Den distelvink(1649-1650)–Jacob Steendam– Auteursrechtvrij Vorige Volgende [pagina 151] [p. 151] Reden-Kaveling. Gepast op het twede Gedicht van den redenlievende Jongman Joannes Foullon. Foullon, de Son (met bléke-stralen) Wel kon op Bron, en béke dalen: Mits vocht, en tocht sijn meerder teeld. Dus docht ik, mocht ik teerder beeld (Vol Heyl) so steyl, van boven neder (In peyl) my veyl beloven weder: Dewijl ik yl te merken, dit U stijl: ik vijl mijn vlerken wit, Ontlijfd, verstijfd, en sonder krachten: Gy schrijft, en blijft een wonder t' achten: Dit blijkt: ey strijkt het oordeel recht: Bekijkt, gelijkt het voordeel: segt? In 't kort: ik stort hier regen-water: My schort een bort des tegen-prater: Om 't licht, 't gesicht te beelden of, Uw's Dicht, 't geen sticht, en teelden lof. Noch vaster. Vorige Volgende