| |
| |
| |
I.
Het is in den zomer, op eenen zondag middag.
De zon schijnt, zoo als de goede God het gewild heeft: voor den arme en voor den rijke; haar glans valt even mild op het nederige werkmanshuisje als op het prachtige hotel.
Veel heeft men in onze zamenleving aan den mindere, ten voordeele van den rijke, ontfutseld; doch de koesterende zonnestralen heeft men nog niet in een ijzeren geldkoffer weten op te sluiten, om er slechts den bevoorregtigde van te laten genieten.
Op een zoo heerlijken dag, als die is waarvan wij spreken, is Antwerpen als uitgestorven; ieder wil buiten de muren gaan en de menschenmassa verspreidt zich op de wandelingen, waar de zomer, in volle pracht, voor ieders oog zich opdoet. Wij ook bevinden ons op het drukst bezochte wandelpad buiten den ouden ringmuur.
| |
| |
Laat ons op deze bank plaats nemen en - zien.
Er wemelt eene bonte menigte van menschen voor ons heen, menschen van allen stand en rang: sloffende oudjes, pronkende vrouwen, dartelende kinderen, fier stappende jonge heeren, gul lagchende en stoeijende volksmeisjes, kostbare en blinkende officieren; wandelaars hier, snorrende rijtuigen en ruiters ginder.
Rijkdom onkennelijk; klatergoud overhoop.
Laat die menigte voor ons heenstappen, zonder ons juist om de geheime reden, welke haar herwaarts drijft, te bekommeren: welhaast zullen de personen opdagen, welke wij hier moeten zien, om ons verhaal te beginnen.
Het is niet die pronkende familie, uit wier veêren, volants en regenboogachtige kleuren, de parvenu spreekt, gelijk de valsche trotschheid door de gaten van den mantel des Griekschen wijsgeer piepte; - noch die aristocratische heer, wiens palet met kleuren in zijn knoopsgat, ons aan magt en invloed of aan een plooibaren ruggegraat doet denken; - noch die lieftallige juffer, welke haar kleed door het zand sleept, als of zij er iedere week een ten geschenke kreeg; - noch die jonge heer, wiens voorste vinger, door de naald blaauw geprikt, nu zorgvuldig door den fijn leêren handschoen is bedekt; noch.....
Och, zwijg toch, heimelijk spottende duivel, die gedurig, bij iedere verandering van gezigt, den sluijer van klatergoud en gompapier opligt; laat mij toch telkens niet achter de gordijn der poppenkast zien!
Als men jong is, als men zich de wereld nog onder de schoonste kleuren voorstelt, denkt men dat iedereen goed en regtzinnig
| |
| |
is zoo als wij dan zijn; toen ik nog in die jaren verkeerde, zag ik de wereld, zoo als zij oppervlakkig schijnt te zijn en ik geleek veel aan den dorpeling, die voor de kermistent staat te gapen en gelooft dat de duif, welke in de goochelbus gestoken wordt, waarachtig onder het hopus-pocus in een konijn of in eene gekookte kreeft veranderd; ofwel dat de poppen uit het Jan Klaassen-spel zich van zelf bewegen.
't Is een gelukkige tijd - als men ten minste niet te lang in denzelve verkeert, en men der wereld den tijd niet geeft om ons een onbreekbaren ring in den neus te smeden, waaraan men ons geheel het leven voortleidt.
Later ontwikkelt zich de geest: hij ziet, hoort en doorgrondt, en begint zich eindelijk af te vragen hoe de gedaanteverwisseling der duif, hoe de beweging der poppen plaats heeft.
IJzerdraad en dubbele bodems!
Van dat oogenblik ziet men nog wel eens naar het poppenspel en de toovertent; maar de begoocheling is voorbij.
Is de tijd der kennis, des onderzoeks gelukkiger dan de tijd der illusie? Gewis, neen; maar kennis is eene maatschappelijke noodzakelijkheid geworden; zij geeft den mensch kracht, zelfbewustheid, doorzigt, scherpzinnigheid - die wel eens tot het kwade overslaat - doch zij maakt hem ook man, gereed om met de moeijelijkheden des levens te worstelen; zij doet, om zoo te spreken, den houten kindersabel uit onze hand vallen, en geeft ons de geladen draaipistool in de vuist - zedelijkerwijze gesproken, indien er ook zedelijke revolvers kunnen bestaan.
Doch stil! daar komen juist de personen, welke wij verwachten.
| |
| |
De een is een jong werkmansgezel, in den versch gestreken blaauwen kiel gekleed, de zwart lakensche klak op het hoofd, de witte hemdsboordjes over den zwart zijden das, wiens tippen op de breede borst hangen, neêrgeslagen; de zwarte broek is zorgvuldig geborsteld en de schoenen zijn geblonken als om er zich in te spiegelen. Aan zijnen arm gaat een oud moederke, met eene oud Brabandsche muts op en den katoenen mantel omgehangen. Naast haar treedt een lief volksmeisje; al heeft zij maar een bruin merinossen kleedjen aan, een met groene en roode bloemen doorweven halsdoek om; al is haar weelderig blond haar slechts, door een nederig en met een rood lint omkranst mutsje, bedekt - toch moet zij veel jaloezij bij de rijkere wandelaarsters opwekken.
Het zijn, men ziet het, menschen uit den werkmansstand. Vergenoegd, dat zijn ze! Het levenslustig gelaat des jongelings zegt het ons; ook de glimlach, dien het meisje soms den jongen toewerpt, zou ten voordeele der veronderstelling getuigen. De drie personen zijn gelukkig door elkander, en als gij wilt opmerken hoe fier de forsche knaap is, nu hij zijn ‘meeke’ aan den arm heeft, zult gij daardoor alleen reeds verzekerd zijn, dat er een eerlijk hart onder den kiel klopt.
Eerlijke harten schamen zich de armoede en den ouderdom niet!
Laat ons die menschen volgen: zij zullen u gewis liever zijn - want ik veronderstel, dat het gezond verstand u eigen is - dan die wereld van klatergoud, welke zoo even uwe aandacht opwekte.
| |
| |
Die jongen heet Jan Darinckx; de oude vrouw is zijne moeder en het lieve blozende meisje heet Anna-Bella. Jan is een stoeldraaijer van ambacht, Anna-Bella is een fijn naaistertje, en als alles op zijnen tijd komt, dan worden die twee nog een paar - maar nu, nu is de boter nog te duur.
Ik geloof niet dat zij allen te zamen een tweefrancstuk op zak hebben; maar och! waartoe is dat ook noodig als de hemel zoo zuiver, de zon zoo koesterend is; als de bloemen zoo vriendelijk geuren - als men, vooral, zoo gezellig bijeen is!
De jonge werkman kout vrolijk; hij weet gewis op alles een goed woord te vinden, want het moederke en de verloofde glimlagchen dikwijls. Hij spreekt van zijn werk, van 't geen hij zijne kunst noemt; hij herhaalt de vleijende woorden, die gisteren de baron van..... - ja, 't is een naam, die met de el kan gemeten worden - hem toerigtte, toen de edelman met welgevallen zijn werk beschouwde.
Ja, 't zal beter gaan in de toekomst! Dan zal hij zijn werkhuis vergrooten; een nieuw uithangbord boven de deur hangen en St. Lucas - de patroon der kunstenaars - die nu zwart en vuil in de woonkamer staat, met gebroken neus en armen, zal door een nieuwen hardhouten vervangen worden. Dan, gaat hij plagend voort, koopt hij ook eenen hoed met pluimen voor zijn oud moederke, en eenen neusnijper voor Anna-Bella, opdat zij door 's avonds te werken, hare lieve, heldere en schelmsche oogen niet zou bederven.
Er ligt iets goedhartigs in den toon der stem van den jongen Darinckx.
| |
| |
‘En om te toonen, meeke’ zegt hij opgeruimd, ‘dat het leven mij lekker is, zou ik hier met u, in het midden van al dat volk, eens een luchtigen flikker willen slaan.’
‘En ik dan?’ vraegt Anna-Bella plagend.
‘Wel, gij zult het dansdeuntje fluiten!’ is het antwoord.
Een hel geschater roept den jongen Darinckx plotseling uit zijne tooverwereld. Daar komen vijf of zes jonge heeren - echte modeplaatjes - aanslenteren. Zij hebben den hoed luchtig op het hoofd, de wierookende cigaar in den mond, den rotting in de hand. Ze zijn gefriseerd, geparfumeerd, geganteerd; ze spreken luid, zeer luid een..... zoo gezegd Fransch, omdat zij, door overluid te spreken, ieders aandacht willen trekken. Men zou hun te vergeefs willen inprenten, dat ze onbeschoft zijn - dat verstaan, dat gevoelen zij niet! Daarom zien ze ook iedere vrouw onbeschaamd in het aangezigt en zorgen altijd dat ze, als er iemand voorbijgaat, eenen grooten naam op heel familiaren toon uitspreken, om te doen gelooven dat zij menschen van hetzelfde kaliber zijn.
Luistert:
Men spreekt van Georges...... ge weet wel, van Georges, baron von Poppenkirchen; van Arthur, graaf von..... och! laat ons maar zeggen von Habernichts; van mademoiselle Euphrosonie, de magere danseres van den koninklijken schouwburg - onder ons gezegd, eene echte katoenbaal; van madame Léocadie, de dikke zangeres, die elken avond in de Opera van de bleeke maan droomt en wegteert van liefde! Ze hebben, die goede jongens, met den neef des ministers schaak
| |
| |
gespeeld; ze dansten met de prinses van Leuterenberg; wandelden in het badsaizoen met de gravin de Slonzerosa op den zeedijk te Oostende; schreven stoutweg hunne liefdes-verklaring voor de markiezin van Kaalschikzika, op de witte rustbanken te Spa en gingen op de wilde beeren-jagt met den prins van Hotten-tottenlo.
Dat klinkt in de ooren der voorbijgangers!
Ziet nu:
Het schijnt een vaste stelregel te zijn, dat men zoo dikwijls mogelijk, voor de rijk gekleedde wandelaars den hoed afneemt: men moet immers doen zien, dat men vele en voorname kennissen heeft. Men groet vooral de personen in rijtuig en de ruiters, die op eenigen afstand voorbij draven, hoewel deze dikwijls dien groet niet beantwoorden, of wel zij groeten terug uit gewoonte, uit tijdverdrijf, uit eigenliefde. Men heeft ook een gansch bijzonder en zeer compromettant knipoogje voor deze of gene burgermeisjes, die voorbij drentelen. Men blijft vooral stilstaan als er rijtuigen komen aanrollen, om zoowel den vorm van de koets, als het ras der paarden luid-op te beoordeelen: dat doet den eenvoudigen voorbijganger denken, dat men onder de Jockey-Club gerekend wordt; dat men zelf paarden en honden heeft. Ja, 't is maar een ‘weet’ om bij het domme publiek een voornaam man te schijnen!
Och, hier moet men de gordijn van het Jan Klaassen-spel niet opligten. Die goede jongens willen verbergen wie en wat ze zijn, en ze dragen, o jammer! den stempel van oorsprong en stand, in onuitwischbare letteren, tot op de punt van hunnen neus.
| |
| |
Jan, zijne moeder en Anna-Bella zijn voor die heeren uit den weg gegaan; maar de stoeldraaijer is bleek geworden. Meeke wischt, nu de heeren voorbij zijn, eenen traan uit de oogen en het meisje blikt, met een zuur gezigtje en een sterker blosje op de wangen, naar beneden.
‘Bedaar, moeder!’ zegt de werkman met ingehouden stem.
De moeder wil een oogenblik rusten - 't was dat de goede sukkel zoo ontroerd is! - en men neemt plaats op eene bank. Van daar tuurt de moeder de wandelende heeren achterna, en ze ziet dat een hunner, op dertig of veertig stappen van haar, een rijken heer en eene sierlijk getooide jonge juffer, met veel hoffelijkheid, nadert; 't was de heer Bareel-Van Dinter en dezes dochter.
Maar wie zijn dan toch die heeren?
Wij hebben ze reeds gewikt, gewogen en te ligt bevonden.
De jongeling, die zich buigt en neêrstrijkt voor vader en dochter, is de zoon van de arme vrouw, welke daar op de bank rust; het is de oudste broeder van dien eerlijken werkman - en echter is hij hen voorbij gegaan, als of hij zijne moeder, zijnen broeder niet meer kende! Ook komt hij niet meer in het huis, waar hij geboren, opgevoed werd en dat de vader eens met een hypotheek belastte, om zijnen zoon, den ‘menheer,’ wat meer dan eene stoeldraaijers-geleerdheid te geven! Hij schaamt zich den naam zijner familie en heeft dien naar de fransche mode hergoten: men noemt hem thans Monsieur Tony Darenge.
Daarom werd de werkman bleek, bleek van verontwaardiging; daarom wischte de moeder eenen traan uit de oogen; daarom
| |
| |
tuurde zij den zoon achterna - want, ach! het was toch altijd haar kind!
En waarom bloosde Anna-Bella meer dan te voren? vraagt ons eene lezeres - want die doorzigtige vraag kan slechts door eene vrouw gedaan worden. Ik antwoord: aan u, Mevrouw, zou ik dit geheim nu reeds willen ontsluijeren; u kunt zwijgen! Maar het verhaal komt ook in de handen van mannen, Mevrouw, en zouden zij het geheim wel bewaren en mijne kapittels, die nu zoo regelmatig zijn opgezet als een spel kegels, niet ten eenemale baldadig door elkaêr werpen?
‘Hebt gij gezien, hoe hij voorbij ging?’ zegt de stoeldraaijer, met eene niet meer bedwongen verontwaardiging. ‘Dat heeft, sedert men rijk is, geenen oogslag voor ons; dat kent ons niet meer, sedert men met al die flierefluiters omgaat!’
‘Och Jan, spreekt toch zoo niet van hem!’ smeekt de moeder. ‘De jongen wil fortuin maken in de wereld, en men moet al veel doen voor het oog der menschen. Ach! als hij 's avonds nog maar eens bij ons kwam gelijk vroeger!’ voegt de goede vrouw er zuchtend bij en zij tuurt nog altijd in de verte.
‘Neen, als hij zich over dag zijner moeder schaamt, dan ook moet hij 's avonds haar niet komen zien. Spreek hem niet voor; ik zeg dat hij een slecht hart heeft, en zie - ik zou hem eens willen doen rood worden tot achter zijne ooren.’
‘Wat wilt gij doen?’ vraagt Anna-Bella ongerust, de hand op den arm des werkmans leggende, dewijl deze eene beweging doet van op te staan.
‘Ik zou aan al die pronkers, aan die fiere juffer, aan dien
| |
| |
ouden bankbiljet-eter willen gaan zeggen wie hij is, hoe hij zijne moeder behandelt - en ze zouden hem wegjagen als een schurftigen hond.’
‘Neen, dat zult gij niet,’ onderbreekt de moeder. ‘Ik wil niet dat gij hem in zijn geluk hindert; wij hebben tot nu altijd gezwegen, dat hij de zoon van den armen stoeldraaijer is, omdat hij beloofde ons nadien rijk en gelukkig te zullen maken. Ik geloof daaraan niet meer; maar toch laat ons zwijgen, Jan.’
‘En waarom dan toch?’
‘Foei, Jan; kunt ge dan niet verdragen, dat de zon in het water schijnt!’
‘Wat ge daar zegt, moeder! Ik zijn geluk benijden; ik? Maar ik geloof dat gij droomt! Neen, neen, ik wil met hem niet ruilen! Als ik aan mijne draaibank zit, als ik werk en zweet voor ons schraal stuk brood, ben ik tevreden en 't is mij hier - ligt aan het hart. Toen vader in het gasthuis lag, zei hij: Jongen, Toon vergeet uwe moeder; dat is slecht. Dat zal hij eens boeten, hier of hier namaals, want 't is heiligschennis als men de schouders of 't hoofd van vader of moeder, tot voetschabel gebruiken wil, om naar boven te klimmen. Ja, ja, dat heeft hij gezegd en hij voegde er bij: Werk gij trouw voor haar, en hebt gij het hier op de wereld niet breed, 't zal u later dubbel en dik beloond worden.’
De moeder zwijgt nu en staart met doffe oogen naar den grond; Anna-Bella wendt het hoofd om, want Jan heeft dat alles zoo hartroerend gezegd, dat er groote tranen in hare schoone oogen opwellen.
| |
| |
De jongen wil voortspreken; doch het meisje onderbreekt hem angstig:
‘Kom, Jan, laat ons gaan; de menschen zien ons zoo wonderlijk aan.’
‘Laat ze maar zien’ antwoordt de jonge werkman; ‘dat mogen ze vrij. Arm zijn we, dat is waar, maar eerlijk zijn wij ook en dat kan men niet zeggen van die welke hunne moeder als straatvaagsel vermijden.’
De jongeling slaat nu het oog op de oude vrouw, welke volop weent; dat treft hem en op zachter toon gaat hij voort:
‘Kom, moeder, laat ons gaan; ik meen het zoo kwaad niet - en zie, 't is slecht van mij altijd op dat punt neêr te komen.’
Het drietal is opgestaan en slaat eenen zijweg in.
Twee heeren wandelen stil en bedaard de werkmansfamilie voorbij; de jongste der twee neemt met eerbied den hoed af en knikt welwillend goeden dag; de oudste, een eerbiedwaardig grijsaard, die op den arm van den jongeren man leunt, groet even vriendelijk. Beiden wandelen langzaam voort, en nu Jan het hoofd omwendt, om hen nogmaals te zien, zegt hij met voldoening:
‘En dat groet den werkman met de meeste vriendschap! En niettemin dat is groot, rijk, geleerd en die brave oude is zelfs een baron! Daar zijn nog goede menschen in de wereld en die nog achting voor den eerlijken werkmanskiel hebben! Kom, moeder’ voegt hij er weêr lagchend bij ‘willen wij nu onzen flikker eens slaan!’
Moeder en Anna-Bella zien er weêr tevreden uit; er breekt
| |
| |
een glimlach door de tranen heen, die nog van straks in het oog van het jonge meisje glinsteren.
|
|