heb met die beesten van jou! Kijk maar, hup, hoepla, hoepla, moet je zien, hoe die kikker dobbert als het water golft van het boenen en de vissen! Hoe harder ik was, hoe hoger ze springen. Het was een hele afleiding.’
Josientje dacht ernstig na. Ze keek eens en telde dat er zes goudvissen waren, een kikker en een schildpad. ‘Met één goudvis heeft u misschien ook al een beetje plezier, vindt u het goed, dat ik de andere dan meeneem?’
‘Wel meid,’ zei juffrouw Truus, ‘je bent een reuzekind, een goudvis, wat een bezit! Ik had nooit kunnen denken, dat ik nog eens een goudvis van celluloid zou bezitten! Zo zie je, een mens weet nooit, wat hem nog eens te wachten staat.’
Ze viste de andere beesten uit het sop, spuugde er eens op om ze daarna tegen haar schort glimmend te poetsen, wat niet nodig was, want ze kwamen zó uit het zeepsop. Dan ging ze keurig de deur voor Josientje openzetten.
Toen deze in de gang was hoorde ze haar zingen:
‘Het leven is heus niet zo kwaad, tralalalalalala.’
Josien vond, dat ze vrij wat mooier zong dan Liliane met de punthoed van de tweede verdieping. Gelukkig had ze zakken in haar jurk, waarin ze de vissen, de kikker en de schildpad kon wegstoppen.