16
Wat wel degelijk vreemd is: dat ik met dit alles begon voor de zekerheid er was. Er was zelfs geen herkeerde julitwijfel, - toen de gespannenheid voor de eerste keer, als een prettige pijn, gekomen was, vreemd, hoogmoedig en weggenomen werd met zichtbaar heimwee. De zon bestond nog en we gingen vaak zwemmen. Het was in het warme zand waar ze me het vertelde, erom huilde, waar we er samen om lachten. Maar de zekerheid viel weg (niet operatief, niet mechanies, maar met de natuurlijkheid van een vogellichaam) en of het heimwee ooit eerder verdween, voor nu - met de nieuwe twijfel, weet geen god. Want de gedachten groeien, - als polders waar het water wegstroomt en slibvormen achterlaat - en de werkelijkheid wordt gericht hiernaar - met fluisterende kabels, kooien - en tast en zoekt (tot de bewegende lichamen passen en eindelijk ingestoken worden) waarom wil je eigenlijk niet naar huis komen? Het meeste wat niet of werkelijk bestaat is niet hier, - waar de zintuiglijkheid leeft en heerst, maar kruipt onder het vel van de dag, het uur, - de mens. Niet dat hierdoor ook maar iets eenvoudiger wordt, mijn liefste achter je ogen.