| |
| |
| |
De geschiedenis van den ouden Wolf.
(Uit het duitsch van Lessing.)
I.
De booze Wolf, tot jaren gekomen zijnde, nam het schijnheilig besluit, op eenen vriendschappelijken voet met de schaapkens te leven. Hij stond dan op, en ging tot den Schaper, diens kudden het digst bij zijn hol waren.
- Schaper, sprak hij, ge noemt mij eenen bloeddorstigen dief, en dit ben ik waarlijk niet. Wel is waar, ik moet uwe schapen aanvallen, als ik honger heb: want honger doet pijn. Beschut mij slechts tegen den honger; geef mij maar genoeg te eten, en ge zult zeer wel met mij tevreden zijn. Geloof mij, ik ben wezenlijk een allertamst, allerzoetaardigst dier, zoo haast ik verzadigd ben.
- Ja, zoo haast gij verzadigd zijt, dit zal wel waar wezen, antwoordde de Schaper; maar wanneer zijt gij verzadigd? Gij en de gierigheid zult het nooit worden. Ga uwen weg! -
| |
II.
De weggejaagde Wolf kwam tot eenen tweeden Schaper.
| |
| |
- Ge weet, Schaper, begon hij te spreken, dat ik u, het jaar door, menig schaapken verworgen kan. Maar wilt ge mij, het eene jaar door het andere, zes schapen geven, dan ben ik tevreden. Dan kunt gij gerust slapen en de honden zonder aarzelen afschaffen.
- Zes schapen? zei de Schaper; dit is eene geheele kudde!
- Welnu, daar gij het zoo wilt, ik zal mij met vijf bevredigen, zegde de Wolf.
- Ge lacht er mede! Vijf schapen? Meer dan vijf schapen offer ik, in een geheel jaar, aan de goden niet.
- Ook niet vier? vroeg de Wolf verder, en de Schaper schudde spottend het hoofd.
- Drie?... Twee?...
- Niet een enkel! Het zou gek zijn, mij tolpligtig te stellen aan mijnen vijand, tegen wien ik mij door mijne waakzaamheid beveiligen kan. -
| |
III.
Alle goede dingen bestaan in drie, dacht de Wolf, en hij ging tot eenen derden Schaper.
- Het doet mij waarlijk pijn, sprak hij, dat ik bij de Schapers als het gruwzaamste, gewetenlooste dier berucht sta. Ik wil u bewijzen, hoe onbillijk men jegens mij is. Geef mij jaarlijks een schaap, dan zal uwe kudde, in gindsch woud, dat niemand onveilig maakt dan ik, vrij en onbeschadigd weiden kunnen. Een schaap! Welk eene kleinigheid! Kan ik grootmoediger, onbaatzuchtiger handelen? Gij lacht, Schaper! Waarover lacht gij dan?
| |
| |
- Och! over niets. Maar zeg eens, goede vriend, hoe oud zijt gij?
- Wat gaat u mijn ouderdom aan? Ik ben toch nog jong genoeg, om uwe lammeren te verworgen.
- Word niet boos, oude pelgrim. Het spijt mij, dat ge met uw voorstel eenige jaren te laat komt. Uwe uitgebeten tanden verraden u. Ge speelt slechts den onbaatzuchtige, om u met deste minder gevaar te kunnen voeden. -
| |
IV.
De Wolf was gestoord; maar hij bedaarde weder en ging tot den vierden Schaper. Dezen was even zijn getrouwe hond gestorven, en de Wolf nam de omstandigheid te baat.
- Schaper, sprak hij, ik heb mij met mijne broeders in het woud zoodanig oneenig gemaakt, dat ik mij in der eeuwigheid met hun niet meer kan verzoenen. Ge weet hoeveel ge van mij te vreezen hebt. Als ge mij echter, in plaats van uwen overleden hond, in dienst wilt nemen, zoo sta ik er voor in, dat zij zelfs uwe schapen met geen scheel oogen zullen durven bekijken.
- Gij wilt ze dus, vroeg de Schaper, tegen uwe broeders in het woud beschermen?
- Wat anders? zei de Wolf.
- Dit ware niet slecht. Maar, als ik u nu in mijne kudde nam, zeg mij toch, wie zou dan mijne arme schapen tegen u beschermen? Een dief in huis nemen, om tegen dieven buiten 's huis veilig te zijn, dit houden wij menschen voor....
| |
| |
- Ik hoor het al, zei de Wolf, ge begint te moraliseren. -
| |
V.
- Ach! ware ik zou oud niet! knarsde de Wolf. Maar ik moet mij naar den tijd schikken. -
Zoo kwam hij bij den vijfden Schaper.
- Kent ge mij, Schaper? vroeg hij.
- Uws gelijken ken ik ten minste, antwoordde de Schaper.
- Mijns gelijken? Daaraan twijfel ik zeer. Ik ben een zoo zonderling Wolf, dat ik uwer en aller Schapers vriendschap wel waard ben.
- Hoe zonderbaar zijt gij dan?
- Ik zou geen levend schaap kunnen verworgen en vreten, al moest het mijn leven kosten. Ik voed mij met niets dan met doode schapen. Is dit niet loflelijk? Sta mij toe, dat ik nu en dan eens bij u kome vragen, of er soms niet....
- Spaar uwe woorden, zegde de Schaper. Ge zoudt in het geheel geene schapen moeten vreten, ook geene doode, als ik uw vriend moest wezen. Een dier, dat doode schapen vreet, leert ligt zieke schapen voor dood, en gezonde schapen voor ziek beschouwen. Maak dus op mijne vriendschap geenen staat, en ga heen. -
| |
VI.
- Nu moet ik er, dacht de Wolf, mijn beste aan wagen, en hij kwam tot den zesden Schaper.
- Schaper, hoe bevalt u mijn pels? vroeg hij.
- Uw pels? Laat zien. Hij is mooi; de honden
| |
| |
moeten u niet dikwijls onder den tand gehad hebben.
- Welnu, hoor. Ik ben oud, en zal het niet lang meer trekken. Voed mij tot mijne dood, en ik vermaak u mynen pels.
- Ei! zie toch! Zijt gij ook achter die treken der oude gierigaarden gekomen? Neen, neen, uwe huid zou mij op het einde zeven maal meer kosten, dan zy waard is. Maar, is het uw ernst, er mij een geschenk van te maken, geef ze mij nu. -
Hiermede greep de Schaper naar zijnen knods, en de Wolf nam de vlugt.
| |
VII.
- O! die onbarmhartigen! - schreeuwde de Wolf en geraakte in de uiterste woede. - Dan wil ik ook als uw vijand sterven, eer mij de honger om het leven brengt; want zij willen het niet beter! -
Hij liep, brak in de woningen der Schapers binnen, rukte hunne kinders neder, en werd, niet zonder groote moeite, door de Schapers verslagen.
Toen sprak de wijste van hun. Wij handelden toch niet regt, dat wij den ouden dief tot het uiterste bragten en hem alle middels tot betering, hoe laat en gedwongen zij ook ware, ontnamen. -
|
|