan God op, die ze met welbehagen aannam. want ‘wij zullen bidden voor elkander - en gered worden.’ ‘Lieve broeder, lieve zuster, de doornen van uw levensweg zijn minder scherp dan gij denkt - want zie, ter liefde Gods, verliet ik de effen baan der weelde, om uw moeilijk pad aan uw zijde te komen bestijgen: Moed gevat, broeders en zusteren! wij hebben de belofte.’ Zie, zou zoo'n barrevoetsche bedelmonnik niet vaak een nuttiger les voor den arme prediken, dan de meest welgezinde gentleman, die den arme niet troosten kan zonder hem op te heffen in een lichtkring, tegens wiens schittering zijne oogen niet bestand zijn? Troost in het leven te vinden - dat inderdaad komt mij voor het eigenlijk geluk te zijn: want, neen, ik kan het woord niet ongezegd maken, dat de aarde, van onzer zonden wege, verdoemd heeft, en haar, al heeft God ze zóo bemind, dat Hij | |
[pagina 381]
| |
zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, toch nog altijd de ‘doornen’Ga naar voetnoot1 doet voortbrengen, waar alleen met het zweet van arbeid en kommer vruchten van te lezen zijn; steeds is het einde de dood - en wij hebben grooter verplichting aan hem, die ons wél sterven leert, dan die ons de chloroforme reiken zou, opdat we de dood, die laatste armoede, waar niemant aan ontkomt, niet voelen zouden. Kan er dan vreugde en geluk in de armoede gevonden worden - zóo dat menig ze vrijwillig aanvaardt - dan is ze niet per se die vreeslijke kanker, welke het lichaam der maatschappij ondermijnt; en het schrikbeeld van den Schr. behoeft hem-zelven niet zoo schokkend aan te doen: het komt er dan maar op aan, dat men den arme vooral ook onderwerping leere; en den weg wijze, om in zijn stoffelijke armoede schatten voor de Eeuwigheid op te leggen, die den rijke niet verwerfbaar zijn. Deze waarheid, dat de armoede een natuurlijk bestanddeel der waereld is, moet vooral niet verdonkerd worden; want hare verdonkering is niet alleen miskenning van het Christelijk beginsel - maar opent de poort onzer maatschappij voor de woedende horden der socialisten; en het einde zal het bewijzen, dat geen redmiddel opmag, tegen het woord resignatie, met het oog naar Hooger. Moet men daarom de handen in den schoot leggen? God verhoede, dat mijne woorden tot zoodanige gevolgtrekking aanleiding geven, en de laakbare werkloosheid van velen, die met krachten en goederen toegerust zijn, 't zij vergrooten, 't zij verschoonlijk maken. Dr. Heije heeft te-recht getuigd: 't Is niet genoeg hier en daar een aalmoes te geven zonder omzien; daar moet gewerkt worden met ziel en lichaam, met bewustzijn, met overleg. God zegene zijn schoone taal, opdat ze daartoe een opwekking zij! Maar - de Heer Heije, zie ik, voert het zelf aan - zoo láng reeds is de liefde een gebod - en des niet-te-min is er nog steeds nooddruft aan liefde in de maatschappij: daarom ook heeft de Schr. de Armoede vooral geschetst als een gevaar voor hen die bezitten. Zou intusschen de stem van het Gevaar op den duur vermogen te doen, wat de stemme Gods hoe langer hoe minder (blijkends het toenemen der Armoede) schijnt uit te werken? Wij twijfelen er aan. De hooggeplaatsten staan te ver buiten den kring der Armoede, om te begrijpen wat daar omgaat. En richt het Pauperisme zich eenmaal op als overheerschende en gebiedende kracht, dan zullen de rijken geplunderd en ten onder gebracht wezen, eer zij 't vermoeden. En hoe zal het dan verder gaan? De nieuwe bezitters zullen (naar de orde der dingen) den lang weêrhouden teugel vieren aan hunne hartstocht; zij zullen despotiesch te werk gaan; zij zullen nog minder doen en geven dan de vroegere aristokraten - en op hunne beurt door een nieuw ontstaan pauperisme in den zelfden afgrond gestort worden, waar zij de vroeger benijden in neêrstieten: de barbaarschheid zal ten troon zitten; de dierlijke kracht zal de waereld regeeren. ‘Maar volgends den eisch der natuur’ - volgends ‘de ingeschapen wet’ - ‘om den wille der maatschappelijke orde’ - moet ieder van nu af gaan inzien, dat men onverpoosd voor het welzijn van zijn naaste geest en lichaam ten beste moet geven! Hoe vele millioenen zijn er, die zich van dien eisch, van die wet niet het minst in zúlke mate bewust zijn, dat het besef hen ook maar tot gedeeltelijke zelfopoffering dwingt! en hoe weinigen hebben ruimte in hun geest, om er een volledig tafereel der noodwendige maatschap- | |
[pagina 382]
| |
pelijke orde in op te nemen. Wij zien, wat duizendtallen van strijdige stelsels, die tot duizenden dadenreeksen in strijdige richting leiden, zoo haast de historische impulsie der feiten het toelaat - elkander bekampen, daar waar het Woord Gods niet als opperste en alles afdoende wetgeving wordt geëerbiedigd. Maar dat Woord Gods, dat gij behoeft om de menschen tot liefde te noopen - gij hebt het ondermijnd, met den grond des Gezachs wech te graven, waar het op steunde. De Typus-zelf van de hoogste liefde, het tafereel van den Lijdenden Verlosser, hebt gij met een sluier van twijfelingen omtogen; en na dat gij het beginsel des geloofs bij het volk aan 't wankelen gebracht hebt, gelooft het volk ook u niet meer. Op wat grond zou ook éen filozoof op meer geloofwaardigheid aanspraak maken dan een vergadering van grijzaarts, die de rezultaten van een leven van overdenkingen aan het volk ten geloofsregel boden? - Zal men dan nog uit zich-zelf, naar den eisch der natuur, waarheid en wet, en ook liefdeplicht, opdelven? - Helaas, de feiten zijn dáar om de hypotheze om-ver te werpen: Want met welk recht beweert ge, dat gij, die edelmoedig en milddadig zijt, en niet de kommunisten, die het eigendomsrecht aanranden, den waren eisch der natuur gehoor geeft? En zoo gij uw zaak met bewijzen weet te schragen, welk man uit het volk (en de liefdewet is allen even na) verstaat de spitsvondigheden der dialektiek en is bevoegd rechter te zijn in quaestiën, waarover de scherpste geesten zich suf peinzen? Een zij uw leeraar en meester - te weten Christus - die Christus, wiens woord niet voorbijgaat, schoon aarde en Hemelen voorbijgaan - die Christus, die met zijn Kerk is tot het einde der eeuwen; die zijn dienaren gezonden heeft, gelijk Hij van den Vader gezonden was, die hun geboden heeft: Gaat, en onderwijst alle volken; en gezegd heeft: Die u hoort, hoort mij. Feb. 1851. J.A. ALBERDINGK THIJM. | |
[pagina 383]
| |
Jaarboekje voor de Koninklijke Militaire Akademie. Eerste Jaargang, 1851. (Onder redactie van J.C.J. Kempees). Te Breda bij Broese & Comp.Telken jare als de Minister van Oorlog het budget van zijn Departement verdedigen zal, heeft hij, onder anderen, ook eene menigte aanmerkingen aante hooren en te beantwoorden omtrent de Koninklijke Militaire Akademie; aanmerkingen, die zeer dikwijls den stempel dragen van volslagene onbekendheid met het onderwerp in quaestie. En kan het anders? Immers hoe weinigen zijn er onder onze volksvertegenwoordigers, die geene vreemdelingen zijn in militaire zaken? En zelfs die weinigen geven nog meermalen de duidelijke blijken van omtrent de Militaire Akademie onvolledig te zijn ingelicht. De overgroote meerderheid kent haar alleen uit de berichten van een zoon of een neef, die kadet is, en in de vacantie eene, dikwijls zeer aardige, maar niet altijd naauwkeurige, beschrijving van de kweekschool onzer toekomstige officieren mededeelt. Nu schijnt het Departement van Oorlog sedert eenige jaren bij uitnemendheid de zondenbok der bezuiniging te zijn (misschien juist omdat men er zoo weinig begrip van heeft), en de Akademie vordert inderdaad eene niet onbelangrijke som; geen wonder dus, dat men zich daarover in de Kamer wel eens wil laten hooren. Maar even weinig wonder dan ook, dat men daarbij den bal somtijds zoo deerlijk misslaat, dat het zelfs den oningewijde in de oogen springt. Zoo vernamen wij dezer dagen van een van de leden der Tweede Kamer, dat de Akademie in een proces was gewikkeld geweest, wegens het overnemen van stukken uit Fransche en Hollandsche schrijvers in een van de leerboeken. De juiste toedracht dier zaak is ons ook niet naauwkeurig bekend; maar wel weten wij, dat zij zóó onmogelijk kan geweest zijn, daar het overnemen van stukken uit Fransche en alle vreemde auteurs ten volle geoorloofd is, en nimmer aanleiding tot een proces geven kan. Vele dergelijke en meer belangrijke onnaauwkeurigheden, die jaarlijks in de Kamer gedebiteerd worden, zouden wij kunnen aanvoeren, zoo 't ons lustte de Bijbladen der Staatscourant van eenige jaren her te doorsnuffelen. Aan kwaadgezindheid jegens die Akademie mogen en willen wij 't niet toeschrijven; maar het bewijst onbekendheid met haar; en indien de daaruit telkens voortspruitende aanmerkingen eens weêrklank vonden bij het grooter deel der volksvertegenwoordigers, wie ziet niet in, welke nadeelige gevolgen daaruit te eeniger tijd zouden kunnen voortvloeijen voor eene inrichting van een zoo uitgestrekt nut, van eenen zooveel omvattenden werkkring, als de Militaire Akademie zich sedert jaren bewezen heeft te zijn? Wij noemen het daarom, en zoo wij meenen te recht, een gelukkig denkbeeld van den Redacteur van dit Jaarboekje, dat hij in dezen Eersten Jaargang, na den Kalender en de Naamlijsten van het Personeel, een volledig overzicht geeft van de inrichting der Akademie, van het onderwijs, dat daar gegeven wordt, en van het nut, dat zij ook naar buiten reeds heeft te weeg gebragt. Wij willen zijn verslag ter loops nagaan, en, mocht het noodig zijn, onze aanmerkingen niet terughouden. | |
[pagina 384]
| |
Uit den Staat der uren tijds, welke gedurende de wintermaanden wekelijks aan de verschillende vakken van onderwijs besteed worden, blijkt reeds ten eerste, dat dat onderwijs loopt over 31 verschillende vakken, waarvan sommige zeker nog wel in onderdeelen zullen gesplitst zijn; daaronder niet begrepen de practische oefeningen. Deze opsomming diene tot inlichting voor hen, die het personeel van officieren en civiele beambten te talrijk vinden. ‘De lessen over die vakken worden gegeven bij mondelinge voordragt van den onderwijzer; terwijl de kadetten voorts in 't bezit gesteld zijn van volledige leerboeken over al de behandelde vakken, waarin zij het voorgedragene terugvinden en in de eigen oefening bestudeeren kunnen.’ Voorts leeren wij uit dien Staat, met vergelijking van hetgeen wij onder het opschrift Dagverdeeling (bl. 18) aantreffen, dat die lessen gegeven worden des zomers van 7 en 's winters van 8 ure tot 1½, met tusschenpoozing van slechts ¼ uur; en des namiddags van 3 tot 6½ ure in den winter, en tot 6¾ in den zomer, met tusschenpoozing van ¼ uur tusschen elke les. Dat geeft des winters 55½ en des zomers 56¾ uren les per week; of (daar 's Woendags en 's Zaturdag des namiddags geene lessen gegeven, en die twee halve dagen dus voor een geheelen kunnen gerekend worden) ruim 11 uren per dag. En zie, we willen het niet verzwijgen, dat komt ons wel wat kras voor. 't Is waar, de schrijver bericht ons hier wel, dat van 11¼-1½ en 's namiddags van 3-4 ure meerendeels geteekend, gedanst, gegymnastiseerd, geschermd of paard gereden wordt; maar op bl. 20 beklaagt hij zich zelf, dat die teekenuren nog al besnoeid moeten worden, om voor al het overige genoegzamen tijd te vinden; en de Staat bevestigt dit ten volle. En wanneer wij nu verder in dien Staat zien, dat de kadetten wekelijks slechts 10½ uur tijd hebben tot eigen oefening in al die vakken te zamen, ja, dan komt het ons wel voor, dat er te veel les gegeven, te weinig eigen oefening gehouden wordt. Men versta ons echter wel; wij willen volstrekt geene vakken van onderwijs besnoeijen; wij achten die alle voor de vorming van den officier noodzakelijk, of ten minste hoogst wenschelijk; wij beweren ook niet dat het voldoende zoude zijn, er minder uren les in te geven; maar wij zouden wenschen, dat de Akademietijd een jaar langer duurde. En zouden hiertegen ernstige bezwaren bestaan? De jongeling, op zijn vijftiende jaar aan de Akademie komende, konde dan toch nog op zijn twintigste jaar officier zijn; een leeftijd, waarlijk niet te oud om als bevelhebber op te treden, en dat dikwijls over mannen, die misschien reeds vader waren eer hij geboren werd. Maar het geldelijk bezwaar voor de ouders; - 't is waar, zij zouden dan een jaar langer de bepaalde som moeten betalen; maar hoe gering is die! men wijze mij eene kostschool waar zij niet hooger is; en men mag toch veronderstellen dat zij, die zich die opofferingen gedurende vier jaren kunnen getroosten, dit ook nog wel een vijfde kunnen doen, waarbij nog komt, dat men, bij minder geforceerde studie, ook minder gevaar zoude hebben, dat een kadet, bij het einde van het studiejaar niet in staat is een voldoend examen af te leggen, tengevolge waarvan hij toch vijf of soms zes jaren aan de Akademie moet blijven. Eene drooge opsomming van alle vakken, waarin onderwijs gegeven wordt, zoude, vreezen wij, onze lezers weinig stichten, en even weinig de beschrijving der practische oefeningen, waarmede de kadetten, zoo aan de Akademie, als vooral jaarlijks zes à zeven weken in het kamp, worden bezig gehouden. Het zij hier genoeg te zeggen, dat de eerste alles omvatten, wat voor den aanstaanden officier volstrekte behoefte, en ook wat hem als beschaafd man onmisbaar is; en dat de laatste hem genoegzaam waarborgen tegen de aantijging, dat hij louter theoretisch gevormd, maar in de praktijk geheel onbeslagen, zijne plaats in de rijen van ons leger zoude innemen. Nadere bijzonderheden omtrent dit een en ander, alsmede omtrent de split- | |
[pagina 385]
| |
sing in klassen, de jaarlijksche examens, enz., vindt de lezer in het Jaarboekje, bl. 20-36. Op de degelijkheid van het onderwijs wordt toegezien 1o. door eene Commissie van Inspectie; 2o. door den Raad van Toezicht; 3o. door de Hoofden der verschillende studievakken, en 4o. door den Gouverneur en Kommandant der Akademie; wier genoeg bekende namen des noods alleen eenen voldoenden waarborg zouden opleveren. Men ziet dus, dat, al bekroop den officier of ambtenaar, bij zijne ‘20 uren les per week, niet medegerekend de vervelende en dagbedervende uren, welke besteed moeten worden aan het nazien en verbeteren van 't schriftelijk werk der kadets’ (bl. 31), al eens de lust om er zich wat af te maken, hij te veel op de handen gekeken, en bij gevolg spoedig op de vingers getikt zoude worden. Nu dat zij zoo; maar, daar de arbeider zijn loon waardig is, zullen die Heeren toch ook goed bezoldigd zijn. ‘Men ga bij onze andere Akademiën rond; men zoeke er eens menschen, die voor een zoo gering inkomen, zich zooveel werks getroosten’ (bl. 32). Voor verre het grootste gedeelte heeft de schrijver gelijk. De kapiteins bij de M.A. maken misschien eene uitzondering; zij hebben, zoo wij wel onderrigt zijn, ƒ 2400 en ƒ 2800 tractement, hetgeen zoo wat met dat van de Hoogleeraren aan de andere Akademiën gelijk staat; zij hebben evenwel geene college-gelden, zoo als deze. De luitenants hebben ƒ 300 toelage, boven het tractement aan hunnen rang verbonden. De burgerlijke beambten zijn het slechtst bezoldigd, waarbij nog komt dat zij niet, zoo als de officieren, het vooruitzicht hebben van met der tijd in rang en dus ook in tractement op te klimmen. Dit komt ons weder voor een gebrek te zijn. Wil men op den duur met trouw en ijver gediend worden, men bezoldige dan zijne ambtenaren goed, men geve hun een vooruitzicht, waarop zij bij trouwe plichtsbetrachting kunnen rekenen. Doet men dit niet, het kan niet anders, ook bij den naauwgezetsten zal de moed worden uitgedoofd, de ijver verflaauwen, de dienst er onder lijden. 't Is waar, in het Reglement der Akademie, komt wel, zoowat bij wijze van aanhangsel, eene soort van bepaling voor, die hierin althans eenigzins schijnt te voorzien; maar deze is zoo ingericht, dat zij voor zeer verschillende uitleggingen vatbaar is; ook hebben wij niet vernomen, dat daaraan ooit gevolg is gegeven, behalve in één geval, toen een ambtenaar na 15 jaren dienst eene verhooging van tractement heeft gekregen, juist gelijk staande met de som, die hem, toen hij 14 jaren dienst had, onder den titel van bezuiniging was afgenomen. Tot het nut door de Akademie buiten haren eigentlijken werkkring gesticht, brengt de Schrijver hoofdzakelijk, behalve de Applicatie- en Smidsschool (de eerste eene aan de Akademie toegevoegde inrichting, waardoor jaarlijks aan eenige officieren uit het leger gelegenheid wordt verschaft om hunne studien in onderscheidene vakken onder goede leiding voort te zetten; de andere, ten doel hebbende het theoretisch en practisch vormen van hoefsmeden voor de bereden troepen), vooreerst de groote menigte van leerboeken over alle takken van wetenschap, die door hare zorg vervaardigd, en bij duizende exemplaren door het geheele land zijn verspreid; en ten andere, den heilzamen invloed, dien de jaarlijksche aspiranten-examens op het middelbaar onderwijs hebben uitgeoefend. Wat het eerste betreft, dit zal wel door niemand tegengesproken worden, welke die leerboeken kent; want schoon ook al hier en daar wat kaf onder het koorn moge loopen, de groote meerderheid dier werken zal wel den toets van een onpartijdig onderzoek kunnen doorstaan. Wat het tweede aangaat, wij zijn er verre af te ontkennen, dat die examens op dezen of genen onderwijzer gunstig gewerkt hebben; maar wij vreezen toch dat de Schrijver dat nut een weinig overdrijft; ware dit niet zoo, dan moest, na de vijftien jaren, gedurende welke nu reeds aspiranten geëxami- | |
[pagina 386]
| |
neerd zijn, het middelbaar onderwijs oneindig beter zijn dan het werkelijk is; de Schrijver zal waarschijnlijk beter weten dan wij, hoeveel dit nog te wenschen overlaat. Dit neemt echter niet weg, dat wij aan de wijze van aspiranten-examineren, zoo als die te Breda plaats heeft, ten volle onze goedkeuring kunnen geven (niet aan die vroeger te Medemblik, waarvan de Schrijver in éénen adem spreekt, bl. 48); wij hebben die examens eene enkele maal bijgewoond, en vonden die, voor zooverre wij zulks beoordeelen konden, allezins doeltreffend. Overigens bevat de Almanak nog Inlichtingen voor ouders en voogden van aspiranten, hoofdzakelijk getrokken uit het Reglement der Militaire Akademie, en een verslag van de Vereeniging van het Marine-Instituut met de K.M. Akademie, welke laatste door ons niet minder dan door den schrijver wordt toegejuicht. Wij zijn gekomen tot het Mengelwerk. Dit bevat vooreerst drie stukken, getiteld: I. ‘Jan moet Kadet worden.’ II. ‘De Nederlandsche Kadet.’ III. Ge wilt officier worden - wees vóór alles soldaat. Wij voegen deze bij elkander, niet alleen omdat zij, naar den stijl te oordeelen (die, sedert Kempees zijne ‘Holloway-pillen voor een jong officier’ heeft uitgegeven, bezwaarlijk meer te miskennen is), van denzelfden auteur zijn, maar vooral omdat zij bij elkander behooren, omdat zij eigenlijk een geheel maken. In het eerste worden de aanstaande en aspirant-kadet, de zorgen van papa en de bezorgdheid van mama meesterlijk naar de natuur geteekend, als had Kempees zijn eigen papa en mama bestudeerd, van het oogenblik af, dat zij zijnen broeder Kees, aan wien hij later zijne ‘Holloway-pillen’ voorschreef, voor de Akademie bestemden. Daar is veel ironie in die schilderij; doch zoo, dat zij blijkbaar niet de strekking heeft, om den spot te drijven met de regtmatige bezorgdheid van ouders over het wèl slagen van het examen huns zoons, dat vaak over diens toekomst beslist; maar om hun menigen nuttigen wenk te geven, ten einde tot eene goede uitkomst mede te werken. Het tweede stukje geeft eene even natuurlijke teekening van den kadet, en, met het derde, aan dezen vele lessen, wier behartiging voor hem, èn als kadet èn als toekomstig officier, van het hoogste gewigt is. Wij willen een paar kleine gedeelten uit deze stukjes mededeelen, en twijfelen niet of de lezer zal het met ons eens zijn, dat Kempees, mits hij zijnen eigen weg blijve bewandelen, en zich zelven oefenen, zonder zijnen stijl naar dien van anderen te willen wringen (waarvan wij hier en daar sporen meenen te ontdekken), ons eenmaal eene tweede Camera Obscura zal kunnen leveren. Uit No. I. ‘Wat ik u bidden mag, vertroetel hem (Jan, den aanstaanden kadet) niet; de krijgsman behoeft wel geen athleet te zijn, maar hij moet ten minste een gezond en sterk ligchaamsgestel hebben, om opgewassen te wezen tegen de vermoeijenissen, die hem welligt wachten; hij moet niet van het minste tochtje koû vatten, en, met uw verlof, Mevrouw is druk bezig hem in dit opzigt te bederven. De eerste grondslagen van de vorming onzes geestes en harten moeten door eene vrouw gelegd worden, even als zij er later de fijne puntjes aan slijpt; maar tweemaal in ons leven zijn de dochters van Eva gevaarlijk voor onze mannelijke inborst: bij de knaapwording van het kind, omdat zij zoo gaarne vertroetelen en verwijven, en bij de vergrijzing des mans, omdat hij ligt Hercules aan 't spinnewiel wordt. Voor het gevoel, die wortel van zoo menige deugd, en voor de verbeelding, die eerste voedster van den geest, is de opvoeding door vrouwen een zegen; maar voor de ontwikkeling van moed, kracht en karakter, is zij een vloek. “Ik bid u, kom beneden!” gilt handenwringend de moeder, wanneer de knaap in den boom klimt; “kom toch in 's Hemels naam boven!” roept | |
[pagina 387]
| |
zij hem uit het venster toe, wanneer hij in storm en regen speelt, en het gekraak des donders braveert; - en struikelt de jongen eindelijk, en valt hij zich, gelijk het behoort, een regtschapen gat in het hoofd, dan klinkt het geschreeuw der moeder nog luider dan dat des knaaps; een paar roode droppels veroorzaken zooveel ontsteltenis in huis, dat de aanstaande held door den angst wordt aangestoken, en voor zijn gansche leven een afschuw van bloed krijgt. - Laat uwen zoon gerust gymnastiseeren, zijne ledematen zullen daardoor losser worden, zijne krachten zich ontwikkelen; - zend hem naar de zwemschool, voor zijne gezondheid is dit zeer goed en misschien heeft hij later aan zijne bedrevenheid in het zwemmen zijn leven te danken; - beknor hem niet al te veel, wanneer hij met een blaauw oog t'huis komt; ik weet het wel, dit flatteert hem niet, maar indien hij uit vrees voor een pak slagen de plaat poetst, kunnen wij hem niet gebruiken, - hij zal zich dan aan het sissen en fluiten der kogels niet kunnen wennen, en, ofschoon wij deze muzijk niet alle dagen hooren, ons zenuwstelsel moet er ten minste tegen bestand zijn......................... Jan zag er in zijn nieuwen kiel kostelijk uit; het hagelwitte kraagje deed het frissche rood zijner koonen nog meer uitkomen, zijn levendig oog straalde van verlangen en blijdschap, toen hij met papa naar de diligence stapte; doch wat mij minder in hem beviel, was de groote zorg waarmede al zijne studieboeken ingepakt en meêgenomen werden. O! wat zijn er in dien examentijd eene menigte Badons, Bosscha's, van Heusdens en Kuypers op reis; zij worden vaak 's avonds bij de aankomst in het logement nog verslonden; menig jongeling gaat eerst laat, en dan nog koortsachtig van inspanning naar bed, slaapt 's nachts onrustig, en wordt in zijnen droom vervolgd door wortelvormen, gelijkvormige parallelogrammen en ongelijkvloeijende werkwoorden, die arm in arm met Caesar en Maurits over de rivieren van Nederland dansen, en den armen aspirant dreigend aangrijnzen of hem spottend uitlagchen; zij wenken hem toe, dat hij met hen in het bootje moet komen, en, op het oogenblik dat hij er in wil stijgen, geven zij den Willem Tellschen trap aan den oever, en plof - de ongelukkige droomer wordt met een schrik wakker, en voelt zich te moede als droop hij. Wij vragen het u, vaders, die vaak uwe kinders nog den laatsten dag tot de studie aanspoort, kunnen zij zoo doende verkwikt naar ligchaam en geest ontwaken; zijt gij het niet, die hen in eene zenuwachtige spanning brengt, op het oogenblik dat zij al hunne bedaardheid en oordeel noodig hebben?’ Uit No. II. ‘De Neêrlandsche kadet heeft meestal een zuiver gevoel van regt en onregt in zijn gemoed, veel vaderlandsliefde in zijn hart, een gulden voor den armen natuurgenoot in zijne beurs, alle reglementen op een prik in zijn hoofd, en eene miniatuur-snuifdoos of soms een stuk pruimtabak in zijnen zak. Dit laatste staat wel niet mooi, maar - het is verboden, en het verbod wekt op tot overtreding. Zijne hersenen zijn opgevuld met droombeelden voor de vacantie, en hij houdt een lijstje aan van de dagen, die nog vóór het verlof verloopen moeten. Wat zal hij een pret hebben, wat zal hij met zijn turksche sabel kranen, wat zal hij paard rijden, wat zal hij billarten, wat zal hij cigaartjes rooken, wat zal hij bij 't schoone geslacht zijn hof maken; - maar vooral, wat zal hij bij zijne terugkomst bluffen over hetgeen hij gedaan en misdaan heeft, en zelfs over hetgeen hij niet gedaan of misdaan heeft, zelfs over hetgeen hij niet zou hebben willen doen of misdoen. Hij doet zich gewoonlijk veel slechter voor, dan hij is; hij bluft op de Akademie over denkbeeldige uitspattingen der vacantie, en in de vacantie over hetgeen hij voorwendt op de Akademie gedaan te heb- | |
[pagina 388]
| |
ben; en wie dan geloof hecht aan zijne opsnijderij, moet de Officieren en Leeraars der Akademie wel voor ongelukkige sukkels houden, die zich op allerhande wijze laten bedotten en beet nemen.’ Voorts bevat het Mengelwerk nog: ‘de tirailleurs-seinen’ op woorden gebragt, met muzijk; en een proza-stukje, ‘Herinnering aan het Kadettenkamp van 1850,’ door den Kadet X; een stukje, dat niet genoeg uitgewerkt is, maar getuigt van eenen goeden aanleg en een goeden geest. Eindelijk nog twee versjes: ‘Kadettenpraat’ en ‘Eén doel’ (Marsch voor de vereenigde kadetten en adelborsten), beide geteekend G.K.H., waarschijnlijk gefingeerde initialen, daar wij in de geheele naamlijst van kadetten en adelborsten niemand gevonden hebben, op wien zij passen. Wij hebben daar in ernst naar gezocht, want wij hadden den auteur willen aanraden de lier aan de wilgen te hangen; hij moge een uitstekend officier worden, maar dichter wordt hij nooit. Het laatste is waarschijnlijk vervaardigd ten gevolge van een door Kempees gecomponeerden marsch, waarmede de Almanak wordt besloten; muzijk, die betere woorden had verdiend. Het geheel van dezen jaargang voldeed ons uitmuntend, en wij hopen met den Redacteur, dat de voortdurende bloei der Koninklijke Militaire Akademie, nog in menigen jaargang door hem moge verkondigd worden. Een weinig meer verscheidenheid in het Mengelwerk zoude ons echter wenschelijk voorkomen. De uitvoering is zeer goed, hoewel niet sierlijk; maar 't is ook geen zoogenaamde pracht-almanak. De trophée tegenover den titel kan en zal wel op het bal uitmuntend voldaan hebben; maar als plaat is zij leelijk. | |
De Kunst om rijk en gelukkig te worden. De beste leidsman door het gansche leven. Utrecht, Dannenfelser en Doorman. 1851. 12o.‘Door Prulschriften verstaa ik alle zulke werken, groot of klein, over welke stof zij ook handelen, welken niet veel goeds noch veel kwaads in de wereld veroorzaaken.... zulke, waarin men noch wijzer, noch beter, noch slegter wordt, die ook niet geschikt zijn om een verstandig man te vermaaken.....’ enz., enz. Dit boekje zal een onschadelijk Prulschrift zijn, indien de dwaze bladzijde tusschen den titel en den Inhoud er uit gescheurd wordt. |
|