het rijkste meisje van de wereld geworden was, voelde ze tegelijk iets vreemds. Net alsof ze ergens naar verlangde, maar ze wist niet wat. Ze schold zichzelf uit, want ze vond zich nu wel een heel ondankbaar kind.
Terwijl ze zo naast haar eigen Artis zat en nog eens een vogeltje, dat uitgezongen was, opwond en een duwtje gaf aan een goudvis en poogde de schildpad bang te maken voor de kikker, toen verbeeldde zij zich, dat het paardje zo gek keek. Het stond met zijn hoofd afgewend van het licht, het keek naar de donkerste hoek van de zolder, waar de matrassen en het pakhuis te vinden waren. Ze keek mee met Suze naar de donkerte en toen was het alsof er daar iets bewoog. Ze keek nog eens, ja, ze hoorde duidelijk geritsel. En opeens, wat zat daar boven op de rand van het pakhuis? Een aapje, een echt, klein aapje met een rood zijden broekje aan en een jasje van groen fluweel. Opeens herinnerde zij zich weer, wat Zwarte Piet gezegd had van het cadeau, dat hij had meegebracht van de rots van Gibraltar. Ze liep naar het aapje toe en zag nu, dat het om zijn hals een gouden koord droeg, waaraan een brief hing, waarop stond: Voor Josientje.
Terwijl het aapje met een sprong op haar schouder belandde en zijn beide armpjes, die zozeer op