| |
| |
[pagina LI 143/217]
[p. LI 143/217] | |
[Nummer 19]
Groene Onderzeeer in Bijna Noorse Fjord
Marcel Hacke
Wat er zoal aan voorafging, of zoniet dan toch duidelijk daar tussendoor
Als je er even - lang genoeg - bij stilstaat is deze novelle gewoon de versmelting van een aantal ‘reisverhalen’. Enerzijds is er het reisverhaal van de novelle zelf; geschreven door ik-per soon A, en in schuifjes (zonder identiteitsvermelding) ter lezing verstuurd naar ik-persoon B. In zijn reaktie daarop gaat deze laatste zich geleidelijk vereenzelvigen met ik-persoon C, die als een soort ‘gemene deler’ van A en B de reis afrondt. Enderzijds zijn er de afzonderlijke reisverhalen van de (symbolische?) figuren uit de novelle zelf: de jongen, het meisje, de vogelschrik, de dorpspastoor, de dokter, de zwarte dame. Bij deze bonte bende voegt zich gestadig aan een warreling van min of meer denkbeeldige figuranten die elk in hun eigen onderzeeër eveneens de levenswateren doorkruisen.
Het gemeenschappelijke reisverhaal beschrijft afwisselend een blikveld uit één van de vele periskopen of een fragment uit één van de vele logboeken. Ter hoogte van het derde deel: de chaos, blijkt zowat iedereen het imaginaire noorden in een dergelijke mate kwijt, dat de gehele bedoening enkel nog op zichzelf te pletter lopen kan. Pat - een herdershond - die voor één of ander experiment samen met de ik-persoon A 365 dagen in een onderzeeër diende door te brengen, is - gelukkig voor het onschuldige beest - de eerste die bezwijkt... (Aan hondsdolheid, uiteraard!)
| |
Deel III De chaos
Waar was ik ook weer gebleven? O ja. Bij de psycholoog. Pat is in het slijm gestikt. Ik vraag me af wat ik met het kadaver moet aanvangen. Ik heb oorsuizingen. ‘Wilt u dit papiertje even invullen’ zei de psycholoog. Ik keek tegen een stapel blanko velletjes aan. ‘Het bovenste, meneer?’
| |
[pagina LI 144/218]
[p. LI 144/218] | |
Hij keek over zijn brilglazen boven een lijvig dossier uit. ‘Ja, juist, ja, het bovenste ja, precies’. ‘Hoe?’ ‘Hoe wat?’ ‘Invullen. Wat? Waar?’ ‘Hoe, wat waar invullen?’ ‘Wààr wàt invullen? Hoe?’ ‘Hoezo?’ ‘Op het bovenste?’ ‘Ja. Naam en voornaam. Familienaam, doopnaam, geboortedatum en plaats. Naam van moeder, aantal kinderen levend ter wereld gebracht. Gedane studies’. ‘Van mij of van moeder?’ ‘Dat moet U zelf weten, u bent de kandidaat, ik niet’. ‘Moeder ook niet’. ‘Ik heb met uw moeder niets te maken’. ‘Waarom vraagt u dan zoveel over haar?’ ‘Het gaat om een formaliteit, jongeman. Iedereen die hier binnenkomt moet een dergelijke inlichtingenlijst invullen. Eenmaal dat achter de rug beginnen we met de eigenlijke testen’. ‘En wat gebeurt er achteraf met de lijst?’ ‘Die maak ik over aan mijn sekretaresse’. ‘En wat doet zij er dan mee?’ ‘Weet ik veel! Misschien ergens klasseren of vliegertjes mee maken. Dat heeft allemaal geen belang. Alleen de eigenlijke testen zijn van belang’. Ik schreef Reuben en nog enkele cijfers op het papier.
‘Ik ben klaar voor de eigenlijke testen’. ‘Juist. Let nu goed op’. Hij borg zorgvuldig het door mij ingevulde velletje in een gloednieuwe map nr 186.462 en zat toen een tiental minuten verdiept in 186.461.
‘Nou?’ ‘Hé?’ ‘Ik moest goed opletten, zei u’. ‘En heeft u dat gedaan?’ ‘Zeker, maar...’ ‘Geen maren. U doet wat ik zeg en daarmee uit. Zo. Hiermee is de eerste eigenlijke test afgelopen en beginnen we aan de tweede. Neem een nieuw velletje papier. Ik ga U drie vragen stellen en U schrijft telkens de antwoorden op. U heeft twee sekonden per vraag, twee voor het antwoord en twee voor de kontrole. Opgelet, klaar, start! Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, stop! Wat is het antwoord?’ ‘Waarop?’ ‘Verkeerd. Het antwoord is niet waarop. Volgende test. Vergeet niet een nieuw velletje papier te nemen. Als U zo oud was als ik en een dochtertje had, met wie zou U dan getrouwd zijn, op voorwaarde dat U geen weduwnaar bent?’ ‘Is er geen gegeven te kort, meneer?’ ‘Gegeven te kort? Gegeven. O juist, ik ben blond, nee dat is voor de volgende test. Er is geen gegeven te kort en u moet ophouden met die pogingen om mij te beïnvloeden, mijnheer. Dat kan alleen nadelig uitvallen’. ‘Met de moeder van mijn dochtertje’. ‘Nee, met de kwotering’. ‘Gehuwd met de kwotering?’ ‘O, u formuleerde een antwoord. Nee, dat was verkeerd. Het juiste antwoord luidt: met de moeder van UW dochtertje.’ ‘Dat is toch de moeder van MIJN dochtertje?’ ‘Uw privé-leven gaat mij niet aan, mijnheer. Laat ons beginnen met de volgende test. Als U een ei was en ik een tijger, wie van ons zou dan het eerst geboren zijn?’ ‘U’. ‘Verkeerd. Waarom zegt U dat?’ ‘Ik dacht: in een ei zit een kip en die is nog niet geboren’. ‘Absoluut verkeerde deduktie. Het was een strikvraag. In de vorige test zei ik U toch reeds dat we beiden even oud waren. Dus is niemand het eerst geboren’. ‘Dus de vorige vragen blijven
gelden?’ ‘Natuurlijk. Alle vragen gelden voor het eindresultaat. Kom, de volgende test. Heb ik zelf aan het programma toegevoegd, een heel moeilijke: Als niemand het eerst geboren is, hoe komt het dan dat wij beiden hier zijn? U heeft vijf minuten bedenktijd’. ‘Omdat ik kandidaat ben voor het eksperiment’. ‘Nee, mijnheer, nee... U zoekt het veel te ver. Komaan, probeer het nog eens. U
| |
[pagina LI 145/219]
[p. LI 145/219] | |
krijgt opnieuw vijf minuten’. ‘Omdat we beiden tegelijk geboren zijn.’ ‘Ach nee, meneer, het is hopeloos. Omdat u geen ei bent en ik geen tijger, daarom zijn wij hier. Maar wellicht bent u meer wiskundig dan wel logisch aangelegd. Laat ons eens proberen met een paar wiskundige testen’. ‘Ja, laat ons een proberen’. ‘Een man heeft drie kinderen en een dochter. De moeder van een van zijn kleinzoons laat een erfenis na van 33.333 BF. De notaris, die het testament moet voltrekken, is een neef langs vaders zijde van de jongste zoon en moet die in gelijke delen verdelen. Hoeveel krijgt het andere kind?’ ‘Hoeveel bedenktijd?’ ‘Nee, hoeveel geld’. ‘Jaja, maar in welke tijd?’ ‘Niet om de pot draaien, mijnheer. In welke tijd doet er niet toe. U heeft twee minuten’. ‘Hoe heette die notaris?’ ‘Staat niet bij de vraag vermeld maar ik geloof dat het Debossere was. Met één b’. ‘Dan weet ik het niet. Met twee b's had ik het geweten’. ‘Spijtig voor U, meneer. Het juiste antwoord was: de helft van de twee andere erfgenamen samen. De volgende wiskundetest is zeer eenvoudig’. ‘O’. ‘Daarom slaan we die maar over en beginnen we meteen aan de testen omtrent de spraak- en schriftvaardigheid. Eerst de spraakvaardigheid. Geef mij een betekenisvolle zin waarin volgende woorden voorkomen: kruik, water, de, barst, zolang, te, tot, gaat, ze’. ‘De kruik gaat zolang te water tot ze barst’. ‘Geen greintje zin voor initiatief. Waarom niet: de kruik barst tot zolang ze te water gaat? Dat is toch veel origineler!’ ‘Maar niet zo betekenisvol’. ‘Meneer, om dàt uit te maken word IK betaald en u niet. U kunt gaan, meneer, voor u zijn de testen afgelopen’. ‘Maar...’ ‘Jongeman, het is
een vast gebruik van het huis dat over de testen naderhand geen diskussie of korrespondentie wordt gevoerd. U bent goed gevonden voor het eksperiment. Meneer wil uitgelaten worden, juffrouw’. ‘Hierlangs, meneer. Zo meneer. Dag meneer’.
Mijn handen beven. In mijn hoofd is het alsof mijn hersenen af en toe sprongsgewijs een verdieping lager komen. Net alsof je de trap afgaat en de overloop bereikt, terwijl je nog een trede had verwacht.
Ik zal Pat naar het ruim moeten slepen. Anders wordt het hier onhoudbaar van de stank. ‘Exkuseer, meneer, een onbescheiden vraag: Heeft U ooit wel eens een kikker ingeslikt?’ ‘Wat zegt U? Nee’ ‘Dan bent U als dichter ongeschikt’. Ik zal wat antibiotika moeten nemen.
Plots botste de jongen tegen iets op. Wanneer hij de ogen opende zag hij een rood licht boven de deur. Hij klopte. Omdat niemand antwoordde draaide hij de deur langzaam open. In de kamer zag hij een warnet van rubberen slangen, elektrische draden en stukken verband. Overal verspreid stonden elektronische apparaten te zoemen; lichtjes knipperden aan en uit en tientallen wijzernaalden stonden in hartslagtempo te bewegen. Verschillende zuig- en perspompen duwden een bloedrode vloeistof door ontelbare kronkelende glazen buisjes heen en terug. De jongen deed de deur dicht en op hetzelfde ogenblik ging aan de andere kant van de rubber-en-glas-lianen iets bewegen. Het was een soort tandartszetel die draaibaar opgesteld stond en die hij eerst niet opgemerkt
| |
[pagina LI 146/220]
[p. LI 146/220] | |
had omdat de rug naar hem toe stond. Wanneer de zetel volledig in zijn richting gekeerd was, herkende hij in het verpleegstersuniform de trekken van het meisje. ‘Wat hebben ze met je aangevangen’ vroeg de jongen. De angstige ondertoon in zijn stem deed de wijzers even haperen. Een magneetofoonband startte en een metaalachtige stem zei: ‘Atriale flutter. Alles klaarzetten voor gesynchroniseerde defibrillatie’. De verpleegster stond recht - ze had twee benen, dus het kon - en haalde een nieuw elektronisch toestel uit een glazen kast. ‘Niets ergs’ antwoordde ze, ‘ze hebben me genezen. Uit dank heb ik besloten de mij nog resterende tijd als verpleegster door te brengen’. De jongen wilde op haar toelopen maar de jungle zei dat het niet kon. Woedend sloeg hij enkele van de vele glazen kronkelingen stuk en probeerde zich een weg te banen. De bloedrode vloeistof werd in grote gulpen de ganse kamer rondgeperst, en terwijl ze de
deur bruusk achter hem opengooiden zegden twee politieuniformen een toverformule: ‘In naam der wet’.
De jongen veegde het bloedrode vocht uit zijn gezicht en vroeg waarvan hij beschuldigd werd. ‘Moord’ zei het duet. De magnetofoon schakelde opnieuw in: ‘Patiënt overleden, defibrillator wegzetten, volgende patiënt klaarmaken’. De verpleegster zag de jongen gewillig met de politieuniformen meegaan. Wanneer hij, vooraleer de deur achter zich te sluiten, nog even omkeek, gooide ze de defibrillator middenin het glazen web. De magnetofoon sprak onbewogen: ‘Kunsthart defekt. Technische dienst verwittigen. Het overige personeel kan zich terugtrekken’. De verpleegster werd door de direktie streng berispt en naar de buitendienst overgeplaatst. De jongen vroeg aan de uniformen of hij even zijn gezicht wassen kon. Het duet antwoordde dat waar hij heen ging de kleur van het gezicht er niet zoveel toe deed.
De oude man in witte smoking greep de teugels en ik ging naast hem zitten op de bok. Na een tiental minuten rijden doemde in de verte een soort villa op. Naarmate we het gebouw naderden viel mij iets vreemds op: het aantal schoorstenen was abnormaal groot, en schier het ganse dak bedekt met kraaien. De gevel was roze geschilderd en de ramen voorzien van blauw glas. De trappen die naar de ingangsdeur leidden waren uit zwart marmer vervaardigd, en langs weerszijden van de deur stond een Romeins krijger in gips met een zonnescherm in de hand. ‘Je wordt daarbinnen verwacht’ zei de oude man, ‘ik kan niet met je meegaan, bij de vuren werd een nieuwe gast gesignaleerd, ik moet me haasten of ik haal de bulldozer niet meer’. Ik stapte af en ogenblikkelijk verdwenen de paarden in galop. De koets slingerde erg heen en weer en deed het stof achter zich in een
| |
[pagina LI 147/221]
[p. LI 147/221] | |
paddestoelvormige wolk opstijgen. Kort daarop bereikte mij een enorme knal. Mij naar de toegangsdeur omdraaiend zag ik dat deze door de luchtverplaatsing geopend was en dat de gipsen krijgers hun zonneschermen dichtgevouwen en geschouderd hadden. Bovenaan de zwarte trap zat een sneeuwwitte poes met een lillakleurig strikje om. Het beest had oranje ogen die als waarschuwingslichten beurtelings aan en uit knipperden. Naarmate ik de trap beklom werd de flikkerfrekwentie trager en toen ik vlak voor de kat stond floepte het rechteroog op rood en het linker op groen. Duidelijk een a-politieke poes, dacht ik. Even bleef ik besluiteloos staan, de gipsen krijgers voerden een pirouette uit en van het dak viel één schoorsteen naar beneden. Onder hels gekrijs vlogen toen de kraaien op, verzamelden zich tot een zwarte wolk die in scheervlucht over de kat heen door de openstaande deur het gebouw binnenvloog en even later weer verstrooid door de diverse schoorstenen op het dak terechtkwam. ‘Je mag jezelf gelukkig prijzen’ zei de kat, beide ogen groen. Ze stapte zelfzeker de deuropening in, terwijl haar staart mij tot volgen aanspoorde. Wanneer we de toegangsdeur voorbij waren, staken de gipsen wachters hun zonneschermen weer op, zodat de deur zich zachtjes sloot en een geelachtig licht de vestibule door ettelijke gaten in de zoldering binnenstroomde.
Er floot een trein door mijn hoofd wanneer ik beide brieven schreef. Een trein die me naar Spanje wiegde. Neem het gerust van mij aan, wie afscheid nemen wil, moet ook kunnen vergeten. Iemand onder ons is een aanwijzing. De cyclus herbegint. Wij genereren het verval in minuskule deeltjes en zijn een tijdslimiet onsterfelijk. Wie is wij? Een blinde kosmos die zich aan het feitelijke schroeit. Wij vinden namen uit. ‘Het meest verontrustende in de biologie, dames mijne heren, is het feit dat het leven het leven gaat bestuderen. Het zal echter voor eenieder duidelijk zijn dat de konsekwenties die hieruit voortvloeien niet kunnen worden achterhaald, zonder daarbij afstand te nemen van het leven zelf, zodat de biologie als dusdanig onmogelijk kan bestaan’. ‘Waarom praat u er dan nog over, professor?’ ‘Omdat het leven uit geschiedkundig oogpunt zeer belangrijk is, m'n brave jongen. In een volgende lezing zullen we zien dat het aanleiding gaf tot de zijnsvorm die we nu kennen en die door onze voorouders dood genoemd werd. Maar laten we niet op de zaken vooruit lopen; we zijn hier om het leven te bestuderen en ik dank U voor uw aandacht’.
De jongen was nauwelijks in zijn cel of ze trokken hem een jute zak over het hoofd en knoopten die onder zijn oksels met stevige lederen riemen dicht. Daarna namen ze hem bij armen en benen vast en gooiden hem van je A één, van je A twee, van je A drie, met een flinke dreun op de ruwhouten brits. Ze veegden hun handen aan elkaars uniform af en zagen voldaan dat alles goed was zo. Wanneer de uniformen de cel verlieten - de grendels voor de deur knarsten niet; het slot was elektrisch en goede onderhouden - bleef een weldadige stilte achter. Slaap is eigenlijk het enige waar ik nu nog behoefte aan heb, dacht de jongen. Toen knalde de stem in de luidspreker: ‘Ik ben de direkteur van je nieuwe tehuis. Ik heet
| |
[pagina LI 148/222]
[p. LI 148/222] | |
je welkom en zal er persoonlijk zorg voor dragen dat men je verblijf hier zo aangenaam mogelijk maakt. Indien je eventuele klachten over het personeel aan mij wilt overmaken, schrijf je deze op het vel papier dat je onder je brits zult vinden. Ernaast ligt een enveloppe die je kunt verzegelen. Na je dood zal deze, in tegenwoordigheid van een gerechtsdeurwaarder, opengemaakt worden en de nodige sankties getroffen. Wat het eten en drinken aangaat, reken ik op een zeer inschikkelijke houding van jouw zijde. Je begrijpt ongetwijfeld dat er wegens de belemmerende invloeden die de jute zak met zich brengt, van eten of drinken gewoon geen sprake kan zijn. Niettemin zijn wij steeds bereid je na het afleggen van je bekentenis bij middel van serum kunstmatig in leven te houden zo je dat verlangt. Mocht je het echter verkiezen je hieraan te onttrekken, dan zal het vonnis vervroegd worden en zo nodig dadelijk uitgevoerd. Terloops wil ik je er op wijzen dat dit de enige vorm van rust is die wij je hier kunnen toestaan. Het systeem heeft echter uitgewezen dat dit in grote mate voldoening schenkt, gezien nog geen enkele van onze gasten in beroep is gegaan. Nu stel ik voor dat we samen tellen tot honderdduizend’. De luidspreker telde voortreffelijk maar veel te hard. Ook de geweldige cimbaalslagen na elke tel vond de jongen sterk hinderend. Hij probeerde de handen aan het hoofd te krijgen, wat hem moeizaam gelukte, maar het tellen ging crescendo. Op de negentigste tel draaide de celdeur open en een zwartgehandschoende vrouwenhand knipte de schakelaar over zodat het tellen stilviel. ‘De vrouw van je advokaat’ zei een zich lenig terugtrekkende cipier.
‘Waar komt dat licht vandaan’ vroeg ik de kat die er natuurlijk niet meer was. In een gat in de zoldering verscheen een kraaiekop die ‘Uit de schoorstenen, sufferd’ zei. Nadat ik een tijdlang langs de talloze zuilen en pilaren, die de vele bogen en boogjes van het gewelf ondersteunden, doorgelopen was, kwam ik plots aan een fonteintje, dat zomaar in de vloer was aangebracht. Er lagen echter geen plassen waar het water op de vloer terechtkwam, gezien het aanstonds opdroogde wanneer het met iets anders dan water in kontakt kwam. Drinken was dus uitgesloten, tenzij je even in je handen spuwde en deze beker vol liet lopen. ‘Knap bedacht’ zei de kat die plots op de plaats van het fonteintje zat, beide ogen rood ditmaal. ‘Als beloning mag je nu het Beest zoeken’ vervolgde ze, ‘het zit hier ergens, maar je hebt het blijkbaar nog niet ontmoet’. Uiterst langzaam sloot ze toen haar ogen en verdween opnieuw. Het fonteintje spoot weer water, maar ditmaal van een gans ander type. Waar de druppels op de grond terechtkwamen, klonk nu een sissend geluid en bleven kleine putjes achter. Tussen twee pilaren door zag ik de kop van het Beest. Wat op het eerste gezicht aan een soort slurf deed denken, bewoog nogal ser pentachtig autonoom, en waar bij een doorsnee olifant normaal de grote flaporen als tentzeilen naar beneden hangen, fladderden hier twee reusachtige vleermuisvleugels onrustig en met schokkende bewegingen heen en weer. Ter hoogte waar je normaal de slagtanden ontmoet, bengelden hier twee ruwbehaarde armdikke voelsprieten met aan het uiteinde een stel klauwen, die af en toe de slangerige slurf weer naar zich toe trokken.
| |
[pagina LI 149/223]
[p. LI 149/223] | |
Zelfs de ogen waren voor een olifant vrij ongewoon gezien ze van het kameleontype waren en in steeds wisselende richtingen rondtolden. ‘Aanschouw het Beest’ siste het uiteinde van de slurf totaal overbodig, terwijl de beide ogen plots star mijn richting uitpriemden en de vleermuisvleugels trillend wijdopen gingen staan. Pas toen zag ik dat het de kop van het Beest was, die vastzat aan het lijf van een enorme kikker. ‘Ik ben degene die verwacht wordt’ flapte ik er vliegensvlug uit, daarbij het monster te kennen gevend dat ik eigenlijk als gast ergens anders reeds gereserveerd had. De klauwen haastten zich nu een iets geruststellender afstand tussen de slangslurf en mij te herstellen, zodat ik het waagde er nog uitnodigend aan toe te voegen: ‘Misschien wilt u me eventueel wel voorgaan?’ De vleermuisvleugels flapten houterig weer dicht, de twee kameleonogen keken elkaar even onderzoekend aan, en daarna sprong het kikkerlijf met zijn hele hebben en houden middenin de fontein en zeeg sissend door de vloer. Er bleef een respektabel gat achter waardoor al het aanwezige licht ging wegstromen. In de opkomende duisternis floepten twee oranje kattenogen schuin links voor mij aan. ‘Ik mag mezelf gelukkig prijzen, zeker?’ vroeg ik dezelfde richting uit. Op dat moment moet de toegangsdeur weer open zijn gegaan, want ik werd een soort tocht gewaar en hoorde het gefladder van honderden vleugels. De kat probeerde nog achter een vrij dikke pilaar weg te komen, maar moet over het lillakleurige strikje gestruikeld zijn, want toen ik hals over kop het gewezen fonteingat indook, zag ik haar boven mijn hoofd door een troep kraaien in volle vlucht met huid en haar opgepeuzeld worden. Alleen het lillakleurige strikje dwarrelde mij speels als een leeglopende luchtballon achterna.
In de schilferende schacht van mijn geheugen dalen gestadig schimmen af. Kijk niet om - het leven rekt zich - we worden weer als sneeuw, brekend in onszelf, tot de geluidsmuur barst en volgend jaar zwijgen we opnieuw. Onder het puin. Om mijn mond weven spinnen een moorddadig web - nee, het past mij niet - en bolle winden blazen kloven in mijn buik. Het aantal tenten rondom mij is als een TEE-trein toegenomen en teder kijkt een tafel toe hoe ik de teugels in m ijn hand met trotse trekken vier. Trager echter tikt mijn tong.
De geheel in het zwart geklede dame bekeek de jongen met een onmiskenbare wrevel. ‘Mijn man heeft je verdediging op zich genomen’ zei ze ‘maar ik heb hem verboden op je proces aanwezig te zijn. Wettelijk heb je recht op iemand die je verdedigt, maar je kunt niet verlangen dat dit publiek gebeurt. Hij zal zijn pleidooi aan de beul overmaken en ik zal in de kapel voor je zielerust bidden’. ZIELERUST! De jongen zag zichzelf weer liggen. Tussen de zacht ruisende bomen op het kerkhof. Met z'n allen roerloos de komst van de hond afwachtend. En luisterend naar de treinen die in het aanpalende station af en aan reden. Ze telden de treinen. Om de honderdduizend treinen kwam de hond; en deze nacht was het weer zover. Ze hoorden hem voor het gesloten hekken tegen de maan aanhuilen. Een huivering doorstroomde hun dode lichamen opnieuw en het hekken opende
| |
[pagina LI 150/224]
[p. LI 150/224] | |
zich. De hond liep één voor één alle graven af, en waar hij voorbijgegaan was, kwamen ze in zijn schaduw weer tevoorschijn. Broos en bijna doorzichtig. Ze namen rustig de plaats op hun zerken; ze hadden alle tijd. Wanneer iedereen gewekt was, huilde de hond opnieuw tegen de maan op. In koor beantwoordden ze die klaagzang met zachte aandrang. Daarna liep de hond nogmaals alle graven af. Door de opening in zijn rug stopte iedereen een stukje van het eigen geraamte in het uitgeholde hondenlichaam. Naarmate de hond verder liep, werden zijn bewegingen trager. Voor het graf van de jongen stortte hij neer. Het hondelijf was nu door een groen fosforiserende glans omgeven, een glans die geheel verteerde. Even bleef het groene wolkje hangen en kwam toen de richting van de jongen uit. Naarmate het wolkje hem omgaf voelde de jongen opnieuw een aangename warmte in zich opstijgen en werd hij ook minder doorzichtig. Wanneer het wolkje zich geheel in hem opgelost had, zag hij dat de anderen zich teruggetrokken hadden. De aarde voelde hard aan onder zijn voeten, terwijl hij zich naar het hekken begaf. Het was weken geleden sedert het voor 't laatst geregend had. Maar er stond een zachte wind die de morgen toch iets van frisheid meegaf. In het schijnsel van de opkomende zon merkte de jongen een vogelschrik in de tuin van de pastoor. Hij liep om de kerk heen en ging even uitrusten op de trappen die naar de ingang leidden. In het portaal stond een invalidenwagentje. De zon klom hoger aan de horizon en de oude pastoor verliet de pastorij om de klokken te luiden. Eén na één verzamelden de dorpelingen zich rond het kerkgebouw. De dokter was een van de laatsten, want bij zijn komst was de dans reeds aangevangen. ‘Wel?’ vroeg de in het zwart geklede dame. ‘Ik vrees dat het overbodig is’ antwoordde de jongen. ‘Dan heb ik je niets meer te zeggen’. Achter haar draaide de
celdeur onhoorbaar dicht.
Totale onzekerheid omtrent herkomst onderzeeër... stop... Beantwoordt geen enkele oproep tot identifikatie... stop... Parlement in spoedzitting bijeen om houding te bepalen... stop... De marine houdt de fjord afgegrendeld... stop... Einde bericht.
‘De radar geeft een nieuwe positieverandering aan, luitenant’. ‘Je reinste zelfmoord; het kordon sluit als een bus. Markonist, probeer een oproep op de noodband’. ‘Bevelhebber aan ongeïdentificeerd vaartuig, u bevindt zich binnen de territoriale wateren, tot welke mogendheid behoort uw vaartuig, tot welke...’. ‘De radar geeft de X voet naderingsgrens aan, luitenant’. ‘De gloeiende kaffers!’ ‘En indien hun machines het nu eens niet meer deden en ook hun radio defekt was, luit?’ ‘Geef nu het hoofdkwartier’. Het parlement heeft zich uitgesproken voor een internationale kontrole van het incident... stop... Kort daarop heeft het marine-hoofdkwartier, in overleg met de buitenlandse mogendheden, de naderingsgrens uitzonderlijk op Y voet vastgesteld... Het ongeïdentificeerd vaartuig bevindt zich momenteel op minder dan X voet van het kordon... stop... einde bericht...
| |
[pagina LI 151/225]
[p. LI 151/225] | |
De valpartij eindigde in het melkwitte vocht van een soort zwembassin. Op de een of andere manier bereikte ik behouden de rand van het bassin en probeerde nu ook het lillakleurige strikje naar me toe te halen. Terwijl het melkwitte vocht in fijne kronkelstraaltjes als een soort kwikzilver van me afgleed, bemerkte ik dat de wanden van de badzaal een soort koepel vormden, rijkelijk van druipstenen voorzien. Het waren deze druipstenen die voor de produktie van het melkwitte vocht instonden. In het centrum van de koepel was het zwarte gat waaronder het gele licht gevangen zat. Ik schudde het lillakleurige strikje eveneens vochtvrij en begon het tussen duim en wijsvinger zachtjes heen en weer te wiegen als een slinger. Het getik van de melkwitte druppels op het vloeistofoppervlak was nu zeer duidelijk hoorbaar. Ik schatte dat om de sekonde een druppel viel en daarna begon ik aan het tellen van de druppels de tijd te rekonstrueren. Ongeveer een eeuw later hield het tikken op en tegelijk wezen de trillende uiteinden van het lillakleurige strikje een bijna manshoge spleet in de koepelwand aan. Ik wurmde mezelf de spleet in, maar deze was zo nauw dat ik het strikje moest achterlaten om er doorheen te raken. Naarmate ik verder door de spleet vorderde, werd deze gelukkig iets breder, en naarmate de spleet breder werd hoorde ik ook beter het gedreun. Het gedreun - dat aanvankelijk slechts een zacht roffelen was - groeide met regelmatige tussenpozen aan tot een donderend geraas dat mij aan het mekkeren van wielen op ijzeren rails deed denken. Nu de spleet zo breed geworden was dat het eerder een soort tunnel leek, kon je ook duidelijk merken dat bodem, wanden en zoldering met geglazuurde tegels waren bekleed. Het gele licht dat gestadig met mij mee door de spleet was weggespoeld, begon zich te mengen met een blauwachtig schijnsel dat ons vanuit de tegenovergestelde richting tegemoet kwam. Waar de mengkleur overwegend lichtblauw geworden was, eindigde de tunnel door
zijdelings uit te monden in een andere - veel grotere - waarin naast een perron een spoorlijn liep. Boven de kleinere tunnel waaruit ik gekomen was, zag ik een bordje dat als opschrift ‘EXIT’ droeg. Ik liep het nogal bochtig slingerende perron af en hoorde opnieuw het aanzwellende geraas. Plots zag ik onder oorverdovend kabaal een vlammend rode metrotrein voorbijflitsen. Toen ik kort daarop het knarsen van de remmen hoorde, vermoedde ik dat vlakbij een halte moest zijn. Na een drietal bochten zag ik inderdaad sedert lang opnieuw een mens. Het was een oude man die rechtop tegen de schrilblauw verlichte tegels stond en zachtjes schreide. Ik probeerde met hem te praten maar hij hoorde noch zag mijn aanwezigheid. De tranen gleden over zijn stoppelbaard tot op de revers van een overigens vlekkeloze witte smoking. Ik schoof mijn arm tussen de zijne door en dwong hem zachtjes met mij mee te gaan. Gewillig maar nog steeds onophoudelijk schreiend ging hij naast me, de volgende bochten tegemoet...
De jongen voelde hoe hij naar de exekutie begon te verlangen en stond vastbesloten van zijn brits op. Hij had amper drie maal tegen de celdeur getrapt of vier behulpzame handen sleepten hem weg en brachten hem naar de binnenplaats. Dan losten ze de riemen en trokken hem de
| |
[pagina LI 152/226]
[p. LI 152/226] | |
jute zak van het hoofd. De zon stond hoog aan de hemel en de jongen knipperde onwennig tegen het helle licht. Wanneer zijn ogen zich enigszins hadden aangepast, merkte hij dat de hele binnenplaats met groene graszoden bedekt was. Tientallen mussen tsjilpten elkaar van de grassprieten weg en de jongen bedacht voor het eerst dat het weer lente was. ‘Kom’ zei een stem. Aan de andere kant van de grasvlakte was een zware eikenhouten poort en voor die poort stonden drie figuren. Stap voor stap ging de jongen op de drie figuren af. Rechts herkende hij de zwarte dame, links de verpleegster - wit - met buitendienst. In het midden stond de
oude dorpspastoor. De drie figuren keerden zich nu met de rug naar de jongen toe, openden de poort en gingen de brede hoofdlaan van het kerkhof op. ‘Volgen’ zei de stem. De kleine optocht sloeg spoedig een zijpad in. Honderden witte chrysanten geurden bedwelmend maar de bomen stonden roerloos want er was geen zuchtje wind. Wanneer ze voor de open kuil met de uitnodigende kist gekomen waren floot in de verte een trein. De drie figuren plaatsten zich aan het hoofdeinde van de kuil. ‘Halt’ zei de stem. De jongen merkte dat het hoofdkussen in de kist ontbrak. Toen ontblootte de oude dorpspastoor het hoofd en sprak zichtbaar ontroerd: In de beginne was het woord. En het woord was wet. Maar het volk heeft het niet aangenomen. Wanneer het licht kwam in de duisternis herkende het woord zichzelf niet meer omdat de wet het licht verbood. Ik neem U allen tot getuige dat de betichte schuldig is en elke misdaad gestraft wordt door de wet. Zo helpe ons het woord.
‘Liggen’ zei de stem. De jongen nam languit plaats in de kist. De kist was blauw gekapitoneerd. Hetzelfde blauw strekte zich uit in de lucht boven hem en in de ogen van de verpleegster die de injektie toediende. ‘Sterf’ zei de stem. De geheel in het zwart geklede dame viel bewusteloos maar werd door de verpleegster met buitendienst liefdevol bijgestaan. De jongen zag nog hoe het gezicht van de dokter - de stem zweeg - zich over hem heenboog en knipoogde. Toen werd alles zwart en het deksel dichtgenageld.
‘Vijf, vier, drie, twee, één, nul’. Vier torpedo's trokken een witte zoglijn boven het water. Waar de lijnen elkaar ontmoetten spatte het water in een brede cirkel als een verfrissende regen uiteen. ‘Roos’ zei de man aan de radar. ‘Het hoofdkwartier’ zei de markonist. ‘Naar de
| |
[pagina LI 153/227]
[p. LI 153/227] | |
hel met het hoofdkwartier’ zei de luitenant.
Kikvorsmannen hebben het wrak onderzocht... stop... Het vaartuig bleek een aftandse onderzeeër uit W.O. II... stop... aan boord bevonden zich een man en een hond... stop... een herdershond... stop Einde bericht.
Mijn naam is Carlos en ik ben - daaraan geloof ik - normaal. Ik heb mezelf voorgenomen aan iets te blijven geloven.
Op het perron stonden twee figuren.
| |
Appendix
Het imaginaire ligt een boodscheut ver. Omdat we het schieten met de boog echter al een tijd ontwend zijn, merken we dat niet langer. Pas wanneer we om een of andere reden één oog sluiten en door het andere dubbel intens toekijken zien we hoe het fantastische hand in hand gaat met de realiteit. Wanneer we eventueel om weer een andere reden beide ogen sluiten en erg gekoncentreerd naar binnen kijken, dan merken we pas hoezeer de realiteit een fiktie is. Doch de heerschappij van het tastbare is een heilige leugen waarin we allemaal maar al te graag blijven geloven. Al was het maar om de dreiging die van onze fantasie uitgaat beter te kunnen ontlopen. Het is en blijft echter een vlucht. Een vlucht vanuit een grenzeloze kosmos naar een piepklein ruimtetuig waarvan de baan steeds weer door anderen wordt bepaald. En op die manier cirkelen we dan uiteindelijk elk ons tijdje om onszelf. Doch dit is duidelijk opnieuw een ander verhaal...
& &
&
Verbeelding in de steek gelaten door rede verwekt onmogelijke monsters; verenigd met haar is ze de moeder van de kunsten en de bron van hun wonderen.
Goya - 1797
|
|