| |
XX.
In den vooravond van den dag, welke op dien volgt, waarvan de jonge baronnes van Dormael in haren brief aan Henriette de la Venance gesproken heeft, zit Mijnheer Bareel-Van Dinter voor het langzaam uitdooven de kolenvuur van zijn salon. Zijn gelaat is bleek; zijn hoofd is moedeloos op de borst gezakt en zijn strak oog ziet, zonder te zien, naar den kolengloed. Op een paar stappen van hem zit zijne vrouw, nog mismoediger dan hij; er ligt eene doodelijke onrust op haar gelaat, en van tijd tot tijd wellen er zware zuchten uit hare borst op.
Er moet aan dien kouden en altijd gerusten speculant, een wel verschrikkelijk ongeluk overkomen zijn, om ditmaal zoo neêrslagtig te zijn!
De woekeraar Drummel, die voor Mijnheer Bareel altijd een booze geest is, heeft zoo even de kamer verlaten; er heeft een tooneel plaats gehad, welks beschrijving wij niet zullen beproeven.
Men herinnert zich, dat Bareel eene vrij aanzienlijke som aan
| |
| |
Drummel schuldig was, welke echter eenige maanden geleden, door het afleveren van eenige spoorweg-actiën werd afgelost en ook ten welken gevolge de in pand gegevene diamanten van Mevrouw in haar bezit waren terug gekeerd. Nu, op het oogenblik dat wij de beide echtgenoten, aan het vuur gezeten, ontmoeten, heeft Drummel bemerkt, dat de actiën, van welke hij een aanzienlijk voordeel hoopte, geene andere waarde dan..... scheurpapier hadden. Zij zijn met zeer kunstige handteekens bekleed, en als zoodanig mogt men ze als eene curiositeit beschouwen!
Mijnheer Bareel, voorzien van eene uitmuntende kwittancie, loochende ten stelligste het feit, verontwaardigde zich over de eerlooze verdenking van Drummel, riep de getuigenis van een aantal personen in, die de actiën ter beurze en in zijn huis onder 't oog hadden gehad en derzelver echtheid zouden bewyzen. De woekeraar was verschrikkelijk om zien; zijn oog schoot bliksems; zijne ledematen hadden al het vuur- en de spierkracht der jeugd bekomen, en toen hij dreigend uitriep: ‘Ik zal u en dien Darenge beiden aanklagen!’ had de wisselaar een oogenblik in zijne schijnbare kalmte en gerustheid gewankeld.
Bareel had echter tegen Drummel ook het een en ander in te brengen, en hij deed hem dit zoo koel, zoo bedaard, zoo meester van zich-zelven, gevoelen; hij haalde zooveel goede reden aan, dat de woekeraar waarachtig aan zijne onschuld begon te gelooven, en Tony Darenge alleen voor den pligtige hield. Toen echter Drummel, als het ware aan eene zinsverbijstering ten prooi, het huis verlaten had, legde de speculant de moeijelyke rol
| |
| |
af, welke hij gespeeld had. Zonder aan zijne vrouw eenige verklaring over het feit zelve te geven - zij toch was een te kortzigtig wezen, om iets van het financieele wargaren te begrijpen - deelde hij haar zijne onrust meê over Tony; hij sprak van het proces waarin hij zou betrokken worden; van de ontsluijering van feiten, welke men het liefst zou zien verborgen blijven, omdat het domme publiek zeer dikwijls ‘schelmerij’ ziet, daar, waar de handelaar en financie-man niets dan een slimmen trek ontwaren - en een slimme trek is toch wel geoorloofd, niet waar? Hij vreesde voor zijn crediet, dat sedert eenigen tijd begon te wankelen, en voor het wakker schudden van dat vervelend ras van schuldeischers. Overigens, wie ten volle gelijk heeft, laat immers nog altijd van zijne beste veêren, in die booze advokaten-vingeren?
Die onrust is voor Mijnheer Bareel zeker gewettigd. Er woelen echter reeds een aantal plannen, het een al meer duivelsch dan het andere door zijnen geest, om zich uit het Vulcanus-net, dat door Drummel gespannen wordt, te redden.
De deur wordt geopend en Marietta treedt, prachtig opgetooid, binnen. De zware zijde van haar ligtblaauw kleed, ruischt over het tapijt; haar weelderig hair, waarin een bloemtak gevlochten is, de frissche blos op de wangen, het levendig oog, de blanke arm, waaraan een kostbaar sieraad vonkelt - alles vereenigt zich om de dochter van Mijnheer Bareel inderdaad tooverachtig schoon te doen zijn.
Marietta gaat naar den schouwburg, en komt slechts even binnen om zich te laten bewonderen.
| |
| |
Noch de vader, noch de moeder gunnen haar echter eenen oogslag.
‘Gij zoudt dezen avond niet naar den schouwburg moeten gaan, Marietta!’ zegt de vader.
Marietta schrikt bij die onverwachte woorden en werpt een verwonderden blik op de twee droomende oudjes.
‘En waarom niet?’ zegt zij bitsig.
‘Ik heb mijne reden!’ is het antwoord.
‘Maar ik,’ zegt het eigenzinnige kind, ‘ik heb ook mijne reden om er te gaan!’ en zij doet moeite om de smalle hand in den nog smalleren handschoen te bergen.
De vader zwijgt op dat scherpe antwoord; hij is aan dergelijke antwoorden gewoon; eerbied voor hare ouders is geenzins eene van Marietta's deugden. Zij bekommert zich verder ook niet om het stilzwijgen, om de buitengewone houding van haren vader, om de zucht harer moeder. Zij vraagt zelfs met geen enkel woord naar de reden van dat alles, en neuriet een aria uit de opera, die zij gaat bijwonen. Wel ziende, dat de stemming der beide personen niet met de hare overeen komt, werpt zij eenen oogslag in den spiegel, die ten gevolge der schemering, hare ranke gestalte niet meer duidelijk weêrgeeft, en verlaat het vertrek onder het uitspreken van die harde en vernederende woorden:
‘Wat zijt gij beiden pleizierig van avond!’
Dat treft den vader; het hoofd zakt dieper naar de borst en hij voelt zijn oog vochtig worden. Marietta bekroont dien avond, de opvoeding en leiding, welke men haar en zij zich-zelve gegeven heeft.
| |
| |
‘Dat kind,’ zegt hij tot zijne vrouw ‘heeft geen hart.’
‘Och,’ antwoordt de moeder zij is nog zoo jong. ‘Zij moei dezen avond Georges zien.’
‘Is hij dan weêr, na dat belagchelijke tweegevecht in de stad gekomen?’ vraagt Bareel.
‘Het schijnt wel.’
Er flikkert een lichtje voor het oog van den speculant; hij keurt het nu volkomen goed, dat zijne dochter zich in den schouwburg laat zien. Morgen zal hij jonker Georges gaan opzoeken en, zoo noodig, door het aan van Dobbelsteen ontleende geld, dien wolf van een' Drummel te vreden stellen.
Hoe! onderbreekt mij de lezer; was hij dan pligtig?
Stil! laat de twee echtgenoten in de schemering den onregelmatigen loop hunner gedachten volgen, en dewijl wij, lezer, goede vrienden zijn, zullen wij in een hoekje en fluisterend, den waren toestand bloot leggen.
Herinnert gij u nog wel dat, op den avond toen Tony Darenge den diefstal in zijns moeders huis zag mislukken, hij zijnen patroon aantrof, en deze eene nieuwe gelukszon voor zijn oog deed schitteren?
Zonder twijfel is uw antwoord.
Op dien avond heeft de slimme Bareel gansch de ziel van zijnen klerk doorgrond en er duidelijk in gelezen, dat hij voor geene schurkerij achteruit treden zou. Hij veinsde echter niets te weten, niets te zien, deed zijnen klerk overheerlijke beloften, schonk hem schijnbaar zijn volle vertrouwen, hoewel hij zich heimelijk beloofde, hem met Argus-oogen te volgen; spiegelde
| |
| |
hem eene heerlijke toekomst voor, zoo als men aan het kind de kleuren van den regenboog belooft, en deed, hoewel onregtstreeks, een nevelbeeld - dat van zijne dochter in bruidstooi, in het verschiet voor hem oprijzen, even als eene Chineesche schim tegen den witten muur. Genoeg, de stoeldraaijers zoon was te vreden!
Den volgenden dag reikte Mijnheer Bareel-Van Dinter - zoo onverschillig en achteloos als hadde hij hem een vlammetje toegereikt, om zijne cigaar te ontsteken - zijnen klerk een aantal ongeteekende en dus waardelooze spoorweg-actiën toe, welke, volgens zijn zeggen, scheurpapier waren en ook moesten vernietigd worden. Het oog van Darenge had geflikkerd; hij sloot die sierlijk gedrukte stukken in zijnen lessenaar, en - gewis om de verveling te verdrijven - vond de jongen er een duivelsch genoegen in, om, door wat nietigheden: krullen, strikken, on vooral door ze, met een solieden naam te doopen, die arme verstootelingen aan hare authentieke zusters gelijk te maken.
Wat is hij behendig, die Darenge! Waarachtig hij heeft al de hoedanigheden, om op een verheven voetstuk in de zamenleving le geraken!
Eenige weken later trad Mijnheer Bareel, op zekeren avond zeer laat, in het kantoor, opende met een valschen sleutel den lessenaar van zijnen klerk, zag naauwkeurig bij het kaarslicht hoe elk stuk gelegd, hoe het geheel geschikt was, zocht daarna en vond eindelijk de hem ter hand gestelde actiën, maar hemel! wat waren zij veranderd. Het waren geen bastaards meer: men
| |
| |
zou zeggen dat het doopsel van Tony haar gewettigd had. Wat wonderen een behendig man toch verrigten kan!
‘Ik dacht wel,’ mompelt Mijnheer Bareel met een helschen lach op de lippen - ‘dat de rat aan de vergiftige suikerbollen zou geknaagd hebben. Die schurk heeft - toekomst!....’
Mijnheer Bareel legde alles zorgvuldig op zijne plaats; hij overlaadde Darenge met overvloed van vriendschap, riep hem dikwijls in zijn kabinet, sprak vertrouwelijk met hem over verschillende zaken, fianancieele plannen, op te rigten naamlooze vennootschappen, commanditaire maatschappijen; noodigde hem ten eten, schonk hem een goed glas wijn en gaf zijner dochter wenken hem vriendschappelijk te zijn. In het oog van deze had hij, zoo zij zegde, veel gewonnen, sinds hij zoo moedig op het terrein gestaan en zoo grootsch zijnen vijand behandeld had.
Zoo onderhield hij zijnen bediende, eenige dagen later, over de schuldvordering van Drummel en wenschte die uit den weg geruimd, de diamanten en de overige panden, in zijn bezit terug gekeerd te zien. Het was Darenge die met den woekeraar overeen kwam, het verschuldigde tegen eenige winstgevende actiën te verwisselen - en de klerk bepaalde zelfs een klein per cent, want de koers van den dag stond bijzonder gunstig en het was zeker, dat de actiën nog zouden stijgen.
Denzelfden avond dat een paar beursvrienden zich bij toeval in het kabinet van den wisselaar bevonden, en nu eens lachten, dan eens ernstig spraken over de beweging der actiën van de spoorwegmaatschappij, die inderdaad met stoom naar boven gesleept werden, nam Mijnheer Bareel achteloos eenige echte
| |
| |
en kostbare actiën, telde ze even achteloos, maar zag wel dat de vrienden en Darenge, die insgelijks aanwezig was, het oog op dat alles gevestigd hielden, en over andere zaken luchtig sprekende, omsloot hij de stukken door een wit papier. Dan verzegelde hij het paket en bij die bewerking, verzocht hij zelfs aan Mijnheer Tony het waslicht digt hij het lak te houden. Even onverschillig schreef hij het adres van ‘Mijnheer Drummel, rentenier’ op het pak en reikte het den klerk over, om het aan Drummel te bezorgen. De teruggaaf van het bij den schrok berustende, behoefde hij niet te gelasten: met dat geheim was Darenge immers bekend.
Het was echter reeds laat in den avond, en gewis zou de achterdochtige Drummel, de stukken in het volle daglicht willen zien; daarbij ontmoette Tony in den gang juist de oude Mevrouw, welke hem uitnoodigde de aankoopen te komen zien, welke Marietta zoo even gedaan had. Wie zou aan eene zoo lieve vraag kunnen weêrstaan! Juist nu dien avond was Mevrouw zoo gespraakzaam, Marietta zoo bevallig, dat Tony geruimen tijd in de woonkamer vertoefde en eindelijk besloot, zijne boodschap den volgenden dag te volbrengen, en het pak zorgvuldig in zijnen lessenaar te sluiten.
Des nachts, toen alles rustig was, sloop Mijnheer Bareel andermaal uit zijn kabinet naar het aangrenzende kantoor; de onrust op het gelaat, stak hij den valschen sleutel op den lessenaar; maar toen hij het pak daar, achteloos neêrgeworpen, liggen zag, vonkelde zijn anders zoo koel oog als dat eens duivels.....
Des morgens opende Tony den lessenaar en vond het pak
| |
| |
op dezelfde plaats liggen; 't was wel hetzelfde omslag-papier, hetzelfde zegel, dezelfde hand die het adres geschreven had.
‘Hoe, is die boodschap niet afgedaan, Mijnheer Darenge?’ vroeg plotseling Mijnheer Bareel, die achter hem stond, ter zelfder tijd eene uitstekende punt der vervalschte actiën vooruit trok en deze snel te voorschijn haalde. Tony beefde van schrik; hij voelde zijne haren te berge rijzen. Had Darenge tegenwoordigheid van geest gehad, hij zou gezien hebben, dat zijn actiënbundel wel eenigzins magerder was geworden.
De wisselaar bezag de eerste actiën, fronste de wenkbraauwen en scheen zich met moeite te bedwingen. Zonder Tony aan te zien, zegde hij, op eenen min of meer gestrengen toon:
‘Mijnheer Darenge, vang zulke gekheden niet meer aan. Als gij uitspannnig zoekt, teeken dan nog liever neuzen en ooren op mijn grootboek; dat is minder gevaarlijk.’
Onder het uitspreken dier woorden, scheurde hij de stukken en wierp ze in het vuur; daarna hernam zijn gelaat de gewoone plooi en er was niets buitengewoons meer in den toon zijner stem.
Tony was te zeer uit het veld geslagen, om een woord te zeggen; hij ging uit en gevoelde hoe grootmoedig zijn patroon daar gehandeld had. Valsche handteekens! maar dat had hem immers tot den dwangarbeid kunnen brengen! Inderdaad, Mijnheer Bareel moest hem veel achting toedragen, om het gebeurde als eene gril, als eene aardigheid te beschouwen.
De wisselaar zou voorzeker zijnen klerk, noch de waarde in papier, noch de diamanten, noch de overige stukken toevertrouwd hebben, wist hij niet dat zijn hart een dierbaarder
| |
| |
schat in zijn huis had - zijne dochter - dan wel dat handvol geld.
Een uur nadien bragt Tony de papieren, de diamanten van Mevrouw en eene uitmuntende kwittancie in het kabinet van zijnen patroon, die - het was duidelijk zigtbaar - aan het gebeurde niet meer dacht.
Er waren sinds die operatie verscheidene weken verloopen. Mijnheer Bareel had de echte actiën, die hij - men heeft het begrepen - uit het paket gehaald en door valsche vervangen had, op ver afgelegene beurzen geplaatst en had, door ze op tijd te verkoopen, een aanzienlijke som gewonnen - iets wat Drummel, altijd door het meer geplaagd, ditmaal ten eenemaal verwaarloosd had. Mijnheer Bareel was er reeds op bedacht, eindelijk de valsche actiën, in handen van den woekeraar, door andere te vervangen, zich zelf varude onrust te bevrijden en tevens.....
Regt-uit gesproken, lezer, ik heb nooit den bult der berekening gehad; als kind, op de schoolbanken, deed mij niet alleen de logarithmen en de algebra sidderen; maar een regel van drieën deed mij zelfs bleek worden! Gij zult mij dan ook vergeven, dat ik de plannen van den speculant niet verder uitleg en mij uit die moeijelijkheid red, met een aantal..... te plaatsen, 't geen zeggen wil, volgens zekere dichters, dat de lezer indien hij verkiest, zelf het overige kan aanvullen.
Doch de ontdekking van Mijnheer Drummel kwam nog altijd te vroeg, en hoewel al de voorzorgen met een helsch talent genomen waren, om Tony Darenge voor den pligtige te doen door- | |
| |
gaan, zou de speculant dat uiterste liever vermeden hebben.
De woekeraar was mistroostig in zijn huis terug gekeerd en zat bij het lamplicht op die vervloekte actiën te staren, toen er aan zijn huis gebeld werd en Tony Darenge binnen snelde, triomfantelijk een oude roode brieventesch in de hoogte stekende. Het was de portefeuille, welke hij den avond te voren, terwijl zijn broeder bij den baron van Dormael was en hij, met Anna-Bella's toestemming, een gewaanden brief in den lessenaar zocht, had weten in te palmen.
Doch de oude Drummel ontving hem met een vlammend oog en een paar nog stevige vuisten; hij greep den jongen deugniet bij de keel en schuimbekkend van razernij, riep hij hem toe: ‘Schurk, die valsche actiën durft uitgeven!’
Tony dacht eerst dat de woekeraar zinneloos geworden was; want hij toch was in de overtuiging, dat het pak onvervalschte, echte waar bevatte; maar hij had, let wel op, lezer, twee zijner actiën aan eenen hem plagenden schuldeischer in betaling gegeven; hij zag - zoo meende hij - juist die twee zijner stukken op tafel liggen, en hij vroeg niet meer hoe zij daar gekomen waren, maar zich met een magtig geweld losrukkende, sprong hij brieschend naar de tafel, greep de hem veroordeelende papieren en smeet ze in het vuur.
Dan greep hij Drummel vast, en deze onder de sterke hand van Tony onbeweeglijk gemaakt, zag de beschuldigende papieren, in eene heldere vlam vergaan!
Zwarte Kaat was, bij den aanvang der worsteling, het huis uit gestoven, om de policie te verwittigen, en toen Darenge
| |
| |
bemerkte dat er niets meer van de hatelijke stukken overbleef, liet hij den woekeraar los en sprong de deur uit.
De bewijsstukken tegen den stoutmoedigen Tony waren vernietigd; Mijnheer Bareel had een degelijke kwitancie in handen, en kon getuigen inroepen ten gunste zijner eerlijke voldoening: beiden waren gered en Drummel was - bestolen.
Toen Darenge de huisdeur wilde verlaten, greep hem echter de stevige hand der policie bij de keel; worstelen was te vergeefs. Dienzelfden avond zat de zoon van den stoeldraaijer in de gevangenis, en er zou hem geene veroordeeling te wachten gestaan hebben, hadde de Voorzienigheid den weg niet aangeduid, die regtreeks naar de twee overblijvende valsche actiën geleidde!
Hoe eene nietigheid, een behendig man toch in het ongeluk kan storten!
|
|