ik het spel ga spelen, dat ik anders speel als ik alleen ben. Dan neem ik een potlood en leg voor me een oude krant of zoiets. Dan sluit ik mijn ogen en prik lukraak met mijn potlood op het papier en dan probeer ik mezelf iets te vertellen over het woord, dat mijn potlood geraakt heeft. Een erg prettig spel, ik kan het jullie aanraden.’
‘Er zijn hier geen kranten,’ zei Josientje.
‘Ik weet wat,’ zei de wasvrouw. ‘Iemand van ons wijst een voorwerp hier op zolder aan en dan vertel je daar over, wat je te vertellen hebt.’
‘Ik zal wat aanwijzen,’ riep Herman.
‘Nee, ik,’ zei Gijs.
‘Ik stel voor, dat tante Lucella het voorwerp aanwijst,’ zei juffrouw Truus.
‘Goed,’ zei tante Lucella, ‘maar breng me dan bij die berg, die hier moet zijn.’ Dit gebeurde en na enige aarzeling tastte de blinde vrouw toen naar een klein hard ding, wat een schelp bleek te zijn.
‘Een schelp, je moet over een schelp vertellen,’ riepen verschillende stemmen door elkaar heen.
‘Een schelp,’ prevelde Frédéric. ‘Wat heerlijk, dat het juist een schelp mag zijn, want niets is gemakkelijker dan daarover iets te vertellen. Ik zal ook maar beginnen over de tijd, dat ik een kleine jongen was.’