| |
| |
| |
VI.
Hoelang hij daar bewusteloos gelegen had en gezieltoogd, Jantje had er geen besef van. Hij ontwaakte als uit een doodslaap, waarin hij zijn geheugen verloren had en zichzelf niet meer herkende. Hij wist niet waar hij lag, wilde niet gelooven dat hij nog leefde; alle pijn was uit zijn lijf, 't gevoel uit zijn ledematen scheen opgekrompen en samengetrokken op één enkele plaats: zijn armen en beenen behoorden hem niet meer toe, ze lagen onnuttig langs zijn lijf. Zijn oogen keken starling de kamer rond, die openlag zonder wanden of omhein, als een wijd veld in grijzen nevel, aamloos en stil. Zijn hoofd was een ijdele pot, de gedachten waren er uit weg, maar alle geluiden hoorde hij, zoowel 't geen op straat als in huis gebeurde - het ronkte er in zijn ijdelen schedel.
- Nu ben ik op weg naar de eeuwigheid, meende Jantje, en het verwonderde hem zoo gerust en zonder vrees het vervaarlijk verscheiden af te wachten. - Mijn laatste broodjes zijn gebakken, meumelde hij. Theresia, Irmatje, de menschen en de huizen van 't dorp, zijn eigen vroeger bestaan, de bakkerij en de winkel - dat alles lag als nietigheid in onafzienbare verte achter hem, - het kijken niet weerd, en hij was verwonderd hoe dat alles hem eens had aanbelangd. De oneindige reeks dagen van zijn bestaan lagen op een lijn, als op een touwtje geritst, dat over een
| |
| |
blak veld gespannen hing. Alles wat hij ontwaarde, 't waren de brooden die hij gebakken had, de vele brooden, niet te tellen, en dàt alleen troostte hem: dat er zooveel waren.
Hij hoorde menschen beneden aan 't werk, zonder dat hij raden kon wie er doende was, of hoe zij het deden zonder hem.
Als hij daar langen tijd zoo gelegen had, zonder honger of dorst, begon hij zich zelf af te vragen: hoe lang het nog wel aanslepen kon, of het zoo blijven zou? Hij had altijd gemeend dat sterven er heel anders toeging. Hij wachtte naar iets dat gebeuren moest... Zouden ze hem nu komen afleggen en in de kist doen? Of moest de pastoor nog eerst zijn werk aan hem verrichten? Was hij nu gereed voor een christelijken uitgang? Wie zou het hem zeggen? De minuten waren als uren, en 't wachten zonder eind. Doch Jantje kende haast noch onrust - gejaagdheid bestond niet meer.
Eindelijk hoorde hij iemand de trap opkomen en hij besloot maar gauw de oogen dicht te houden, te doen alsof hij sliep. Er werd getrappeld rond het bed, menschen weenden, - hij herkende de stem van Theresia en Irmatje, met nog ander wijven.
- 't Kan nog een tijd duren, zegde er eene.
- Meent ge't? vroeg de andere.
- Mijn vent heeft veertien dagen alzoo gelegen en hij is nog genezen.
Jantje herkende de stem van Fientje, het appelwijf; het was van haren vent dat ze vertelde, den blikslager. Theresia en Irmatje deden niets dan snikken en weenen.
- Dat is om de oogen der menschen te paaien, meende
| |
| |
Jantje.
Als de wijven vertrokken waren, kwamen er andere, en die zegden ook hunne meening. Later kwam de koster en toen kermde Theresia:
- Mijn arme man, kan hij alzoo sterven?
- We zullen er in elk geval den pastoor bijroepen, meende de koster. 't Is altijd een gerustheid, alhoewel 't voor uw man niet zoo erg is: hij heeft altijd christelijk geleefd, en nooit een puid kwaad gedaan.
- Als ge 't wist! meende Jantje, en hij moest zich inhouden om niet te lachen.
- Als hij kon tot sprake komen, en biechten, meende Theresia. Hij was altijd zoo bang om te sterven!
- Gij hebt het beter voor, meende Jantje.
- Ik wilde wel in zijn plaats zijn als ik moest naar de eeuwigheid gaan, verklaarde de koster.
- Hij bad elken avond om een goede dood te bekomen, en nu moet hij alzoo van de wereld gaan! kermde Theresia. - Dat is misschien wel zijn genade, troostte de koster, - er zijn heel brave zielen die op hun uiterste van vrees in wanhoop vallen, daarom verleent Ons-Heer hun de genade van zachtjes en buiten kennis te sterven. Ik heb aan veel sterfbedden gestaan, en van alles gezien, zegde hij.
Eens dat Theresia en Irmatje alleen op de kamer waren, spraken zij op geheel nuchteren toon, en begonnen alles te schikken voor de uitvaart en de begraving. Jantje hoorde schoven opentrekken en kasten sluiten.
- 't Lijnwaad en alle kleeren moeten uit de kamer, beval Theresia. Dat versleten beddelaken kunnen wij gebruiken om hem af te leggen, en we zullen hem zijn oude kleeren
| |
| |
aantrekken.
Dan gingen ze aan 't twisten over den lijkdienst. Theresia wilde het goedkoop afstoven, maar Irmatje was gesteld op een begrafenis met de groote klok en veel waskeersen rond de lijkbaar.
- Hoe zou dat staan met onze rouwkleeren, moeder? - 't Een moet op 't ander trekken, beweerde zij.
Dan regelden zij den grooten kuisch, hoe ze alles van oppe te neer zouden moeten schoonmaken om den reeuwreuk weg te krijgen.
Ze gingen naar beneden en koutten er voort, maar nu verstond Jantje niet meer wat ze daar uitkraamden. Wat later kwamen zij weer boven met mijnheer pastoor. Ze stonden een heelen tijd zonder spreken, en Jantje vermoedde dat ze hem aankeken. Toen begon Theresia heel 't verloop van zijn ziekte te vertellen en de bijzonderste gebeurtenissen uit Jantje's leven.
- Ge hebt hem gekend, mijnheer pastoor, zegde zij, beter dan ik: hij kwam bij u te biecht. Ik moet er niets bijdoen. Ik heb nooit over hem te klagen gehad, - zijn oploopendheid en haastigheden zijn hem vergeven.
Zij viel aan 't weenen en Irmatje ook.
- Hij is nu bij de tachtig, mijnheer pastoor, zegde zij, en al den tijd dat we getrouwd geweest zijn, heb ik er nooit iemand een woord over geklaagd, maar daarmede heeft hij mij bedrogen...
Jantje vermoedde dat zij de dekens van over hem wegtrok om zijn veretterde beenen te laten zien, die vereten waren van de schurft, want de pastoor zegde haastig:
- Laat dat gedekt, Theresia, dat zijn zaken die niet moeten
| |
| |
aan den dag komen. We zullen beter doen een onze-vader te bidden. Ik zal hem de algemeene absolutie geven, en is 't dat hij tot sprake komt, kunnen we hem berechten.
Jantje gevoelde de druppeling van gewijd water dat ze over hem speersden, hij hoorde de woorden in 't latijn, zonder dat er iets in hem roerde.
Daarna lieten zij hem weer alleen. Langen tijd werd Jantje niets meer gewaar; 't scheen hem van langs om meer dat alle geruchten uit de verte kwamen, - alles verruischte in onduidelijkheid door zijn hoofd. Tot hij eindelijk niets meer hoorde, het huis en het dorp in de stilte vergaan waren. Toen voelde hij zich langzaam de helling neerglijden, naar een anderen diepen slaap, waar 't donker was en zwart. Het kringetje leven in zijn hoofd verengde, neep dichter toe en ging uit als een keersvlammetje.
Maar toen hij weer ontwaakte, had hij opnieuw het leven en 't gevoel door heel zijn lijf. Hij kon armen en beenen roeren, en als hij de oogen opende, ontwaarde hij de witte wanden der kamer en 't kruisbeeld boven zijn bed. Uit dien vervaarlijken doodslaap had hij echter niets meer onthouden. Hij wist er lang gelegen te hebben en dat het hu eindelijk tijd was om op te staan. 't Belangde hem weer in roere en leven te komen. Werkelijk begon hij te krevelen en gerocht uit het bed. Hij voelde zich nog wat flauw op de beenen, maar, toen hij rondkeek, was zijn broek en vest nergens te ontwaren en hij moest in zijn bloot hemd naar beneden komen. Langs de trap werd hij een nieuwen geur gewaar, een vreemde lucht die hij niet gewend was. Het moest in den voormiddag zijn, daar de verschbakken brooden reeds in den winkel stonden.
| |
| |
Toen Theresia hem zag verschijnen, slaakte zij een luiden schreeuw en vluchtte weg. Zonder dubben ging Jantje naar de bakkerij en daar vond hij... Fideel volop aan 't werk, en wel met Jantjes kleeren aan zijn lijf! hij herkende de broek en de voorschoot als de zijne. Fideel, in plaats van te schrikken, begon luidop te lachen, als hij Verduurke in zulk postuur zag verschijnen. Toen Jantje daar, als een schamele duts, in zijn hemd, besluiteloos stond te bibberen, naar 't scheen in verbazing om uitleg te vragen, nam Fideel hem bij den arm en leidde hem naar boven, en zei dat hij moest te bedde blijven, en legde er hem in met een harden duw.
- Theresia? Wat is er met Theresia? vroeg Jantje.
- Theresia, ze is lange dood en begraven, gij sul! Ge hebt haar overleefd! vertelde Fideel.
- Maar, 'k heb haar gezien, daar zoo even! beweerde Jantje.
- Irma hebt ge gezien en ze was bang, ze zal gemeend hebben dat het uw geest was. Wat manieren zijn dat, om als ge een half jaar geen teeken van leven hebt gegeven, zoo al met eens in huis te verschijnen!
Jantje lag weer in zijn bed en begon te trachten een eind te vinden aan dien zonderlingen toestand. Hij meumelde inwendig zijn ontevredenheid uit, om 't geen in zijn afwezigheid gebeurd en veranderd was: Theresia dood? Hij kon het niet gelooven, - maar hoe is Fideel hier binnen gerocht? En hoe kan ik dood geweest zijn als ik Theresia nergens in de andere wereld ontmoet heb? Was zijn geheugen weg, of maakten zij hem leugens wijs? Bij 't minste gerucht dat hij beneden hoorde, kroop hij uit
| |
| |
| |
| |
het bed en kwam luisteren aan de trap.
Hij hoorde figuurlijk Theresia's stem, - of was het Irmatje...? Zij keef en schold op Fideel, juist gelijk Theresia op hem had gekeven voortijds. Doch nooit hoorde Jantje Fideel een woord tegenspreken. Jantje gerocht er niet wijs uit, schudde het hoofd - dacht dat hij het was die in de bakkerij liep. Maar toen ging een groote klaarte op in zijn geest: Fideel had er zijn plaats ingenomen, - Irmatje die van haar moeder, en getweeën zouden zij nu het leven voortzetten gelijk hij met Theresia begaan had. Theresia was hem reeds voor naar de eeuwigheid, terwijl hij zelf hier nog te onpas overbleef, - want hij voelde er zich buitengesloten. Tijdens zijn ziekte hadden zij alles geregeld en beredderd, alsof hij niet meer meetelde - eerlang zou het met hem ook uit zijn: Fideel zou nu de brooden bakken. En het gewichtig ding, waar hij heel zijn leven in it geheim naar verlangd en op gerekend had: om alleen met zijn Irmatje, een ouden dag te slijten - het bracht hem nu geen voldoening; het was anders uitgevallen dan hij berekend had. Nu wist hij niet meer waarom hij nog leefde, of wat hier in huis nog te doen had.
Eens dat hij weer ergens oude kleeren ontdekt had, konden ze Jantje niet meer boven houden, maar al waar hij den voet zette, een hand trachtte toe te steken, kwam hij te vroeg of te laat. Irmatje stiet hem met kwade woorden uit den weg, blekte en bekeef hem. Hij moest haar meer ontzien dan Theresia vroeger.
Van nu voort ondervond Jantje dat het voor hem beter was op straat dan in huis en hij trok naar de kerk. Daar bleef hij halve dagen zitten bidden voor zijn ziele zaligheid. De
| |
| |
doening in de bakkerij, het rinkelen van de bel in den winkel, al 't geen er in huis omging, belangde hem niet meer. Hij kon maar niet begrijpen waarom de menschen van 's morgens tot 's avonds, zoo verslaafd aan de bezigheid waren, te zorgen liepen voor hun dagelijksch bestaan, en 't eenige noodige verwaarloosden: 't werk hunner zaligheid.
Hier in de kerk, zat hij alleen, het was er zoo rustig, rondom tusschen de ledige stoelen in rijen geschaard, en de Heiligen in groote vereenzaming, hoog, elk tegen een pijler....
Jantje zat er zonder verpinken, starling te kijken naar 't eeuwiglicht dat glom in het roode glas der godslamp. Als hij moe was van bidden voor zichzelf, herbegon hij voor de menschen die nu daarvoor geen tijd hadden - voor den timmerman, den kleermaker, den beenhouwer, voor al die hij kende, voor hunne wijven en kinderen.
Op 't getijde kwam hij naar huis getrakeld, stak de voordeur open en de bel rinkelde alsof een gewone klant binnenkwam. Hij at van 't geen ze hem geven wilden, en voor hem weggezet was in 't schotelhuis. Daarna vertrok hij weer. De eerste maal dat hij op de plaats verschenen was, met een baard, zijn haren wintermuts op en een grooten frak aan, hadden de geburen Jantje niet herkend, maar nu waren ze gewend hem zoo te zien. Hij sprak iedereen vriendelijk aan:
- Ik heb een onze-vadertje voor u gelezen, zegde hij, gij hebt het zoo noodig!
Jantje verleefde nu zijn dagen in kalmte, onverschillig aan alles. Zijn wezen straalde van welgezindheid, hij monkelde
| |
| |
naar alles wat hij zag, alhoewel inwendig de vrees in hem wakker bleef voor 't geen waar hij onvermijdelijk naar toe moest en hem te wachten stond... Hij kon de gedachte niet verdrijven aan 't geen naderde en hem overvallen zou, ergens achter een hoek... Hij wist niets anders meer te doen te hebben als zich voor te bereiden, en dat wilde hij nu doen met eenbaarlijk te bidden. Den dag door wrochten zijn lippen, knabbelde hij gebeden. Zijn eenige gang was naar de kerk. Al wat hij van kruiskes, medaillen of beeldekens vinden kon of kreeg, maakte hij vast aan een van de menigvuldige paternosters die aan zijn hals hingen.
Langs den weg hield hij zich 't liefst op met kinderen, hij zocht ze bij hun spel, bleef er tegen staan kouten, en degenen van wie hij zag dat ze een duivelken zitten hadden, overblies hij en joeg er, met 't een of ander zijner beeldetjes, het kwaad af. De kleinsten zegende hij, gaf hen een vleitje met de toppen der vingers, en vertrok al monkelend. Al de kinders van het dorp kenden Jantje, waar ze hem ontwaarden, liepen zij hem te gemoet en riepen:
- Jantje, blaas mijnen duivel weg! Ze kwamen en staken hun voorhoofd bij om een kruiske en kusten het beeldeke dat hij naar hen uitstak. Telkens hij blies, lieten de deugnieten zich achterover vallen en dan lachte Jantje van welgezindheid omdat hij meende hen door 't geweld van zijn asem, omver geblazen te hebben.
De groote menschen zagen Jantje voorbijgaan en lieten niet toe dat iemand hem kwaad deed. Het heilig Verduurke, hieten zij hem en de moeders riepen hem binnen om een zegentje voor hunne kinders. Zij deden hem bijzitten om te eten en gaven hem een stuiver, als hij beloofde een gebed
| |
| |
| |
| |
te doen voor hun welzijn. Ze hadden een soort eerbied en een diep betrouwen in het oud, onnoozel bakkertje; zijn oogen stonden zoo zacht in zijn hoofd, zijn wezen keek altijd welgezind en lachend. En sommige wijven beweerden wondere dingen bekomen te hebben door Jantjes voorspraak bij Ons-Heer. Van Jantje wisten zij niets anders tenzij dat hij armoedig leefde en het geld dat hij kreeg, den Zondag in de offerschaal legde. Telkens als hij die gift deed, sprak hij een woord uit dat niemand verstaan kon.
Jantje was een figuur geworden op de gemeente, zoo gewend was men hem te zien voorbij gaan; maar als de plaatsenaars hem vandaag of gister niet gezien hadden, viel het op en ze vroegen elkaar: - Verduurke? Hebt gij Verduurke niet gezien? Waar mag hij zitten? Zou hij ziek zijn? Het belangde hen meer dan iets uit hun eigen gezin en ze haalden opzettelijk een brood naar de bakkerij om bescheid te weten en gerust gesteld te worden. Zij wisten zelf niet waarom het hen verontrustte; 't was alsof ze vreesden iets te verliezen dat er altijd geweest was, - iets dat zij door lange gewoonte niet meer missen konden. Overal, in elk huis werd Jantje beklaagd en bejammerd; nu nog maar zou men ondervinden hoe Verduurke van elk end een bemind werd en geëerd. Elk wachtte met benieuwdheid naar den toestand van zijn ziekte, als naar een gewichtige gebeurtenis.
|
|