Burgerschap, verlichting en gevoelens van rechtvaardigheid
Céline Spector
Samenvatting
Een burger maakt deel uit van een politieke gemeenschap waar hij bepaalde rechten geniet en de plichten aanvaardt behorende bij die gemeenschap. Gedurende de 17e eeuw werkten vele theoretici (Grotius, Hobbes, Pufendorf) op het gebied van natuurwetten of sociale contracten aan een nieuwe definitie van burgerschap gekoppeld aan een theorie bestaande uit rechten en plichten. Mijn onderzoek beperkt zich echter tot het achttiende-eeuwse Frankrijk en de nalatenschap van die tijd.
In het lemma ‘Citizen’ van de Stanford Encyclopaedia of Philosophy is de ruime definitie van burgerschap met zijn rechten en plichten waarneembaar en te associëren met kleine variaties zowel in het werk van tijdgenoten als in het lemma ‘Citoyen’ in Diderot's en d'Alembert's Encyclopédie (1753). In dit opzicht is het concept van burgerschap tweeledig. Burgerschap is ten eerste een legale status, te omschrijven door burgerlijke en soms sociale rechten. Burgerschap is echter ook een synoniem voor politieke macht: burgers zijn handelende personen, die actief deelnemen aan de politieke instituties van een samenleving. Het laatste aspect wordt vooral benadrukt in republikeinse (versus ‘liberale’) concepten: burgers worden niet alleen beschouwd als rechthebbende onderdanen, maar ook als co-auteurs van de wetten, betrokken bij staatszaken. Maar is dit onderscheid tussen het zogenaamde liberale en republikeinse concept van burgerschap zo duidelijk? Het eerste bezwaar zou al het concept van de rechten zelf kunnen zijn: ten slotte is burgerschap in zijn volle betekenis, het uitoefenen van politieke rechten en niet alleen van burgerlijke of sociale rechten.
Een volledige theorie inzake burgerschap vereist een analyse van de redenen waarom men er in een liberale samenleving de voorkeur aan geeft om alleen die instituties of voorzieningen te verdedigen, wanneer deze offers vragen die alleen in het belang zijn van de personen die het betreft. In John Rawls invloedrijke werk (A Theory of Justice, 1971) vormt het ‘gevoel van rechtvaardigheid’ de basis voor een ‘realistische utopie’. De kern van Rawls theorie over burgerschap, het gevoel van rechtvaardigheid voorkomt de verleiding van ‘free riding’ (profiteren van de sociale voorzieningen zonder enige positieve bijdrage). Bovendien bevordert het een algemeen gevoel van samenwerking en ‘fair play’.
Het is nu verleidelijk om een dergelijke idealistische benadering van burgerschap te bekritiseren. Is de veronderstelling dat een gevoel van rechtvaardigheid in elk mens aanwezig is niet te mooi om waar te zijn? In A Theory of Justice laat Rawls zien dat de