24
Zij waren samen naar een andere stad geweest; ach, waar gingen zij al niet naar toe, zittende. In auto's en staande. Langs de weg. Op de terugweg snel weggereden uit de stad, uit het licht, met zware jassen weg van de politie met een auto waarin het naar kippen ruikt of naar splinternieuwe hoeden, met bruine leren randen binnenin waarop kleine nikkelen plaatjes zijn vastgemaakt: l.j., c.f. en de bestuurder was niet bijzonder spraakzaam, wat ons geen verdriet deed omdat we moe waren en geen zin in liegen hadden; de grote reis ging naar wens, - als ze tenminste niet haar scherpe handen beneden in mijn dij stak, zodat ik krulde en schokte en niet wist hoe ik het zoeken moest om weer niet voor ongrijpbaar, zo zeer te grijpen, aangezien te worden - , en ze dommelden bijna toen de man plotseling stopte bij een volledig donkere zijweg, waar hij kennelijk in moest: hij sprak geen woord, had misschien sluipende handen in zijn spiegeltje gezien. Dan staan zij in de hete nacht bij de autoweg die wit wordt, waar venijnige paren reptielenogen hen aanstaren, als er snelle wagens voorbij komen. Snelle wagens, die geen acht op hen slaan, schuiven voorbij: want per slot is het miniatuurdorp niet naar het voorbeeld hier gemaakt, maar alles naar het voorbeeld van de